De samenleving onder 'architectonische kritiek'
Honderd jaar christelijk-sociale beweging
'God toch heeft ons niet geschapen voor de broze en vergankelijke goederen van dit leven, maar voor de eeuwige goederen des hemels en Hij gaf ons de aarde als ballingsoord, niet als blijvende woonplaats.' 'Van den Christus raakt onze Maatschappij los; voor den Mammon ligt ze in het stof gebogen; en door den rustelozen prikkel van het brutaalst egoïsme waggelen, gelijk de Psalmist klagen zou, de fundamenten der aarde.'
Op het eerste gezicht zou men niet zeggen, dat dit uitspraken zijn van twee voortrekkers van de christelijk-sociale beweging, mannen van het eerste uur. De eerste uitspraak is van de rooms-katholieke politicus Schaepman, die, hoewel hij traditioneel en in politiek-sociaal opzicht terughoudend was, geïnspireerd werd tot de christelijk sociale actie van zijn dagen door de pauselijke Encycliek Rerum Novamm (1891).
De tweede uitspraak is van Abraham Kuyper, gedaan in zijn befaamde rede voor het door hem belegde Christelijk Sociaal Congres op 9 november 1891; een rede waarin hij 'architectonische kritiek' oefende op de bestaande, kapitalistische maatschappij.
Het is vrijwel ondenkbaar, dat binnen de christelijk-sociale beweging vandáág, of het nu de rooms katholieke of de protestantse tak ervan betreft, deze geladen religieuze taal nog zou worden gebezigd.
1891
Het is dit jaar intussen honderd jaar geleden, dat de grote impuls werd gegeven aan de (georganiseerde) christelijk-sociale beweging in Nederland. Het is niet toevallig, dat de pauselijke encycliek Rerum Novarum en het eerste Christelijk Sociaal Congres in hetzelfde jaar vielen, in 1891.
In een recent verschenen bundel over de oorsprong en de achtergrond van de christelijk-sociale beweging (G.J. Schutte e.a., 'Een arbeider is zijn loon waardig', Meinema. 's-Gravenhage), wordt verondersteld, dat Kuyper tot het bijeenroepen van het betreffende congres is gekomen vanwege stimulansen uit andere landen in Europa. Met name in Duitsland, Engeland en België was de bezinning ook voluit aan de gang. Ook de pauselijke encycliek kwam niet uit de lucht vallen. De dingen grepen kennelijk samen.
Wie intussen de stukken erop naleest moet wèl tot de overtuiging komen, dat de sociale bewogenheid bij het Nederlandse protestantse, zeg gereformeerde volksdeel — àls die er al was — niet uitmondde in georganiseerde activiteiten. Er was weliswaar het (in 1876 opgerichte) Christelijk Werklieden Verbond Patrimonium. Maar dat stond op gespannen voet met bijvoorbeeld de antirevolutionairen van die dagen. Klaas Kater, de voorman van Patrimonium, gispte de ARP, omdat Patrimonium-mannen geweerd werden als kamerkandidaten: 'opklimmen mogen wij niet: want dat is socialistisch; en afdalen tot ons wil men niet. Wat dan... Moet dan het terrein voor de socialisten worden geëffend?'
Kater zei, dat het 'arbeiderselement' onder de antirevolutionairen geheel ontbrak. Kuyper gaf toe, dat dit voor de 'kamerclub' als gehéél gold, niet voor ieder ìndividueel. Maar toen de antirevolutionaire kiesvereniging in het district Sneek Kater schriftelijk had laten weten, dat ze hem als kandidaat wenste, heeft Kuyper zijn invloed aangewend om baron Brantsen van de Zijp kandidaat gesteld te krijgen. Waarvan acte!
Nochtans moet Kuyper worden aangemerkt als de grote stimulator van de sociale actie in gereformeerde kring. Het was met zijn all-round leiderschap gegéven, toen de omstandigheden erom vroegen.
Socialisme
Ongetwijfeld heeft het opkomend socialisme mede de stoot gegeven tot de christelijk-sociale beweging aan het eind van de vorige eeuw. Het Christelijk Sociaal Congres was — aldus H.J. Langeveld in genoemde bundel — 'een uiting van bereidheid van de antirevolutionairen om voortaan het sociale vraagstuk ter harte te nemen' en 'een poging om een alternatief voor de socialistische oplossing van dat vraagstuk te bieden'. Het congres bedoelde zelfs 'de orthodox-protestantse arbeiders tegen beïnvloeding door de socialisten af te schermen.'
Het specifiek christelijke van de sociale beweging in de vorige eeuw — in onderscheiding van het socialistische — was de afwijzing van de klassenstrijd. Er was her en der óók afwijzing van de werkstaking als machtsmiddel. Maar over staking waren de meningen wél verdeeld, met name ook binnen Patrimonium. Tegenstanders zagen, bij aanvaarding van staking, 'socialistische dreiging', namelijk vanwege samengaan 'met personen, die God niet kenden en niet naar Diens geboden luisterden'. Voorstanders — zoals de uitgever J.A. Wormser — bedienden zich soms van het (in die tijd) merkwaardige argument, dat God Zelf aan 600.000 Israëlieten gebood het werk neer te leggen, namelijk toen ze onder leiding van Mozes Egypte verlieten. Dit Exodus-motief is overigens later, in moderne opvattingen, veelvuldig gebezigd.
Het Christelijk Sociaal Congres erkènde overigens uiteindelijk het recht op werkstaking. Het is zelfs één van de belangrijkste resultaten van het congres geweest. Staking zou overigens het enige echte machtsmiddel (stok achter de deur) voor ook de christelijke vakbeweging blijken te zijn in de loop van de tijd. Het in de aanvang bepleite samengaan van werkgevers en werknemers in één verband kwam niet tot stand. Zou dat wel het geval zijn geweest dan zou de discussie over staking wellicht ook anders verlopen zijn.
Intussen is juist de kwestie van de staking de reden geweest, waarom velen binnen de gereformeerde gezindte in engere zin om principiële redenen afzijdig zijn gebleven van de christelijke vakbeweging.
Men kan zich intussen afvragen of de christelijk-sociale beweging er zònder het socialisme zou zijn gekomen, of liever of deze er toen zou zijn gekomen. Zoals zo vaak in de geschiedenis namen anderen nogal eens het voortouw om misstanden in de maatschappij te saneren. Maar hoe dit ook zij, dàt de christelijk-sociale beweging ontstond heeft toch te maken met het verworven inzicht, dat met name ook de Schrift ook voor het sociale leven directieven geeft.
Opvallend was overigens in die jaren wèl, dat de stem van de hervormde ds. A.S. Talma, die sociale rechtvaardigheid vanuit de Schrift fundeerde, de stem van een witte raaf was. Talma vond zelfs in 'de allerminst conservatieve' gereformeerde theologen Bavinck en Wielenga zijn opponenten, met name waar het de vrije rechtsverhouding tussen arbeider en werkgever betrof; dit uiteraard met een beroep op Col. 3 : 22, waarin de dienstknechten worden vermaand hun heren gehoorzaam te zijn. Maar ook Talma's zicht op árbeid (van de arbeiders) als 'roeping Gods' stond bij hen onder geduchte kritiek.
Verworvenheden
De sociale beweging in het algemeen, en ook de chistelijk-sociale beweging in het bijzonder, heeft in onze samenleving veel goeds gebracht. Het heeft geleid tot emancipatie, om niet te zeggen tot de verheffing van de arbeidersstand. Tegenwoordig spreken we zelfs al niet. meer over de arbeider (belast als die aanduiding kennelijk is) maar over de werknemer. Bepaalde elementen uit de sociale actie van de vorige eeuw zijn zelfs anachronismen geworden. Wanneer hoort men zelfs bij socialisten te onzent nog over klassenstrijd spreken. De socialisten van vandaag zijn zelf bezittende klasse geworden. In feite zijn ook de grenzen tussen de oude socialistische kaders en de christelijk-sociale kaders vervaagd (ik bedoel niet ten principále maar in de praktijk).
Bovendien zijn de arbeidsverhoudingen dermate gewijzigd, alleen al vanwege de omvang en de gestuctureerdheid van de bedrijven, dat allerlei knelpunten van toen in de arbeidsverhoudingen allang een andere spits, hebben gekregen. Werknemers en werkgevers hebben elk hun belangenorganisaties en zijn van daaruit met elkaar in regelmatig overleg of in confrontatie. De hele kwestie 'heer/knecht' is ingrijpend gewijzigd. Het 'heer' zijn had vroeger te maken met eigendom, bezit. In feite leven we nu in een samenleving, waarin het (recht op) eigendom een ingrijpende wijziging heeft ondergaan of collectief is geworden, niet in het minst ook door de verregaande staatsbemoeienis. Men kan dan ook moeilijk zeggen, dat diegenen, die door opleiding en kennis langs de hiërarchische ladders omhoog zijn gekomen in de grote bedrijven, nu opeens in een heer/knecht relatie staan ten opzichte van hen, die lager op de lader staan, dus niet zo hoog zijn gekómen. Als zodanig is ook het wapen van de staking al een ander middel geworden dan in de vorige eeuw, toen het gericht was tegen eigenaren, bazen. Nu staan, bij stakingen in de grote bedrijven, collectiva tegenover elkaar, waarbij de overheid niet ongemoeid blijft.
Schaduw
De sociale kwestie vandaag is intussen die van de 'verantwoordelijke maatschappij' zèlf, een maatschappij, die intussen een welvaartsmaatschappij is. In het begin van de christelijk-sociale beweging kenden de voortrekkers (Schaepman en Kuyper) aan de staat slechts een beperkte taak toe. Beoogd werd 'het terugdringen van de staatszorg binnen de grenzen van het onontbeerlijke' (Schaepman). Vandaag echter staan we voor de consequenties van de welvaartsstaat, die een verzorgingsstaat is.
We zijn midden in de actualiteit als we als voorbeeld nemen de kwestie van de WAO en de koppeling. De begrippen en de kwestie waarom het gaat behoeven niet eens verduidelijking meer. Om geen misverstand te wekken wil ik zeggen, dat het ook nù en hièrin gaat om sociale rechtvaardigheid. Dan gaat het derhalve om de vraag wie de grootste offers moet brengen bij noodzakelijke bezuinigingen, al weet ik zeer wel dat economische wetmatigheden hun eigen tol eisen. Ook vandaag gaat het om bescherming van de zwakken. Maar feit is dat minstens een deel van de WAO-trekkers van nu, dank zij de welvaarts(verzorgings-)staat niet te vergelijken is met de armen uit de vorige eeuw. Vorige week stond in de kranten een foto van de ministers Lubbers en de Vries op het Binnenhof. Ze waren omrankt met protesteerders, voorzien van feesttoeters en ludieke spandoeken. Het plaatje alléén al riep andere gevoelens wakker dan die van crepeersituaties in de vorige eeuw.
Maar ten diepste moeten we bij de verworvenheden van de welvaartsstaat de vraag stellen of het adagium van Kuyper, namelijk dat 'de eer van God en het recht van God' gezocht moeten worden in de maatschappelijke verhoudingen, in de welvaartssamenleving van nu méér is gerealiseerd dan in de armoedesamenleving van vroeger. Door de emancipatie zijn we ook ongelofelijk veel kwijt geraakt. Te denken valt vooral aan verantwoordelijkheidsbesef, tegenover God en elkaar met name.
Als dan in de aanhef van dit artikel de naam van de Mammon valt en deze in de vorige eeuw werd geduid in de richting van de bezittende klasse, dan mag de vraag vandáág wel worden gesteld of nù niet juist de hele welvaartssamenleving in de greep van de Mammon ligt. En als dan van de vorige eeuw werd gezegd dat 'de maatschappij los van Christus' geraakte, is dan met de sociale verworvenheden vandaag de maatschappij meer verbonden geraakt aan Christus (om in het spraakgebruik te blijven)? De vraag stellen is haar beantwoorden.
Zou Christus het dan zo bedoeld hebben? Met zóveel lijden in de wereld op kortere of langere afstand?
De welvaartsmaatschappij van nu valt niet minder onder de 'architectonische kritiek' van de Schrift, als de armoedesamenleving van vroeger.
We zijn immers in onze consuptiemaatschappij toch tot grote schade kwijt geraakt de gedachte, dat we hier geen blijvende stad hebben maar de toekomende zoeken.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 5 september 1991
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 5 september 1991
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's