Gereformeerden op zoek naar God (6)
Een voortgezet gesprek
Nog twee zaken
In dit laatste artikel wil ik nog twee zaken aan de orde stellen. Allereerst de door meerderen gestelde vraag, of ik op de manier waarmee ik over de Godsverduistering en de gereformeerde spiritualiteit heb geschreven, wel de werkelijke nood van de moderne mens in het vizier heb gekregen. De tweede vraag die ik wil proberen te beantwoorden, is ook door velen aan mij gesteld. Wijs je nu wel een uitweg uit de aangrijpende impasse waarin kerk en wereld verkeren rondom de heersende Godsvervreemding?
De gemeente
Met me op deze twee vragen te richten, is het duidelijk, dat ik me beperk. Want er zijn nog meer vragen gesteld en bezwaren gerezen. Zo wil ik nu niet uitvoerig ingaan op de opmerking, dat ik de gemeente niet voldoende aan bod heb laten komen. Mijn benadering zou wat piëtistisch-persoonlijk zijn met te weinig oog voor de bredere verbanden, waarin de gelovige zich bevindt en de prediking plaatsvindt. Op dit punt ben ik in 'Wapenveld' tamelijk breedvoerig ingegaan, en daarom wil ik het nu, om nog niet meer plaatsruimte op te eisen, liggen. Maar ik kan de lezer wel verzekeren, dat mij de gemeente zeer ter harte gaat — en dat dit ook bij het schrijven van mijn boek zo is geweest.
De gereformeerde verkiezingsleer
Ook laat ik terzijde, wat ik over de verkiezing heb geschreven. Het is mij trouwens opgevallen, dat de kritiek zich niet op dit deel van mijn boek heeft gericht, zeker niet overwegend. Zelfs mijn voorstel om de Dordtse Leerregels van achteren naar voren te lezen, is niet hevig afgewezen of als pertinent ongereformeerd aangemerkt. Ik leid hieruit af, dat de problemen hieromtrent, die ik in mijn boek nog eens kort maar scherp heb geformuleerd, door steeds meerderen worden onderkend. Een voluit dubbele (supralapsarisch gekleurde) predestinatie, daar krijgen kennelijk steeds meerderen onder ons hun moeite mee. Temeer, omdat zij deze in de Schrift niet kunnen terugvinden. Men leze in dit verband nog eens wat ik geschreven heb over de omgang van God met zijn volk in het Oude Testament. Ook neem ik aan, dat steeds meerderen ervan overtuigd raken, dat het mogelijk is om de volkomen goddelijke genade te belijden zonder een dubbele predestinatieleer.
De Geest en zijn gaven
Verder is het mij opgevallen, dat ook weinigen hun kritiek hebben gericht op wat ik over de Geest en zijn gaven geschreven heb. Ook daarvan krijg ik de indruk, dat het inzicht rijpt, dat er onder ons een nijpend gebrek aan Geestesgaven bestaat, en groeit de verlegenheid erom. Daar ben ik blij om. Alleen: nu de begeerde opwekking van de Geest zelf nog! Laten wij er volhardend om vragen, want de Heere Jezus heeft het beloofd: De Vader zal de Geest geven aan hen, die Hem dag en nacht erom bidden. Maar dan hebben wij ons ook voor Hem open te stellen! Dat bedoel ik niet in remonstrantse zin, maar als een appel. De vraag is namelijk, of we onszelf er ook voor over hebben. Die vraag stel ik niet alleen aan anderen, maar ook aan mezelf, en daarom formuleer ik ze nu in volle scherpte. Onze gereformeerde burgerlijkheid en zelfgenoegzaamheid, onze orthodoxe status, onze vrome of juist on-vrome gebondenheid aan onszelf, ons vaak puriteins verpakt materialisme, ook ons kerkelijk bedrijf, onze reformatorische zuilen en zelfs onze Gereformeerde Bonden: kortom, hebben wij onszelf ervoor over om vervuld te worden met de Geest en louter instrument te zijn in Zijn hand? De Geest komt namelijk niet binnen in een florerende zaak, maar in een zaak die bankroet is. Maar daar zijn we geloof ik nog niet aan toe. Te begrijpen, want begerenswaardig is zo'n situatie niet. De weg naar de verootmoediging toe is niet de weg van ons (vrome) vlees (vgl. de brochure van de Noordense broederkring van predikanten: 'Hoe komen wij tot verootmoediging?). En toch zal het die richting uit moeten...
Hoe zit het met de echt moderne mens?
Maar nu de twee overgebleven vragen. Hoe zit het met de echt moderne mens? Bereik je die op de manier zoals ik het geprobeerd heb in mijn boek? Met deze vraag komen we pas toe aan de eigenlijke thematiek van mijn boek. Dat is toch wel jammer. Blijkbaar hebben mijn kritische lezers vooral erop gelet, of ik wel gereformeerd genoeg gebleven ben, terwijl zij de eigenlijk nood, die mij tot schrijven drong, nauwelijks hebben opgemerkt. Daarom moest ik nu ook eerst 5 artikelen schrijven om mijn gereformeerdheid te legitimeren en kom ik in mijn laatste artikel pas toe aan de echte vragen.
Want achter de boven gestelde vraag ligt een andere vraag, die nog dieper grijpt, namelijk: heeft de gereformeerde prediking en spiritualiteit wel de mogelijkheid in huis om die moderne mens te bereiken? Door meerderen wordt dit betwijfeld. Ik denk b.v. aan wat ds. T. Poot hierover schreef in Kontekstueel.
Van Genneps boek en het mijne
Er wordt in dit verband nog wel eens een vergelijking gemaakt tussen mijn boek en dat van wijlen prof. Van Gennep De terugkeer van de verloren Vader. Hij zou wel die moderne mens op het spoor zijn gekomen, ook al zou je bezwaar moeten maken tegen de weg van 'terugkeer' en behoud zoals hij die tekent.
Mijn antwoord hierop kan slechts van bescheiden aard zijn. Ik ben ervan overtuigd, dat ik die moderne mens maar heel beperkt in het vizier heb. Van Gennep wist daar niet alleen veel en veel meer van, omdat hij van het begin af aan zich erin verdiept heeft. Maar ik heb altijd van hem de indruk gekregen, dat hij zelf ook zo'n mens is geweest, die echter tegelijk het christelijk geloof wilde blijven belijden. Vandaar de existentiële ontmoeting van de moderne mens en de christen in zijn eigen beschouwingen. Dus, daaraan gemeten, ben ik eigenlijk geen partij.
Van Gennep over de 'verloren Vader'
Maar er is ook een andere kant. Ik heb het boek van Van Gennep met diepe belangstelling en zo 'borend' mogelijk gelezen, ook vanuit de hier aan de orde gestelde vraagstelling. Dus vanuit de vraag: tekent Van Gennep inderdaad een heel andere mens dan ik me voor de geest haal, als ik denk aan de moderne, volstrekt geseculariseerde mens. Ik hoop dan niet te oppervlakkig te hebben geoordeeld, als ik meen, dat dit ten diepste toch niet zo is. Van Gennep tekent die mens als degene, die de (hemelse) Vader niet meer nodig meent te hebben (Verlichting). Hij heeft zelf zich een autoriteit verschaft, die hij aanziet voor zijn vader, maar die in wezen een creatie is van hemzelf (de ideologie). Maar het is door de tijden heen gebleken, dat de mens met deze eigengemaakte vader in het moeras van de dictatuur en de vereenzaming en de wanhoop is terechtgekomen. Kortom, hij is er mee vastgelopen. Waar het nu om gaat, is: hoe krijgen we de echte (hemelse) Vader weer terug? Dan probeert Van Gennep zijn uitweg, zijn toeleidende weg te tekenen.
Nu merk ik, dat die laatste fase van zijn boek door velen niet als een echte uitweg wordt herkend. Zelf doe ik dit ook niet. Ik bedoel het beslist niet denigrerend, maar ik ben er wel van overtuigd, dat wat Van Gennep voor ogen staat, het oude recept van het negentiende eeuwse moralisme is in een nieuwe vorm verpakt. Hoe modern die vormgeving ook is, het is geen geneesmiddel, omdat de diepte van de kwaal, de Godsvervreemding, er niet grondig genoeg in wordt aangepakt.
Maar dat laatste is in onze discussie secundair. Waar het mij om gaat, is, dat ook Van Genneps analyse van de Godsverduistering in deze moderne wereld in wezen niet anders is dan de mijne. De mens heeft gemeend God buiten de deur te kunnen zetten, maar heeft er wel een afschuwelijke afgod voor in huis teruggehaald. Daar gaat het toch om, bij Van Gennep en ook bij mij. Als ik me zelf tenminste goed inschat.
De moderne mens en de gereformeerde spiritualiteit
Als ik dit nu overbreng op de vraag, wie die moderne mens is, die aan de Godsverduistering is prijsgegeven, dan heb ik toch de gedachte, dat dit niet zo'n volstrekt andere mens is dan alle andere mensen. Als dan gezegd wordt: ja maar, bij deze mens is het zo, dat die Godsverduistering hem is overkomen, als een macht van buitenaf. Dan zou ik juist met Van Gennep willen zeggen: dat lijkt wel zo te zijn. Ik geloof ook, dat je dat in eerste instantie zo moet aannemen. Maar dan vervolgens dienen wij toch dieper te peilen naar de oorzaken. Die blijken dan toch daarin te liggen, dat de mens God niet meer nodig meent te hebben. Dat komt aan de ene kant over hem, als een heersend klimaat, dat hij inademt. Inderdaad. Maar hierbij is het net als bij wat wij als de erfzonde beschouwen: we ademen de verzieking in, maar we gaan er wel in mee. We voelen er zelf ook voor. Het is niet zo, dat de moderne mens in zijn Godsverduistering zich verzet heeft omdat hij zelf God wel wilde laten blijven. Doorgaans is het het tegenovergestelde. Dat is vooral te zien bij hen, die als uiterst moderne mensen een gereformeerd verleden hebben. We kennen ze bij name. Ik weet wel, ook dat heeft mede een achtergrond vanuit een bepaald milieu. Maar dit kan nooit een alibi vormen voor het gegeven, dat de mens het zelf is, die op een gegeven ogenblik God buiten zijn deur zet en Hem verbiedt er weer in te komen.
Daarom blijf ik toch geloven, dat ook voor die mens de (gereformeerde) boodschap van het evangelie to the point is. Dat betekent niet, dat wij er dan vanuit kunnen gaan, dat deze boodschap gemakkelijker als het verlossende Woord wordt aanvaard of herkend dan een andere, eventuele moderne, christelijke heilsboodschap. Hier staan wij met z'n allen voor een onmogelijkheid. Vooral als we niet alleen letten op de principiële atheïst, maar met name op de moderne consumptiemens, de Veronica-mens. Maar dit verdrietige gegeven op zich is er nog geen bewijs van, dat het positief christelijk geloof in God naar gereformeerde overtuiging niet ook voor deze mens de enige weg tot het ware leven is. Al is het wel zo, dat het dan nog urgenter wordt, dat wij die boodschap vertolken in haar volle eigentijdse menselijke realiteit. Dat wordt steeds dringender, want, nogmaals, die moderne mens bevindt zich binnen onze muren ook.
Te negatief?
De tweede vraag heeft te maken met de mij vele malen toegevoegde opmerking: wijs ons nu eens op een positieve manier de weg van vernieuwing. Deze vraag ging vaak gepaard met de wat verwijtende tegenwerping, dat ik wel me inspan om duidelijk te maken, wat er allemaal aan ons mankeert, maar dat ik nalaat om in positieve zin een weg tot vernieuwing te wijzen. Men vindt mij negatief, te eenzijdig kritisch. Iemand zei zelfs: je bent cynisch. Dat laatste raakte me wel diep. Want dat zou erop neerkomen, dat ik vanuit een persoonlijke frustratie mijn bitterheid in dit alles tot uiting laat komen.
Dat alles geeft mij echter wel veel reden tot nader zelfonderzoek. Want ik heb leren inzien, dat ook mijn hart arglistig is, en daarom door mezelf zo moeilijk te doorgronden. De dichter van psalm 139 bidt niet voor niets: Doorgrond Gij mij, en zie of er een schadelijke weg bij mij is.
Toch meen ik in het licht hiervan te mogen zeggen, dat mijn boek niet uit een persoonlijke teleurstelling is voortgekomen. Wel uit een teleurstelling, namelijk o.a. deze, dat de gereformeerde prediking zo weinig, ja steeds minder, wervingskracht blijkt te hebben in onze wereld. Daar draag ik leed over. O.a. omdat ik zelf ook een prediker ben.
Maar verder nadenkend over dat verwijt van negatief-zijn en eenzijdig kritisch-zijn, mag ik toch wel in bescheidenheid daartegenover plaatsen, dat ik het tweede en grootste deel van mijn boek besteed heb aan de vraag of er een weg tot vernieuwing is. Ook heb ik daarin geprobeerd wat stippellijnen te tekenen. Mijn boek is toch niet een en al kritiek. Dat oordeel lijkt me niet terecht.
Niet een gereformeerde spiritualiteit maar alleen de Geest overwint de duisternis
Maar met het bovenstaande verbindt zich een ander bezwaar, dat juist pal daartegenover staat. Men meent namelijk, dat ik het laat voorkomen alsof een andere of veranderde gereformeerde spiritualiteit de weg tot verniewing zal banen. Men plaatst er dan tegenover: nee, zo is het niet, maar alleen de Geest kan die vernieuwing brengen. Niet een gereformeerde spiritualiteit, welke dan ook, maar de Geest alleen doet dit.
Nu kan het zijn, dat ik de indruk heb gegeven te denken, dat als je nu maar een vernieuwde gereformeerde spiritualiteit gaat aanhangen, we dan uit de impasse van de (gereformeerde) Godsverduistering zijn. Als ik die indruk heb gewekt, is het nodig om nu te zeggen, dat dit mijn bedoeling geenszins is geweest. Misschien mag ik me daarvoor beroepen op het feit, dat ik ook menige bladzijde van mijn boek gevuld heb met een beschrijving van het werk en de gaven van de Geest (zie boven). Ik mag zeggen, dat de Heere me heeft doen zien, niet voor een keer, maar telkens opnieuw, met name als ik gereed sta om Zijn Woord te verkondigen, dat de indaling van de Geest beslissend is. Onze verwachting is van Hem, ja van Hem alleen.
Dat gaat gepaard met de overtuiging, dat als de Geest er niet in is, dan kunnen wij schrijven en praten en theologiseren zoveel als we kunnen, maar dan blijft de dood in de pot. Dan zal het niets uithalen.
Maar dit is geen excuus voor onze zelfvoldaanheid
Er is echter ook aan deze zaak weer een keerzijde. Dat is de m.i. bijbelse keerzijde, dat de Geest middellijk werkt. Dat besef heeft mij ertoe gebracht om dat middel, dat wij de Geest met onze prediking en onze spiritualiteit a.h.w. ter hand te stellen, te toetsen op zijn bijbelse bruikbaarheid.
Naar mijn overtuiging heeft de Geest zo ook in de Reformatie gewerkt. Zij was een echte opwekking, maar ze ging wel gepaard met een machtige toetsing van de traditie van de kerk. Die toetsing bracht tot inhoudelijke bijbelse vernieuwing. Daarmee wil ik in de eerste plaats aangeven, dat als wij menen, dat ook nu die inhoudelijke, bijbelse toetsing van de traditie dient plaats te vinden, dit niet gezien moet worden als een alternatief buiten de Geest om. Juist niet. Het gaat erom, dat we de door onszelf opgeworpen blokkades in gehoorzaamheid aan het Woord en geleid door de Geest zullen slechten, opdat het Woord des Geestes opnieuw zijn loop hebbe, onder ons en in deze wereld.
We mogen niet de Geest de schuld geven
In de tweede plaats geeft dit aan, dat ik in de opmerkingen, die hierop neerkomen, dat wij de prediking enz. rustig kunnen laten blijven zoals ze nu is, maar dat we alleen de Geest nodig hebben om ze weer vernieuwende kracht te verlenen, als te oppervlakkig afwijs. Voor mijn besef komt dit hierop neer, dat men over de feitelijke toestand tevreden is, maar dat het kennelijk alleen de Geest is, die het laat afweten. Dan zou het dus niet aan ons, gereformeerden, liggen maar aan de Geest. Die gedachte wijs ik af. Zelf meen ik, dat het tegenovergestelde waar is. De Geest wil wel komen en vernieuwing brengen, maar wij staan hem deerlijk in de weg. Wij bedroeven de Geest, en daarom trekt Hij zich terug. Dus is er bekering nodig, maar dan wel inhoudelijk en concreet, ook een bekering van onze prediking en spiritualiteit. Dat heeft me dus tot de vraagstelling gebracht zoals ik die in mijn boek aan de orde heb gesteld.
Wij zien uit naar de Geest
Nu nogmaals op die vraag terugkomend: hoe wordt de weg tot vernieuwing nu daadwerkelijk gerealiseerd? Dan besef ik, dat wij wel vanuit het verstaan van de Schrift en ook van de traditie (ik denk aan de vele opwekkingen in het verleden) een weg kunnen tekenen, hoe dit moet en gaat. Maar we kunnen het daadwerkelijk betreden van die weg niet realiseren. Dat kan en doet de Geest alleen. Daarom, ik schrijf dit in de week vóór Pinksteren, is ons dringend gebed: Kom Geest, doorwaai uw hof.
Tenslotte: mijn excuus voor de te lange artikelen. Ik hoop, dat zij niet lang-dradig zijn.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 5 september 1991
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 5 september 1991
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's