De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

De oefening van het gebed

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

De oefening van het gebed

7 minuten leestijd

Onder de stukken van de wapenrusting Gods, die wij niet kunnen missen om in de boze dag staande te blijven, noemt Paulus ook het gebed. Wij zouden in deze gedachtengang het gebed tot de genademiddelen kunnen rekenen. Lang niet alle dogmatieken ruimen voor het gebed een plaats in. Calvijn doet het in zijn Institutie zeer bepaald wel. En in navolging van deze grote voorloper hebben andere theologen hem gevolgd. Het gebed toch is naar Schrift en ervaring alom leren de grote voorwaarde, waaraan God zelf het genot van alle, met name van alle geestelijke zegen verbonden heeft. Het is niet meer dan natuurlijk, dat het doorgaans in de Belijdenisschriften der Nederlandse Hervormde Kerk met warme ingenomenheid als middel des heils wordt vermeld. Het gebed heeft een diepe zin. In beginsel worden daardoor terstond de twee grootste hinderpalen van alle waarachtig geestelijk leven bestreden. Dat zijn in de eerste plaats het hoogmoedig zelfvertrouwen en voorts de trage lijdelijkheid. Staan wij in een sfeer van praktisch pelagianisme, hebben wij voortdurend te maken met een onuitblusselijke zucht om het van ons werken te verwachten – zie, dan moet het accent sterker dan ooit vallen op het gebed. Dwalen wij daarentegen af in de schemering van de gedachten, dat een mens van zichzelf ten enenmale passief is, zie, dan moet meer dan ooit gewezen worden op het onafscheidelijk verband van genade en genademiddel.


Ons geestelijk leven wordt naar letterlijk alle kanten door het gebed verrijkt en verdiept. Op de knieën leren wij in de bangste noden en het zwaarste leed na veel strijd eenswillend met de Here onze God te zijn. Wie geen vreemdeling in de gemeente is, bemerkt herhaaldelijk dat in de stilte van de binnenkamer de overwinning wordt bevochten. Het gebed bekwaamt ons met vastberaden moed het zware leed te dragen. Wanneer het ons eenmaal duidelijk geworden is, dat de doorn in het vlees niet uitgetrokken kan worden, dan weten wij klaar en helder, dat 's Heeren kracht in onze zwakheid volbracht wordt en zijn genade ons genoeg is. Het gebed richt ons op in de diepste rouw, het gebed is onze steun in grote eenzaamheid. Het maakt ons geduldig in tegenspoed, dankbaar in voorspoed, vertrouwend met het oog op de toekomst. En – wanneer de harten en de zinnen opspelen tegen de wil des Heeren, dan is het juist het gebed, dat ons heer en meester maakt over onze hartstochten. Het voert tot stille vrede Gods in Christus, wekt zelfs de liefde tot de vijanden in ons op en doet ons zegenen wie ons vloeken.


Wij zouden dat kunnen noemen de heiligende kracht van het gebed. Het schijnt, dat wij nooit zwakker, hulpelozer, machtelozer zijn dan wanneer wij met werkeloze gevouwen handen voor het aangezicht des Heeren staan. Maar juist in die momenten van volmaakte afhankelijkheid, waarin wij reeds door onze onderworpen houding bewijzen niets uit onszelf te kunnen ofte weten, arbeiden wij het krachtigst aan onze zelfopvoeding. Gods Geest werkt in ons beide het willen en het volbrengen. Ongetwijfeld hebben wij het daarvoor te houden, dat dan aan het gebed niet alleen een psychologische, maar ook een metaphysische werking moet toegekend worden. Met andere woorden, dat wij al biddende niet slechts onszelf sterken ten goede, maar dat God zelf, naar zijn beloften, op en door het gebed onze goede gaven, vooral die van de Heilige Geest vereert.


Er werkt in ons van binnen kracht uit door het gebed. Dat wordt vermoedelijk het meest openbaar, wanneer het bidden zich bij ons uitstrekt tot de praktijk van de aanbidding. Wij worden rijper naar onze inwendige mens, niet enkel, wanneer wij voor Gods aangezicht met ons persoonlijk leven en onze persoonlijke belangen bezig zijn. Er gaat van de oefening van het gebed nog groter werking uit, als wij onszelf op de achtergrond weten te schuiven en in ons bidden meer aan anderen denken. De zelfzucht komt maar al te gemakkelijk ons gebedsleven binnendringen en het ontwijden. De zuivere lucht van de gebedsgemeenschap met God wordt dan besmeurd, er dringen aardse dampen in. Wij staan dan voor Gods aangezicht alsof wij eigenlijk alleen op aarde waren en alleen zijn genade en hulp behoefden. Het is bijna niet te voorkomen, dat bij een zodanig gebedsleven het egocentrisch element gaat overheersen. De teerheid van het gebed vervaagt dan onmiddelijk.


Neen, hebben wij breder vlucht in ons gebed, er groeit ook groter kracht in de gemeenschap met de Heere. Denkt u maar eens eenvoudig met ons mee. U bidt voor uw gezin, alle leden jong en oud. met de meest onderscheiden behoeften. U brengt de nood van de kerk voor Gods aangezicht de klimmende ellende van ons volk in zedelijk opzicht. Het gaat u aan het hart wanneer u ziet, dat gehele bevolkingslagen van de Heere vervreemden. U ziet hoe het wetenschappelijk leven in school en universiteit onder de kille adem van het berekenend verstand komt. En dan gaat u voort met breder wiekslag.
De mensheid als geheel komt voor uw blik. De overheid van het land en van het gewest. Nauw kennisnemen van het publieke leven reikt als vanzelfde stof aan. Wanneer wij blind daarheen leven, bemerken wij nooit of te nimmer iets dat wij de Heere voordragen zullen. Maar gaan wij nadenkend onze levensweg aan de hand van het Woord – dan pas zien wij beter dan ooit de wereldbevolking op het doolpad, vervreemd van God. De wereldzending komt ons op het hart te liggen, de inwendige zending, het leven van onze familie en het leven van onze buren. Wie beseft dan niet, dat, waar ons gebed er zovelen omvat, ons hart ruim en wijd moet worden, dat zijn ca­paciteit noodzakelijk groter zal worden en wij innerlijk zo groeien, dat wij eigenlijk helemaal niet aan onszelf denken. Het kan dan ook niet uitblijven dat wij soms iemand ontmoeten, van wie wij opeens bemerken dat hij in grote nood verkeert. Soms, terwijl wij in gesprek zijn, gaat een schietgebed voor deze persoon omhoog. De actieradius van ons gebed wordt op die manier wereldwijd, terwijl het aan de andere kant allerminst abstract is. Wij ontvangen een antenne voor velerlei nood, waaraan menigeen domweg voorbijholt. Maar worden wij op de school van het gebed leerlingen van de Heilige Geest, u verzucht soms een gebed van een voorbijganger op straat, uit wiens blik een grote nood te lezen is. Voor een kind of voor een student. Wij naderen hier tot de diepe betekenis van het bidden zonder ophouden. De ceremoniële christen heeft van deze dingen helemaal geen verstand. De geestelijke mens begint er iets van te beseffen. De geestelijke mens heeft een geestelijke intuïtie. Hij gaat van buiten naar binnen. Hij weet uit een geheel van aanwijzigingen te gissen, wat de voorbijgaande of blijvende stemmingen zijn, wat de emoties, de bedoelingen van de mensen met wie wij te doen hebben. Wij kunnen werelden opmerken uit de stembuiging; de gebaren, de blik, de houding van iemand die wij ontmoeten.


Het spreekt geheel vanzelf, dat die voorbidding in zulk een uitgebreide zin niet van kinderen is te verwachten. Er is ook in de gebedsoefening een geleidelijke opklimming, want wij bidden óók met het verstand, al heeft het hart er het grootste aandeel in en het verstand ontwikkelt zich pas met de jaren. Voor alle gelovigen moet de tijd evenwel aanbreken, waarop zij boven zichzelf uitkomen, wij denken in dit verband aan het gebed van Abraham voor de vervloekte steden in de vlakte van Siddium, waarin ook zijn neef Lot woonde.
De aartsvader worstelde met God om het behoud van die steden te verkrijgen.
Eenzelfde breedte vertoont het gebed van Paulus, onder andere in de brief aan Efeze. De breedte gaat daar vanzelf in de diepte over, terwijl de apostel ook een helder zicht heeft op de strijd in het gebed. Wij kunnen daaruit leren, dat dit bidden en voorbidden allerminst is aangeboren. Genade kan ons er alleen toe bekwamen.
Uitwendige dwang baat hier niet en is zelfs schadelijk. Aanrading leert ons evenmin de knieën oprecht voor de Heere te buigen. Wij leren dat eerst ten volle, wanneer de Geest van Christus in ons woont. Door die Geest leren wij ook te bidden en voor te bidden in Zijn Naam. Bij dat bidden moet, naar de kracht van de uitdrukking, de naam van Jezus als de sfeer, het middelpunt, het levenselement worden aangezien, waarin de biddende ademt.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 5 september 1991

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

De oefening van het gebed

Bekijk de hele uitgave van donderdag 5 september 1991

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's