Mijn naam geroepen
'Johannes, ik doop u in de Naam des Vaders en des Zoons en des Heiligen Geestes.' Dit zijn bekende woorden, die we nauwelijks horen als ze door de dominee worden uitgesproken. De doopplechtigheid is voorbij, de preek wordt gehouden. Johannes gaat voortaan als gedoopte door het leven.
Als kleine kinderen werden we de kerk binnengedragen en hebben we het sacrament van de heilige doop ontvangen. Wat betekent dat?
Is het een mooie plechtigheid geweest, waaraan moeder misschien de doopjurk zorgvuldig als herinnering bewaart?
De doop hoort er nu eenmaal bij.
Aan het begin
'Wij bidden U ook, door Hem, Uw lieve Zoon, dat Gij dit kind met Uw Heilige Geest altijd wilt regeren, opdat het christelijk en godzalig opgevoed worde, en in de Heere Jezus Christus wasse en toeneme, opdat het Uw Vaderlijke goedheid en barmhartigheid die Gij dit kind en ons allen bewezen hebt, moge bekennen...' Deze woorden hebben geklonken over het hoofd van onze kinderen en zijn eveneens voor hen gebeden, nadat ze als klein kind aan het begin van hun leven het teken van de heilige doop hebben ontvangen.
Het zijn de woorden uit het dankgebed, waarmee de doop in het midden van de gemeente wordt afgesloten. De dienaar van het Woord — en in hem de gehele gemeente — heeft in het gebed na de doop aan de Heere gevraagd of het in ons leven mag komen tot de erkenning, tot de belijdenis van Gods Vaderlijke goedheid en barmhartigheid.
Hieruit kunnen we opmaken, dat de doop en het doen van belijdenis met elkaar verbonden behoren te zijn.
De kinderen van de gemeente zijn door de doop afgezonderd. Zoals de Heere Jezus de kinderen in Zijn armen nam om hen te zegenen, zo doet Hij dat ook in de doop, waardoor Zijn beloften hun worden toegezegd.
Toen onze kinderen nog nergens naar vroegen, vroeg de Heere al naar hen. Hebben onze kinderen de waarde ervan al ontdekt of zijn ze dit vergeten?
De betekenis ervan
Staan we wel voldoende stil bij de betekenis en de waarde van de doop van onze kinderen? Het sacrament van de heilige doop heeft de waarde van een eed.
Bij de installatie van Romeinse officieren werd er een sacramentum (een krijgseed) afgelegd.
Zo zegt de Heere bij de doop: Zo zeker als het water de vuilheid van het lichaam afwast, zo zeker is het dat het bloed van Jezus Christus de onreinheid van onze ziel afwast.
We werden geboren op het erf van het verbond. Een bijzonder voorrecht!
Door de doop werden we apart gezet. De Heere zegt als het ware in de doop: Ik schrijf op je voorhoofd dat er bij Mij genade is, zelfs voor de grootste van de zondaren, want het bloed van Mijn Zoon reinigt van alle zonden.
We weten, dat de doop niet zaligmakend is. De doop is de afwassing van de zonden niet, maar wijst heen, is een teken en zegel. De beloften van het Verbond worden erdoor betekend en verzegeld.
Het is een groot voorrecht om gedoopt te zijn, maar om zalig te worden hebben we wedergeboorte, bekering en geloof nodig.
De kinderdoop
Vanwege de missioinaire situatie waarin de kerk in de apostolische eeuw verkeerde, lag de nadruk op de volwassenendoop. In de eerste twee eeuwen bleef deze situatie ongewijzigd. De openbare belijdenis vond plaats voor de bediening van de doop, omdat er veel heidenen tot de kerk toetraden.
In de christelijke gezinnen werd de kinderdoop toegepast. Toch moesten de kinderen van de gelovigen dezelfde weg volgen als de volwassen doopkandidaten. Daarom zouden ze eerst onderwezen moeten worden, belijdenis van het geloof moeten afleggen en pas daarna gedoopt moeten worden. Maar omdat ze in hun ouders tot het verbond der genade behoorden, werden ze als zuigeling gedoopt.
Omdat de kinderen hun geloof nog niet konden belijden, legden de ouders en de doopgetuigen (peters en meters) in hun plaats de geloofsbelijdenis af. Daarin beloofden ze hun kind in de christelijke leer te zullen onderwijzen.
De kinderen van christenouders werden helemaal op één lijn gesteld met de catechumenen uit de heidenen.
Ze werden op grond van een geloofsbelijdenis — door hun ouders afgelegd — gedoopt. Daardoor werden ze leden van de christelijke kerk en hadden daarmee ook toegang tot het sacrament van het heilig avondmaal. Men ging er zelfs toe over om zuigelingen deel te laten nemen aan het avondmaal, doordat de priester zijn vinger eerst in de wijn stak en daarna in de mond van het kind. Later moesten kinderen eerst op jeugdige leeftijd geloofsbelijdenis afleggen om voorbereid te worden op de ontvangst van het avondmaal. Dit groeide in de Middeleeuwen uit tot het roomse vormsel.
De Reformatie bracht hierin verandering.
De doop is het teken en zegel van het verbond der genade, waarin de kinderen en hun ouders begrepen zijn. Het avondmaal is door Christus ingesteld tot versterking van het geloof. Calvijn geeft aan, dat diegenen tot het avondmaal mogen komen, die in staat zijn het lichaam en bloed des Heeren te onderscheiden, hun eigen geweten te onderzoeken, en de dood des Heeren te verkondigen en de kracht daarvan te overwegen.
De reformatoren vinden dat kinderen niet tot het avondmaal mogen komen, omdat ze zichzelf niet kunnen beproeven.
Gedoopte kinderen moeten eerst hun geloof belijden in het midden van de gemeente, voordat ze tot het avondmaal mogen komen.
Jonge mensen moeten rekenschap afleggen van hun geloof, voordat ze als mondig lid in alle voorrechten en plichten van de kerk kunnen delen.
Calvijn vond dat gedoopten onderwezen moeten worden in de christelijke leer om de zuiverheid van de leer te bewaren en de gedoopten tot openlijke aanvaarding van hun doop te brengen.
Men moest — volgens Calvijn — weten wat men geloofde en uitspreken dat men geloofde!
Bezig zijn met onze doop
Onze doop is een Goddelijk zegel van de afwassing van onze zonden. Het water van de doop geeft aan, dat er geen zondaar te onrein of te vuil is.
Dezelfde doop geeft ook een grote verantwoordelijkheid. We zijn met onze kinderen door de doop apart gezet.
Wat betekent de doop voor ons? Heeft de doop ons al bij God gebracht? Als dat waar is, weten we met Luther: 'Ik lig wel verloren in zonde en schuld, maar er is een God, Die de Eerste in mijn leven is geweest en Die gezegd heeft: Al wat u ontbreekt, schenk Ik zo gij het smeekt, mild en overvloedig'.
We moeten dagelijks bidden om Gods zegeningen te mogen zien en te leren waarderen als verbondsweldaden. Dan zullen de rechten en de plichten van het gedoopt-zijn ons werkzaam maken om eerst het Koninkrijk van God en Zijn gerechtigheid te zoeken.
Onze God heeft geen lust in onze dood, maar daarin, dat we ons bekeren en leven. Dat staat op ons voorhoofd. Het water van de doop droogt immers nooit op!
We mogen onze kinderen leren bidden:
'Heere, hier staat Uw Naam op mijn zondige voorhoofd. U hebt hier Zelf geschreven, dat U ook mij van al mijn zonden wilt reinigen. Dat heb ik niet aan mezelf te danken, want toen U dat schreef, wist ik nog niets van U af. U hebt me toen reeds bij m 'n naam geroepen en daardoor ben ik Uw eigendom. Wilt U mij nu uit genade schenken, wat U toen beloofd hebt?'
We mogen met onze kinderen toetreden tot de Middelaar van het verbond, de Heere Jezus Christus. Hij heeft de prijs betaald voor verloren zondaren. Dat is een genaderecht, dat Hij heeft verdiend voor jong en oud.
Is het niet de moeite waard om hiermee dagelijks bezig te zijn?
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 19 september 1991
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 19 september 1991
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's