Zielestrijd aan de VU
Met de publicatie van De VU na Kuyper, heeft dr. J. Stellingwerff zijn tweeluik over de geschiedenis van de VU voltooid. Het eerste deel, getiteld Kuyper en de VU, verscheen in 1987, het jaar van de Kuyperherdenking. Was het laatstgenoemde een nogal bitter en scherp gestelde beoordeling, op sommige punten zelfs een ontluistering van Kuypers werk, het tweede deel is milder van toon. Al worden ook hier de nodige heilige huisjes omvergeschopt. Vooral de theologen worden daarvan de dupe. Maar ondertussen komen er wel hoogst belangrijke zaken aan bod, die in hun betekenis veel verder reiken dan de beschreven VU-periode tussen 1905 en 1955. In het vervolg zal dat nog blijken.
Men kan zich afvragen, waarom het jaartal 1955 als eindpunt gekozen is. Had het niet meer voor de hand gelegen om bijvoorbeeld tot 1980, het eeuwfeest, door te gaan? Alleen aan het slot maakt de auteur enige terloopse opmerkingen over de meest recente periode. De enige inhoudelijke verantwoording, die Stellingwerff biedt, bestaat in een verwijzing naar de nieuwe tijdgeest die zich halverwege de jaren vijftig begon baan te breken aan de VU. De auteur typeert haar als het afscheid van de theologie van Kuyper (p. 12, 405). De periode 1905 tot 1955 wil hij vooral opvatten als 'een tijd waarin om de erfenis van' Kuyper werd gestreden.'
Geloof en wetenschap
Wanneer men de geschiedenis van een christelijke universiteit schrijft, ligt het voor de hand het zwaartepunt te kiezen in de verhouding tussen geloof en wetenschap. Zo niet Stellingwerff. Verrassend genoeg kiest hij als centrale vraagstelling de verhouding tussen lichaam en ziel. Dit blijkt een bij uitstek interfacultair thema te zijn: aan de VU ontspon zich in de beschreven periode een heftig conflict tussen filosofen en theologen, maar ook de psychologie, de pedagogiek (Waterink!), de psychiatrie en later ook de biologie wierpen stenen in een al veelzins troebele vijver. In meer sociologisch perspectief ging het tegelijk om een soort machtsstrijd, nl. 'de strijd om de geestelijke leiding tussen theologie en wijsbegeerte aan de VU' (p. 8).
Hoewel Stellingwerff allereerst een episode uit de roemrijke VU-geschiedenis beschrijft, is ze, gelet op het voorafgaande, tegelijk op te vatten als een geschiedenis van de calvinistische wijsbegeerte (p. 8). In de jaren '30 door de hoogleraren Dooyeweerd en Vollenhoven ontwikkeld, wierp ze niet alleen een verrassend en sprankelend licht op de (geschiedenis van de) gangbare wijsbegeerte, maar ontwikkelde ze ook een eigen systematische visie op de grondstructuren van de schepping. Hierbinnen werden geloven en denken op een unieke, innerlijke manier met elkaar verbonden. Ook kwam het tot een geheel nieuwe mensbeschouwing.
Dooyeweerd en Vollenhoven presenteerden zich, samen met Schilder, als vernieuwers van de wat gezapige, verburgerlijkte en ingeslapen gereformeerde wereld van het Interbellum. Vooral vanuit de theologische faculteit rees al snel verzet, aangevoerd door de hoogleraren H.H. Kuyper en V. Hepp. Zij zagen het als hun levenstaak de Kuyperiaanse erfenis op alle fronten te verdedigen tegen deze 'dreigende deformatie'. Stellingwerff schetst hen als behoudzuchtige, scholastieke theologen, wat ze inderdaad waren.
Ergens merkt Stellingwerff op, dat hij de zaken zoveel mogelijk vanuit het perspectief van Vollenhoven beschrijft (p. 221). Hoewel mijn sympathie ook duidelijk bij Dooyeweerd en Vollenhoven ligt, denk ik dat Stellingwerff als geschiedschrijver kwetsbaar is voor het verwijt van partijdigheid en gemis aan objectiviteit. Hetzelfde zou men ook kunnen zeggen t.a.v. de positie van de bioloog dr. J. Lever. Stellingwerff geeft terecht uitvoerig aandacht aan het debat tussen Dooyeweerd en Lever n.a.v. diens boek Creatie en Evolutie uit 1958. Maar hoe geloofwaardig komt de weergave en interpretatie daarvan over wanneer men in het voorwoord leest, dat Lever zelf in de begeleidingscommissie van onderhavig boek heeft gezeten?
Gegeven de keus van het lichaam-ziel probleem als ingang, ligt ook een volgende keus voor de hand. Stellingwerff legt het accent op de verhouding tussen de VU en de Gereformeerde Kerken in de periode 1936 tot 1944, zeg maar de aanloop naar de Vrijmaking. In de geschiedschrijving van de VU is dat altijd onderbelicht gebleven. Uit de vele verwikkelingen, polemieken en conflicten komt duidelijk naar voren, dat de VU heel wat minder souverein in eigen kring was dan ze vanaf haar oprichting pretendeerde! De vele personele unies ('dubbele petten') hielden de verschillende levenssferen, kerk en universiteit voorop, stevig bijeen.
Zo hadden bijkans alle VU-hoogleraren uit de theologische faculteit als pre-adviseur van de Gereformeerde Synode een onevenredig grote invloed. Ze konden zodoende hun bezwaren tegen de nieuwe mensbeschouwing van Dooyeweerd en Vollenhoven zowel bij de curatoren van de VU als ook kerkrechtelijk aanhangig maken. Ondertussen lanceert Stellingwerff een interessante historische stelling, te weten dat de kwestie Schilder in de Gereformeerde Kerken vanaf 1940 heeft gediend als bliksemafleider voor Dooyeweerd en Vollenhoven. Zij bleven gevrijwaard van verdere achtervolging door de synode. Bovendien werkte de tijd in het voordeel van hun opvattingen: de oude generatie Kuyperepigonen stond op het punt het tijdelijke voor het eeuwige te verwisselen.
Zoals gezegd presenteert de auteur zijn boek niet alleen als een interfacultaire geestesgeschiedenis van de VU, maar ook als het ontstaan en de ontwikkelingsgang van de calvinistische wijsbegeerte. Hierbij doelt de aanduiding 'calvinistisch' niet in de eerste plaats op de 16e eeuwse Reformatie, maar op de roeping tot innerlijke reformatie van de (gangbare) wijsbegeerte en in het verlengde daarvan de vakwetenschappen.
Dubbel front
De reformatorische wijsbegeerte heeft altijd op een dubbel front gestreden: enerzijds tegen het moderne, geseculariseerde denken van na de Verlichting, anderzijds tegen het klassieke scholastieke denkpatroon (onder andere gekenmerkt door een overschatting van de theologische rede) zoals zich dat in rooms-katholieke maar ook in orthodox gereformeerde kring toonde en toont. Hierbij ging men op beide fronten uit van ten minste drie grondovertuigingen: (1) de afwijzing van de idee dat ook maar iets van de schepping zelfgenoegzaam of autonoom zou zijn; (2) de afwijzing van de autonomie van het menselijk denken; (3) de consequente afwijzing van iedere vorm van vermenging ('synthese') van het christelijk en het niet-christelijk denken. Positief gesteld gaat het hier telkens om een volmondige en radicale erkenning van Gods souvereiniteit over al het geschapene.
Binnen de hierboven geschetste context van de VU leidde vooral de principiële kritiek van Dooyeweerd en Vollenhoven op de scholastieke inslag van de gereformeerde theologie (Kuyper niet uitgezonderd) tot grote spanningen. Ze spitste zich toe op het probleem van de status van de menselijke ziel. Tegen een eeuwenlange traditie in bestreed de reformatorische wijsbegeerte de gedachte van de ziel als een onsterfelijke, onvernietigbare substantie.
Dit is een grieks-filosofische gedachte, geïmporteerd in de christelijke theologie, maar geenszins een bijbelse overtuiging. In de Heilige Schrift wordt alleen van God gezegd dat Hij onsterfelijk is (1 Tim. 6 : 16). Dat nu was tegen het zere been van de VU-theologen, de dogmaticus Hepp voorop. Het klassieke dichotome mensbeeld, met lichaam en ziel als afzonderlijke substanties, werd hardhandig neergehaald. Van groot belang is hierbij op te merken dat voor Dooyeweerd en Vollenhoven, die niet zonder worsteling tot dit inzicht kwamen, het voortbestaan van de mens na de dood geenszins ter discussie stond. Zij wilden de gemeente geenszins de troost van het eeuwige leven ontnemen, zoals in de hedendaagse moderne theologie. Alleen over de wijze waarop de mens na de dood voortbestaat, kan eigenlijk niets gezegd worden. Dat is een diep geheim, waarover ook de Bijbel zelf in verschillende bewoordingen spreekt. Prof. G.C. van Niftrik onderscheidt in zijn prachtige boek Waar zijn onze doden? wel zo'n tien verschillende antwoorden.
Onsterfelijke ziel
In ieder geval kantten Vollenhoven en Dooyeweerd zich tegen de grieks-aristotelische opvatting van de onsterfelijke ziel. Hieraan moet worden toegevoegd dat de onsterfelijkheid voor Aristoteles (en voor heel de scholastieke traditie) uitsluitend toekwam aan het rationele deel van de ziel. Men beleed m.a.w. via een omweg dus eigenlijk de onsterfelijkheid van de rede! Men zou het verschil tussen de Griekse en de christelijke opvatting over het leven na de dood aldus, kunnen samenvatten: christenen geloven niet in de onsterfelijkheid van de ziel, maar in de opstanding der doden.
Natuurlijk hebben ook Dooyeweerd en Vollenhoven niet het laatste, beslissende woord over deze complexe en delicate kwestie gesproken. Stellingwerff laat terecht zien, dat hun eigen mensbeschouwing een onvoltooide torso is gebleven. Men kan zijn historische schets over haar lotgevallen beschouwen als een 'toeleidende weg' naar de grondige dissertatie van Ouweneel over Dooyeweerds leer van de mens.
Meer in het algemeen hebben Dooyeweerd en Vollenhoven met hun bestrijding van de scholastiek in het christelijk (theologisch en filosofisch) denken gewezen op de noodzaak van een radicaalkritisch zelfonderzoek van de theologie, zoals m.n. Dooyeweerd dat zelf voor de filosofie heeft gedaan. Maar al te gemakkelijk spelen theologen in hun wijsgerige naïveteit leentjebuur bij niet-christelijk gedachtengoed. Principieel gezien maakt het dan niet uit of men aansluit bij het Griekse denken, dan wel, zoals tegenwoordig schering en inslag is, voor anker gaat bij moderne stromingen.
Van belang is dat de theologie zich rekenschap geeft van haar (onvermijdelijke) filosofische vooronderstellingen en dat ze vervolgens bereid is te kiezen voor een integraal christelijk-filosofisch fundament. Jammer dat de theologen aan de VU destijds deze handschoen niet hebben opgepikt. Dubbel jammer dat ook vandaag nog de meeste reformatorische theologen de reformatorische wijsbegeerte links laten liggen. Inderdaad, het kost behoorlijk veel intellectuele inspanning om zich het gedachtengoed ervan toe te eigenen, maar m.i. verdient zo'n investering zich in de theologie en trouwens ook in de kerk zelf ruimschoots terug. Prof. A. Troost, zelf een leerling van Dooyeweerd, zei eens tegen mij dat de repeterende kerkbreuk in de gereformeerde gezindte goeddeels is terug te voeren op de scholastieke splitingszucht in de theologie. Men stapelt al redenerend speculatieve onderscheiding op speculatieve onderscheiding.
Mystiek
Stellingwerff is in verschillende passages van zijn boek uiterst kritisch t.a.v. de mystiek. Hij ziet daarin een vergoddelijking van de ziel, een versmelting van God en de ziel. Op de achtergrond ontwaart hij de doorwerking van de gnostiek (die leert dat er in de menselijke ziel een goddelijke vonk aanwezig is, waardoor een onmiddellijk contact met de goden c.q. God in beginsel mogelijk is). Hoewel dat in New Age-achtige stromingen zeker valt op te merken, scheert hij naar mijn mening uitingen van mystiek, bevinding en spiritualiteit tezeer over één kam. De auteur miskent bovendien de oprechte hunkering van veel christenen naar geloofservaring in deze tijd van Godsverduistering.
Wel denk ik dat we zijn waarschuwing ter harte moeten nemen, dat er in veel mystieke stromingen geen rekening wordt gehouden met de principiële grens tussen God en het geschapene (i.c. de mens). De geloofservaaring blijft m.i. altijd een creatuurlijke ervaring, aanknopend bij het schepselmatig vermogen van de mens tot geloven. In dat opzicht lijkt mij er geen ruimte te zijn voor allerhande vormen van extase, waarbij de mens 'buiten zichzelf' treedt en zijn ziel zich verenigt met God. Voorts denk ik dat Stellingwerff terecht waarschuwt tegen het gevaar van subjectivisme, d.w.z. dat het geloof opgaat in mystiek gekleurde gevoelens. Dat is de grote verleiding van het piëtisme.
De auteur blijkt aan het slot van zijn boek duidelijk niet gelukkig met de ontwikkeling, die de VU vanaf de jaren '60 heeft gekend. Als hoofdbibliothecaris heeft hij dat van nabij meegemaakt. Hij aarzelt dan ook niet harde, maar m.i. terechte conclusies te trekken over de geestelijke ontwikkeling van de VU. Zo schrijft hij: 'De oorspronkelijke bestrijding van de synthese is op aanvaarding ervan uitgelopen. Het specifieke van de VU wordt niet langer met de volle inzet van ieder bevorderd en de gelijkschakeling met de openbare universiteiten wordt niet beleidsmatig tegengegaan. Het ontbreekt aan perspektief om op de oude weg voort te gaan' (p. 408). Deze uitspraak is temeer opmerkelijk, daar het boek blijkens het voorwoord geschreven is in opdracht van het College van Bestuur. Dat tekent hiermee kennelijk zijn eigen doodvonnis! Een zichzelf respecterend bestuur zou dat m.i. niet op zich kunnen laten zitten.
Uit de bocht
Aan het slot van het boek vliegt de auteur helaas op een merkwaardige wijze uit de bocht. Dan blijkt de geest van de synthese met de moderne theologie toch ook op hem vat te hebben gekregen. En dat op een verbijsterende wijze. Ik geef de cruciale citaten:
'Toch erkennen we de realiteit, de omvang en de diepgang, de radicaliteit van de zonde en de schuld van de mens, zeker na de Tweede Wereldoorlog. Maar die realiteit is dan niet geworteld in één te dateren gebeurtenis. In het boek Genesis gaat het dan om het lied van de schepping en het verhaal van de zondeval, niet om de openbaring ervan door middel van concrete historische gebeurtenissen volgens die bijbeltekst. Deze constatering heeft grote gevolgen. De schrijvers van het Nieuwe Testament en ook Jezus zelf moeten dus ten onrechte Genesis als geschiedenis hebben opgevat. Ze waren daarin kinderen van hun tijd, dus gewone mensen zonder een specifiek openbaringsinzicht dat voor ons gelding heeft. Daarmee komt de gereformeerde inspiratieleer in de lucht te hangen. Ook het fundament voor de gereformeerde dogmatiek zakt daarmee in. (...) Welk religieus perspectief blijft dan over voor de mens? Met alle gegevens van de geschiedenis, de wetenschap en het dagelijks nieuws blijft het grondmotief in nieuw gewaad overeind. De bedreigde schepping, de realiteit van de zondige mens en mensheid, het verlangen naar verlossing, (...) blijven centrale motieven van de relilgie voor alle mensen. (...) De openbaring, ook in ons eigen leven, is echter niet als een Heilige Schrift ons in handen gegeven. We zullen die openbaring in de schepping en geschiedenis moeten ontdekken, (...)' (pags. 409-410, cursivering door mij, AZ).
Men moet maar durven: heel de Schrift als bijzondere Godsopenbaring overboord gekieperd als ballast dat niet meer past in het wetenschappelijk wereldbeeld. Dit is in volstrekte tegenspraak met de diepste intenties van de reformatorische wijsbegeerte, ja wat belangrijker is: met de kern van het Evangelie zelf.
N.a.v. Dr. J. Stellingwerff: De VU na Kuyper. De Vrije universiteit van 1905 tot 1955, een halve eeuw geestesgeschiedenis van een civitas academica, Kampen: Kok, 1990, 450 pag., ƒ 49,–.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 19 september 1991
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 19 september 1991
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's