Geestelijke verlating of een zieke ziel? (1)
Depressiviteit in de gemeente
Droevig en naar
Ze keek me met een klare blik in de ogen aan en zei: 'Ik heb een tijd in mijn leven gekend, dat er geen contact was tussen God en mijn ziel. Ik bad wel gedurig, maar er was geen antwoord van Boven. Ik was alleen op de wereld. Ik miste Gods nabijheid zo. En dat heeft wel tien jaren geduurd. Maar toen op een morgen was Hij er ineens weer. Heere, bent U er weer, zei ik. Ja, sprak Hij, Ik zal u niet begeven en u niet verlaten'.
Ze was een vrouw die een zeer nabij leven kende. Ze wist zich gered door Gods ontfermende genade in Christus, toen de hierboven beschreven tijd in haar geestelijk leven aanbrak. Was hier geen sprake van wat in de geschriften van oude theologen heet 'geestelijke verlating'?
Van deze staat schrijft Wilhelmus à Brakel in zijn Redelijke Godsdienst, de bekend geworden lekendogmatiek uit de 17e eeuw: 'Dit is een zeer droevige en nare staat, ik heb medelijden met allen die daar in zijn, ik beklaag ze'. Hij was trouwens niet de eerste die over de geestelijke verlating schreef. Bekend geworden en vele malen herdrukt is de verhandeling die G. Voetius over dit onderwerp schreef: Een disputatie over geestelijke verlatingen. Johannes Hoornbeeck zette de verhandeling over dit thema voort en beiden gaven de uitkomst van hun uiteenzettingen in een veelvuldig herdrukt geschrift uit. En meer recent schonk ook dr. J.G. Woelderink in een boekje 'Uit de practijk der godzaligheid' aandacht aan dit facet van het geestelijk leven der gemeente.
Wat wordt ermee bedoeld?
W. à Brakel omschrijft wat er eigenlijk mee bedoeld wordt, althans volgens hem. 'Hoewel God de Zijnen bewaart voor de eeuwige verdoemenis, zo laat hij haar hen nog wel enigszins smaken. De verdoemenis bestaat in het missen van Gods aangezicht en in het gevoel van Zijn toorn en alle pijnen naar ziel en lichaam'.
Brakel schrijft dan dat een onbekeerde niet kan begrijpen wat ermee bedoeld wordt, omdat hij nooit 'de zoetigheid in de gemeenschap met God' gesmaakt heeft. 'Maar helemaal leeg te zijn, een huilend hart te hebben na vervuld te zijn geweest en niet te hebben of te kunnen verwachten, wat zijn leegheid kan vervullen en dan God te missen, dat is een hel in de ziel, ook dan als de mens nog buiten de hel is'.
Heel helder somt hij dan de verschijnselen op, die de gelovige ervaart in zulk een periode in het geestelijk leven; Uw Vader verbergt Zich. Uw Jezus, uw beminde, uw Bruidegom is weg. De Heilige Geest houdt op met Zijn invloeden: geen licht, geen vreugde, geen troost meer in het gemoed. Duisternis komt in het hart. Je bent zwak en zonder kracht. Je wordt soms radeloos en weet niet waar je het zoeken moet. Je zou wel tot God willen gaan, maar de weg is toegemuurd. De Heere Jezus is weg en de Heilige Geest komt je niet in je zwakheid te hulp. Er kan geen gebed door en als je roept, komt er geen antwoord. De Bijbel is een gesloten boek geworden. Je kunt erin lezen wat je wilt, maar het heeft geen kracht. Vijanden overvallen je en ze behalen overwinningen op je. Want je bent zo zwak, je hebt geen weerwoord. Zondige begeerten leggen een strik. Eer je het weet, ben je erdoor gevangen. Je Koning heeft je verlaten en je bent een prooi van iedere vijand in je of om je heen.
En kon je nu maar eens huilen, maar ook dat kan niet meer. Je ziel is als een barre winter, bevroren door de kou, daar de Heilige Geest je hart niet meer verwarmt. Dit alles zou nog te dragen zijn, als je daarbij maar kon geloven, dat je een kind van God was. Maar hier, aldus nog steeds Brakel, ligt de meeste benauwdheid. Men gelooft dat men niet is uitverkoren, dat men nooit genade heeft gekend, dat het alles maar uiterlijkheden waren, dat God hem of haar heeft verworpen en eens eeuwig zal verdoemen. Daarom wordt de ziel zo hopeloos, zo dood en ongevoelig, dat niets ze meer ontroeren kan. Hij gevoelt slechts een doodssteek in zijn hart. Soms wordt hij zo door wanhoop bevangen, dat het is of hij de hel voor ogen ziet.
In mijn eigen woorden heb ik zo willen weergeven, hoe à Brakel beschrijft, wat de verschijnselen zijn van wat hij noemt de 'geestelijke verlating'. Ik vermoed dat er zeker lezers zullen zijn, die zichzelf in dit beeld zullen herkennen of herkend hebben als ze denken aan een bepaalde periode in hun geestelijk leven.
Bijbels gehalte
Ik zou me voorstellen, dat er ook lezers zijn die denken: is dat allemaal wel zo gezond, wat ik hier lees, geestelijk gezond? Gaat dit niet allemaal te ver en zoeken we het als mensen dan niet veel te diep en maken we het hele geloofsbeleven niet veel te zwaarmoedig? Dat hier ook ontsporingen mogelijk zijn, hopen we verderop aan de orde te stellen. Eerst willen we onderstrepen, dat we hier toch te maken hebben met bijbelse noties. Dr. Woelderink merkt heel nuchter op in zijn al genoemde geschrift: 'Dat we hier met een beproeving te doen hebben, die door de godvruchtigen vrij algemeen gekend wordt, leren ons de Psalmen'. Hij verwijst dan naar de openingswoorden van Psalm 22, woorden die later ook door de Heiland zijn overgenomen. De verlating door God is ook Zijn deel geweest, zij het op een unieke en onnavolgbare wijze.
Overigens tekenen we wel aan, dat we het stellige vermoeden hebben, dat we dit aspect van het geestelijk leven vandaag niet zo vaak meer tegenkomen in het pastoraat. Althans niet in zo duidelijke vorm als tevoren door à Brakel is beschreven. Wel komt de gedachte bij me op, of we in dit kader niet kunnen plaatsen de klacht die we met het woord 'Godsverduistering' proberen te duiden. Maar dan wel bedoeld als een klacht, die opklinkt uit de mond van levende gelovigen. Ze klagen over gebedsnood, over gemis aan ervaring van God in de omgang met Hem, over geringe zegen onder de Evangelieprediking, over een gevoel van geestelijke dorheid en leegheid. De vormen zijn er nog wel in het leven, maar de geest (Geest!) ontbreekt erin. Dit gevoel wordt als zeer smartelijk ervaren. Immers, wie de gemeenschap met God in Christus heeft gekend, kan die niet meer missen. Maar God verbergt Zich, houdt Zich als het ware op een afstand, trekt Zijn nabijheid terug. In deze zin geïnterpreteerd, komen we in de gemeente ook vandaag de geestelijke verlating tegen.
In de geestelijke verlating heeft de gelovige niet met de duivel doch met God Zelf te doen. Aanvechtingen kunnen van de satan komen, maar in geestelijke verlating heeft God Zelf de hand. Woelderink typeert dit verschijnsel meer door het woord 'lijden' dan door het woord 'strijd'. Het is een vorm van zielelijden, die buitengewoon veel smart veroorzaakt. We denken aan de Dordtse Leerregels, waar gezegd wordt, dat de verberging van het aangezicht van de verzoende God bitterder is dan de dood (Hoofdstuk V, par. 13).
In geestelijke verlatingen is ook de weg van het gebed opgebroken. Je kunt als het ware God niet meer vinden. 'Men krijgt zijn gebed terug, gelijk een onbestelbare brief... Geestelijke verlatingen lijken meer op een verschrikkelijke droogte, waardoor alles verdort en het leven in de natuur schijnt te versterven, terwijl de hemel elke dag als van koper is en zich niet schijnt te bekommeren om het lijden, dat de hitte der zon veroorzaakt' (Woelderink).
Oorzaken
Hoe ontstaat zo'n toestand in het geestelijk leven? Zonden kunnen de oorzaak zijn, dat God Zich terugtrekt uit het leven. Brakel en Woelderink onderstrepen echter veel meer de vrijmacht van God, waarmee Hij het leven van de Zijnen leidt. God heeft er Zijn heilige bedoelingen mee, als Hij Zijn kinderen verlaat voor een tijd, schrijven ze beiden. Geestelijke verlatingen krijgen zo een opvoedkundige betekenis voor het geestelijk leven. Ze willen ons grondig en diep leren, dat het heil pure genade is. Al leven we nog zo teer in oprechte godsvrucht, niet dáárin ligt ooit grond en oorzaak van onze zaligheid. Ze ligt in Gods welbehagen en eeuwige liefde. God kan het voor sommige van Zijn kinderen nodig keuren, hen dat op indringende wijze te leren. Opdat er zo een diepe ootmoed in ons hart kome en wij in deemoed leren leven voor Gods aangezicht en voor dat van de mensen.
Deze levensles is niet algemeen. Veelal zijn het Gods liefste kinderen, die deze les van ootmoed en deemoed hebben te leren. We kunnen de woorden van de Doper zo onnadenkend en vanzelfsprekend citeren: Hij moet wassen en ik minder worden. Iets anders is het, wanneer God deze gulden regel ons zelf gaat leren.
Pastorale zorg
Opmerkelijk is dan dat à Brakel, maar ook Woelderink het kennelijk nodig hebben gevonden, te waarschuwen om niet al te hard te oordelen over hen die in de geestelijke verlating terecht zijn gekomen. Er zullen er wellicht zijn, die zulke mensen betichten van gebrek aan geloof. 'Je moet geloven en niet zo naargeestig doen. Anders ga je maar eens met een arts of psychiater praten. Je bent niet normaal'. Woelderink noemt dat dan een overschatting van het geloof. Als zou het geloof een soort tovermiddel zijn, waarover je te beschikken hebt om daarmee zelfs Gods beproevingen terzijde te schuiven. 'Ik vrees dan ook, dat menigeen denkt, dat men zichzelf met zijn geloof op de been kan houden, maar zulk een geloof is meer een werk van mensen dan van God'.
Samenvattend: wat genoemd wordt 'geestelijke verlating' is bijbels aanwijsbaar en daarom reëel van aard. Het zijn de minsten in het Koninkrijk Gods niet die deze geestelijke klacht kennen of herkennen in eigen leven. Juist ook onze geestelijk arme tijd levert bij tere gelovigen een vergelijkbare klacht op. Waar is God? Waar is God in mijn leven? In het pastoraat en in de prediking vraagt deze geestelijke nood om tere en gevoelige aandacht.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 september 1991
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 september 1991
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's