De geschiedenis in Hoger Hand
Een prikkelende vraag in Hervormd Nederland
Toen enkele weken geleden de coup in Rusland mislukt was, vroeg ik mij in deze kolommen af waarom zo weinig de dank aan de Allerhoogste doorklonk in de commentaren, ook van bijvoorbeeld christenpolitici. Ik meende te moeten zeggen, dat de wereld nooit mag vergeten, dat Gorbatsjov als middel in Gòds Hand is gebruikt om de geknechte volkeren in het Oostblok uit het diensthuis uit te leiden.
Daarop nu werd kritisch gereageerd in één van de wekelijkse columns van Loes van Lennep in Hervormd Nederland. In haar altijd lezenswaardige — iets anders dan behartigenswaardige — stukken, pleegt ze nogal eens in te gaan op zaken, die met de belijdenis aangaande God, zeg het Godsbeeld te maken hebben. Ze heeft er daarbij nooit een geheim van gemaakt, dat ze gepokt en gemazeld is in een specifieke sector van 'onze kringen', zoals dat heet, en geeft er voortdurend blijk van nog altijd te tobben met het Godsbeeld van vroeger. Ze wil er mee afrekenen, maar in feite lijkt ze er niet mee klaar te komen.
In de genoemde kritiek hield ze mij de keerzijde van mijn bewering voor. Vooraf echter even dit: ze suggereert, dat ik Gorbatsjov als een soort Messias wil duiden, zoals een theoloog recent deed. Welnu, dat is nu net wat teveel eer voor een mens. De naam Messias reserveer ik liever, naar de Schriften, voor Eén. Maar nu dan die keerzijde. Als het in Rusland verkeerd zou zijn afgelopen, als dus de putsch zou zijn gelukt, wat zou ik dan hebben gezegd? Zou ik dan hebben geklaagd — aldus Loes — 'over het gebrek aan verwijt in de media jegens de Allerhoogste, omdat die zo'n treurige beschikking had getroffen?' En waarom liep het dan in Boedapest en Praag en Peking ooit zo slecht af?, zo vervolgt ze.
Kennelijk vindt mevrouw Van Lennep, dat we God er maar buiten moeten laten. 'Mensen zijn geen poppen, ze maken zelf hun geschiedenis en zijn daarop aan te spreken. God houdt intussen Zijn hart vast, maar blijft vertrouwen op een goede afloop.' Dat laatste schijnt zij overigens zeker te weten (van God).
Niet wegpoetsen
Ik moet zeggen, dat deze benadering van mijn critica me enige tijd geducht bleef bezighouden, hoewel niet voor het eerst. Het gaat om de bekende vraag naar Gods Hand in de geschiedenis en onze menselijke verantwoordelijkheid.
Mij dunkt dat we vanuit de Schriften mogen weten, dat de mens, èlke mens, ook de grootste schurk in de geschiedenis, voor de volle honderd procent verantwoordelijk wordt gesteld voor zijn of haar daden. En tegelijkertijd weten we, óók uit de Schriften, dat de Heere regeert: 'dat de volkeren beven' (Ps. 99 : 1). Ik laat mij er nu maar niet toe verleiden om meerdere Schriftplaatsen te noemen waar deze gedachte centraal staat. Want ik denk dat mensen als Loes van Lennep zulke Schriftplaatsen ook kennen. En toch...
Ik wil hier liever een paar vragen opwerpen. Wat is er nog voor uitzicht en hoop als we alles zetten op de kaart van de menselijke verantwoordelijkheid? We weten uit de geschiedenis, maar we ervaren dagelijks van nabij — in eigen hart en leven het méést van nabij — hoe het kwaad zich diep heeft ingenesteld in deze wereld. Mensen zijn van nature handlangers van het kwade en niet van het goede. Het mag nog een wonder — een Godswonder, ja! — heten, dat er nog geleefd en samengeleefd kan worden; dat het kwaad nog ergens beheerst wordt en dat overheden daarin ook nog een functie mogen hebben, namelijk om het leven van mens en samenleving te ordenen.
Wie is God nog, als Hij niet meer is zoals Hij Zich in Zijn Woord openbaart en laat kennen? Nee, ik begrijp God niet, ik kan Hem niet narekenen. Hij geeft geen rekenschap zelfs van Zijn daden. Ook niet als Hij het kwade effectief toelaat of zelfs beschikt.
Nog maar enkele weken geleden werd het Woord Gods verkondigd uit Deuteronomium 6 : 4: 'De Heere onze God is een enig Heere'. Hij is het alléén. In Hem zijn zowel recht als genade, gerechtigheid en liefde. Dat zijn — zo werd verkondigd — geen samengestelde delen in God. Zo is God, de gans Andere; voor ons fragmentarische begrip, waarin alles gedeeld toegaat, niet te bevatten! Maar zo vraagt God ook onze aanbidding en erkenning. Hij is, die Hij is. Alles moet Hem eren! (psalm 33). Persoonlijk en publiekelijk.
Achter vraagtekens rondom het publieke aanroepen van de Naam zit ook de vraag naar de betekenis van de persoonlijke erkenning van God in dankzegging en gebed. We mogen vragen of er nog weet is van de vreugde van de lofzegging op Gods daden, hoe onbegrijpelijk voor ons ook. We mogen ook vragen of er weet is van de klacht voor Gods Aangezicht, daar waar de raadselen van het leven zich voordoen. Maar — en dan ben ik weer bij de kern van wat ik zei rondom de coup in Rusland — als een mens verheugd is om ontwikkelingen in de eigentijdse geschiedenis (en mevrouw Van Lennep was kennelijk ook blij daaromtrent), waar kunnen en moeten we dan met onze verheugenis en dankbaarheid anders zijn dan bij Hem, die regeert en kennelijk niet lijdelijk toeziet, naar Zijn eigen Woord? Maar de andere kant mag er ook zijn. Job, de grote lijder, weet op kritieke momenten uit zijn geprangd gemoed te persen, dat de Almachtige hem bitterheid heeft aangedaan, hem heeft beroerd. Dat is andere taal overigens dan die van de moderne mens, die in woede de vuisten balt (tot niemand) wanneer leed en lijden toeslaan. Het vragen en het klagen, de vreugde en de dank, ze mogen (en móéten zelfs) geschieden voor het Aangezicht van de Allerhoogste. Eigenlijk zijn de vragen, die Loes van Lennep stelt, vragen tot op de bodem. Tot op deze bodem: is God er, en zo ja, hoort Hij mij, en zo ja, mag Hem alles worden gezegd? Zo nee, dan rest het niets. Zo ja, dan zijn niet alle vragen opgelost, maar ze hebben wel een adres.
Bidden is ook tobben voor Gods Aangezicht. 'Want wij weten niet wat wij bidden zullen gelijk het behoort, maar de Geest Zelf bidt voor ons met onuitsprekelijke verzuchtingen', zegt Paulus. Bidden kent zo soms geen woorden, slechts een gestalte, hetzij van verootmoediging, hetzij van dank.
Misschien mag er zo toch die biddende en dankende gestalte zijn bij christenen vandaag als ze de grote Wende in de geschiedenis zich zien voltrekken. Als het louter van mensen had afgehangen, dan had het kwaad gezegevierd. Dat er nu hier en daar, her en der een keer ten goede kwam, ligt naar mijn diepe belevenis meer aan Hem dan aan ons. En daarvoor meen ik toch de Allerhoogste te moeten aanroepen en prijzen. Hebben christenen in Rusland dat ook niet voortdúrend gedaan?
Wie weet
Er is toch intussen nòg een moment, dat hier aan de orde moet komen. De Schriften spreken er ook van, dat de oordelen van God over de aarde kunnen gaan. 'Wanneer Uw gerichten over de aarde zijn, zo leren de inwoners der wereld gerechtigheid', zegt Jesaja (26 : 9). Maar ook in die gerichten is God niet niet liefde. God is daarin geen onbewogen Beweger. Hij laat Zich zelfs verbidden.
De profeet Joël wekte in zijn dagen het volk op tot bekering met het ganse hart, 'met vasten en geween en rouwklage'. 'En scheurt uw hart en niet uw klederen en bekeert u tot de Heere uw God, want Hij is genadig en barmhartig, lankmoedig en groot van goedertierenheid, en berouw hebbende over het kwade. Wie weet, Hij mocht zich wenden en berouw hebben...' (Joel 2 : 12-14).
Ook Jona riep de lieden van Ninevé op tot vasten en berouw: '...en zij zullen zich bekeren, een iegelijk van zijn boze weg, en van het geweld dat in hun handen is'. En dan opnieuw datzèlfde woord: Wie weet. God mocht Zich wenden en berouw hebben...'.
Wie weet! Dat wie weet is geen fatalistisch gegeven. Het is veeleer een aanduiding van de ernst van de situatie. De zaak kan er zo kritiek voorstaan, dat God Zich afwendt, gehéél afwendt. Het kwaad van mensen lijkt te diep ingekankerd. Maar toch, nochtans. Hij laat zich verbidden. Als het bijna verkeken is, laat Hij Zich verbidden om Zich te wenden, om koers te wenden. Zelfs zó, dat wat mensen soms ten kwade bedachten een plaats krijgt in Zijn hand ten goede.
Mij laat de laatste tijd de vraag niet los hoe concrete verootmoediging (met vasten) toe moet gaan. In het Koninkrijk Gods zijn de dingen niet meetbaar en aan te duiden en te sturen zoals in de techniek. Maar verootmoediging is wel een diep bijbelse notie, die vraagt om concrete doorvertaling in het heden. In de weeën van onze tijd vraagt God ook van ons christenen een (nieuwe) grondhouding, een houding van verootmoediging, om inkeer vanwege het grote kwaad, dat allerwegen geschiedt en waarvoor wij mensen ten volle verantwoordelijk zijn en worden gesteld. Wij weten geen uitweg uit het dal. Maar Hij weet het wel. Hij vraagt ingang in het dal van de verootmoediging. Wie weet. Hij mocht Zich wenden!
Maar wannéér er dan een Wende ten goede in de geschiedenis ìs, heb ik niet de vrijmoedigheid Hem erbuiten te laten. Integendeel. Ook al weten we de geschiedenis niet exact te duiden. Zijn Hand, zeg dan aan de achterkant van de geschiedenis, wil beleden zijn.
Dat bedoelde ik te zeggen na de mislukte coup.
Dat wilde ik in het bovenstaande nog een keer verduidelijken.
Ik sluit af met een woord van Abraham Joshua Heschel, in zijn boekje over de betekenis van de sabbat ('heiligdom in de tijd!') voor de moderne mens:
'Terwijl de godheden van andere volkeren in verband werden gebracht met plaatsen of dingen, was de God van Israël de God van gebeurtenissen: de Verlosser uit de slavernij, de Schenker van de tora, die zich laat kennen in de gebeurtenissen in de geschiedenis, meer dan in de dingen of plaatsen. Aldus werd het geloof in het onlichamelijke, in het onvoorstelbare, geboren.'
Hem zij de eer!
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 september 1991
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 september 1991
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's