Boekbespreking
C.J. den Heyer, De Messiaanse weg, deel 3, De christologie van het Nieuwe Testament, Kok Kampen 1991, 314 blz., ƒ 49,50.
Geïnspireerd door het gesprek met joden probeert de auteur in dit deel van zijn trilogie te verwoorden, wat het geloof in Jezus als de Christus betekent. Uitgangspunt is, dat de Christologie van het Nieuwe Testament goeddeels op rekening staat van de eerste gemeente, waarbij de Verkondiger tot inhoud van de verkondiging werd. De jood Jezus, gekruisigd onder Pilatus werd na Pasen in de gemeente op allerlei verschillende wijze beleden als de Christus. De eerste gemeente maakte daarbij gebruik van joods en hellenistisch gedachtengoed en ontwikkelde hun verkondiging menigmaal in felle polemiek met hun joodse tijdgenoten.
Er staan in de omvangrijke studie van Den Heyer vele opmerkingen, waar we bij de bestudering van de nieuwtestamentische prediking onze winst mee kunnen doen. De belezenheid van de auteur is enorm. Studenten zullen hier voor de bestudering van de bijbelse theologie veel kunnen vinden. Niettemin roept deze studie grote vragen op. Vooreerst is er de vraag naar de verbinding tussen de prediking van Jezus en de latere reflectie van de kerk. Je krijgt de indruk, dat de Christusprediking grotendeels op rekening van de ervaringen van de eerste getuigen geschreven wordt. In de tweede plaats is de auteur de mening toegedaan, dat het Nieuwe Testament niet één, maar vele beelden van Jezus tekent, beelden die elkaar soms weerspreken en die we niet tot een totaalbeeld kunnen samenvoegen. De auteur weet dan ook weinig raad met het dogma van de Kerk aangaande Jezus Christus. De contextualiteit van de nieuwtestamentische prediking wordt dusdanig beklemtoond, dat de eenheid nauwelijks meer te verwoorden valt.
Daarmee sluit de schrijver wonderwel aan bij het voor onze tijd zo kenmerkende pluralisme. Wat samenbindt is het leven en sterven van de mens Jezus van Nazareth. Op deze wijze komt er ook ruimte voor een dialoog met Israël. Kenmerkend voor de teneur is de slotzin, waarin Jezus getekend wordt als wegbereider, die de leerlingen vrolijk volgden, in het vertrouwen dat de God die Jezus zijn abba noemde, ook wel als een abba voor zijn volgelingen zou zorgen. Maar is dat echt de essentie van de nieuwtestamentische prediking? Is hiermee ook gezegd, dat wij alleen door Christus tot de Vader komen? Is Jezus alleen maar een wegbereider op de messiaanse weg?
Ook ten aanzien van allerlei details in de tekening die de auteur geeft, rijzen er vragen. Gaat het aan om te zeggen dat het eerste antwoord op de vraag naar Jezus' Zoonschap is dat Jezus tot Zoon werd geadopteerd bij Zijn opstanding? Is 'verklaren' niet iets anders dan 'adopteren'? (vgl. Rom. 1 : 3-4). Wordt de betekenis van de teksten over de geboorte uit de maagd Maria niet ten onrechte geminimaliseerd? Kan men zomaar zeggen dat het verhaal van de Hemelvaart een creatie van de evangelist Lucas is? M.i. miskent de auteur ten onrechte het verband tussen het Paaslam en de wijze waarop in Johannes over het Lam gesproken wordt? Zo zou er veel meer te noemen zijn.
Den Heyer weet helder en overzichtelijk te schrijven. Zijn trilogie is een knappe samenvatting van tal van standpunten uit de studie van het intertestamentaire tijdvak en de nieuwtestamentische wetenschap. Tegelijk laat zijn boek de afstand zien tussen de prediking van de kerk der eeuwen en de gangbare wetenschappelijke visies.
Daarom ben ik bij alles wat ik van dit boek geleerd heb, er toch niet onverdeeld gelukkig mee, maar blijf tegen de teneur ervan grote bezwaren houden. Stellig zijn er binnen de nieuwtestamentische prediking accenten. Dat is een winstpunt in de studie, vergeleken met b.v. de studie van G. Sevenster. Maar tegelijk blijf ik diens Christologie van betekenis vinden, als het erom gaat binnen de verschillende situaties de eenheid te omschrijven in het getuigenis. Bij Den Heyer heb ik toch het gevoel, dat verschillen op de spits gedreven worden en vooral dat de aard van Jezus' zelfopenbaring als Zoon van God en Messias van Israël in het duister blijft. Het gaat in het Nieuwe Testament toch om openbaring van Godswege en niet om de creatie van een gelovige gemeente, hoezeer dit, belijdend element als antwoord ook meespeelt.
Dr. J. Rinzema, Het verhaal verder vertellen. Beschouwingen over communicatievragen in de geloofsoverdracht, J.H. Kok, Kampen 1991, 107 blz., ƒ 18,50.
Dit boekje is geschreven uit verontrusting om de kloof die er bestaat tussen de woorden van de kerk en de leefwereld van de moderne mens. De schrijver wil niet berusten in het gegeven van de kerkverlating, maar zoekt naar wegen om het evangelie te doen landen in de leefwereld van de mens van nu. Zijn boekje is gebaseerd op drie pijlers. Vooreerst gaat hij aan de hand van de resultaten van de communicatiewetenschappen in op de problematiek van communiceren (zender/ontvanger). Voorts bespreekt hij aan de hand van de taalfilosofie van Wittgenstein e.a. de problematiek van de verschillende taalvelden, met name de religieuze taal. Willen we de boodschap verstaanbaar maken, dan dienen we helder te krijgen, wat en hoe wij willen overdragen. Daartoe — en dat is het derde — voldoet het klassieke theologische model niet meer.
In tegenstelling tot de klassieke opvatting — om de algemene openbaring te verstaan, hebben we de bijzondere nodig — gaat de schrijver er van uit dat we de sleutel om toegang te verkrijgen tot de bijzondere openbaring, vinden in de algemene openbaring. Het christendom is geen wereld apart, maar neemt haar eigen — weliswaar unieke — plaats in in de wereldreligies. Daarom is aansluiting aan de algemene ervaringswereld geboden. Dat betekent dat de auteur zich fel verzet tegen de positie van Barth, maar ook tegen de klassieke gereformeerde theologie met haar Schriftopvatting. Christelijke vragen zijn algemeen menselijke vragen. God openbaart zich niet alleen in het Evangelie, maar ook in de algemene cultuur. Zo wil de schrijver de verbroken communicatie herstellen. Ik herken de bekommernis, die hem bezighoudt en het verlangen bruggen te slaan. Ik wil graag met hem een 'insprekingspunt' erkennen, maar meen toch dat de auteur op zijn standpunt niet ontkomt aan een veralgemenisering van de bijbelse boodschap. De laatste bladzijden zijn gewijd aan de vraag: waarom is Jezus voor mij uniek? De vraag die je dan stelt: Is Hij dat ook voor alle mensen? Enerzijds spreekt de schrijver over de universele pretentie van het geloof anderzijds botst dit met zijn optimisme t.a.v. andere religies en wereldbeschouwingen. Dat geeft aan het boekje toch iets onbevredigends ondanks de sympathieke toonzetting. Voor mijn gevoel botst het toch met het klassieke gereformeerde belijden, met name in de kijk op Schrift en canon.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 september 1991
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 september 1991
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's