De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Om de opbouw der gemeente

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Om de opbouw der gemeente

Het opstellen van een beleidsplan

12 minuten leestijd

'Die nedergedaald is, is Dezelfde die ook opgevaren is boven al de hemelen, opdat Hij alle dingen vervullen zou.
En Dezelve heeft gegeven sommigen tot apostelen, en sommigen tot profeten, en sommigen tot evangelisten, en sommigen tot herders en leraars;
Tot de volmaking der heiligen, tot het werk der bediening, tot opbouwing van het lichaam van Christus;
Totdat wij allen zullen komen tot de enigheid des geloofs en der kennis van de Zoon van God, tot een volkomen man, tot de mate van de grootte der volheid van Christus'.

Op de februarivergadering van dit jaar besloot de generale synode van de Nederlandse Hervormde Kerk tot een nieuwe opzet van ordinantie 16 van de kerkorde. Dat houdt in, dat iedere kerkeraad voortaan verplicht is tot het maken van een beleidsplan voor de gemeente. Zo'n plan dient dan een termijn van vijf jaar te bestrijken. Bij het jaarlijkse begrotingsoverleg moet worden bezien of het plan op punten moet worden bijgesteld. De kerkeraad zal ook verplicht zijn het plan aan de gemeente kenbaar te maken. De suggestie, die op de synode werd gedaan, om het te doen bespreken op een speciale samenkomst van de gemeente werd niet aanvaard.


Onder beleid (in het algemeen) wordt verstaan: 'het doel van een organisatie en de weg waarlangs men dit doel wil bereiken, met inachtneming van de middelen en de mogelijkheden, waarover mem beschikt. Bij de beleidsvorming gaat het dan om het maken van keuzen. De financiën zijn daarbij niet het uitgangspunt maar het sluitstuk. Met andere woorden, eerst dient te worden geïnventariseerd wat er zou moeten gebeuren in de gemeente en tenslotte moet worden bekeken of dat allemaal financieel ook kàn.
De kerkeraad is de eindverantwoordelijke voor het beleidsplan, zoals dat voor alle onderdelen van het gemeenteleven wordt opgesteld. Aangezien het verder ook om specifiek pastorale, diakonale en kerkvoogdelijke zaken gaat wordt geadviseerd het plan te laten opstellen door een kleine commissie, bestaande uit vier leden van ­de kerkeraad, waaronder twee leden van de diakonie en verder twee leden van de kerkvoogdij.


De Vereniging van kerkvoogdijen in de Nederlandse Hervormde Kerk heeft naar kerkvoogdijen inmiddels een handreiking voor het opstellen van een beleidsplan voor kerkvoogdelijke zaken (maar in feite voor de hele gemeente) uitgegeven. Daarbij is ook gevoegd een 'Nota beleidsplan kerkvoogdelijke zaken — werkwijze'. In deze nota is opgenomen een voorbeeld van een globale schets van de uitgangspunten voor het gemeentelijk werk, met daarbij een voorbeeld van uitgewerkte beleidsdoelstellingen.


Van verschillende zijden ontving het hoofdbestuur van de Gereformeerde Bond vragen over deze zaak van het beleidsplan. Er werd ook gevraagd om richtlijnen. Na ampele overwegingen is besloten daartoe niet over te gaan maar wel een aantal overwegingen aan te reiken middels dit artikel. De stukken van de Vereniging van Kerkvoogdijen bevatten inzake de technische uitwerking en de aandachtspunten voldoende bruikbaar materiaal, al zullen de verwoording van allerlei zaken en ook bepaalde aandachtspunten zélf niet direct algemene bijval vinden in het geheel van de kerk.
In het hiervolgende willen we derhalve een aantal zaken aanreiken, die onzes inziens bij het opstellen van een beleidsplan doordacht dient te worden. Wil er echt sprake zijn van een gemeentelijk beleidsplan, dan zal er vóór alles aandacht moeten zijn voor eredienst, pastoraat, diakonaat, apostolaat, catechese en beheer.

Gevaar
Men kan zich allereerst afvragen of de verplichting tot het opstellen van een beleidsplan niet opnieuw een hele papierwinkel, óver-organisatie en een reeks formele besprekingen ten gevolge zou hebben, die afleiden kunnen van het wezenlijke, waarom het in de gemeente gaat. Anderzijds is het zo, dat de noodzaak voor het opstellen van een beleidsplan ook de mogelijkheid schept om als kerkeraad met elkaar gericht na te denken óver die wezenlijke zaken. Daarbij is dan ook weer het gevaar niet denkbeeldig dat dingen, waarover niet eerder werd gesproken, wel de aandacht gaan krijgen en diversiteit kunnen oproepen. Maar als bedacht wordt, dat het in alles gaat om de opbouw van het lichaam van Christus — op de wijze zoals dat in Efeze 4 wordt gesteld — dan moet ook de aandacht dáárop worden gericht. Moet trouwens niet eerlijk worden gezegd dat kerkeraadsvergaderingen tòch al (te) vaak over zakelijke kwesties gaan? Een op te stellen beleidsplan geeft ook alle gelegenheid om dieper door te stoten en rekening en verantwoording met elkaar te geven van het hoe en waarom van de gééstelijke opbouw van de gemeente.

De Schrift
Dit alles betekent dat niet de vraag 'wat willen we'? maar 'wat wil de Schrift?', voorop moet staan. Niet hoe wij de gemeente willen inrichten, is doorslaggevend maar wat de Schrift als wezenlijk voor de gemeente noemt. In het hierboven genoemde Schriftgedeelte uit Efeze 4 wordt gesproken over Hem, die opgevaren is ten hemel en die arbeiders in de wijngaard heeft gegéven om de gemeente te bouwen, 'totdat wij allen zullen komen tot de enigheid des geloofs'.
De gemeente is Lichaam van Christus. Daarmee is alles gezegd. Daaraan is elk plan ondergeschikt. Een gemeenteplan is ondergeschikt aan de roeping en zending van Godswege. Mensen, die dienen in uiteenlopende taken, worden geroepen en gezonden. De gemeente op zich wordt zo ook gezonden in de wereld. Maar alles is gericht op 'de enigheid des geloofs'. Het werk in de wijngaard is dan ook niet zomaar vrijwilligerswerk. Het is dienst in het Koninkrijk, waarvan Christus Koning is. Daarom zal elk beleidsplan, dunkt ons, met een preambule moeten inzetten, waarin kort wordt verwoord wat de gemeente ten diepste naar de Schriften is.

Verkondiging
Naar de Schriften is de verkondiging, binnen de eredienst, het centrale. Die verkondiging zelf dient óók te zijn naar het Woord Gods en — in de traditie der kerk — overeenkomstig het belijden van de kerk der eeuwen en — in de traditie, waarin de Nederlandse Hervormde Kerk staat — overeenkomstig de belijdenis van de kerk der Reformatie. De modaliteit van prediking zou dan ook in het beleidsplan kunnen worden verwoord.
De inrichting van de eredienst, met daarin ook als element wat we 'de kleine traditie' noemen (de liturgische inrichting, het gebruik van bepaalde formulieren voor bijzondere diensten) is daarbij van wezenlijke betekenis. De dingen gaan vaak jarenlang zoàls ze gaan zonder dat elke (nieuw aantredende) kerkeraad zich rekenschap geeft van het waarom. Het zingen van de psalmen in de eredienst bijvoorbeeld heeft een diepe achtergrond. Daarvan moet een kerkeraad zich rekenschap geven. Waarom willen we (uit) de Schriften zelf zingen?
In een zich gereformeerd noemende gemeente mag en zal er, wat de eredienst betreft, ook aandacht zijn voor de plaats van de belijdenisgeschriften in het geheel. In concreto komt dan ook de léérdienst, met daarin de onderwijzing van de Heidelbergse Catechismus, binnen het blikveld. Kohlbrugge heeft op zijn sterfbed gezegd: 'de Heidelberger, de eenvoudige Heidelberger, houdt daaraan vast kinderen'. Met het verdwijnen van de catechismusprediking in het geheel van de kerk ging geestelijke verschraling gepaard, of deze was er een gevolg van. Maar verder mag ook aan de orde komen hoe de andere belijdenisgeschriften een wezenlijke ingang kunnen vinden in de eredienst.

De kerkeraad
In een beleidsplan kan en mag de bezinning op het wezenlijke van de kerkeraad zèlf, zeg op het ambt, niet ontbreken. Daarbij kunnen de artikelen 30 en 31 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis een belangrijke plaats hebben. Het gaat om het houden en bewaren van de gemeente bij de vrede, de eenheid en de eendracht. Daarvoor moeten de ambten ook dienen. Recent schreef oud. M.A. Geleynse (Rotterdam) in Woord en Dienst dat, naarmate hij meer het dienende van het ambt is gaan beseffen (en niet bij vóórbaat het gezag ervan), hij zijn ambtelijke dienst als meer vruchtbaar, want dichter bij de gemeente, heeft ervaren. Dat neemt niet weg, dat het ambt op zìch ook een 'tegenover' is, tussen Christus en de gemeente. Het ambt heeft gezag van Christuswege. In ieder geval gaat het echter ook om ambt en collegialiteit. Het ene ambt zal over het andere niet heersen.
Verder moeten de onderscheiden taken van de ambten ook naar bijbels patroon worden verwoord. Het ambt is geen functie. De ambten zijn, ook in hun onderscheiding, in de gemeente van Christus gegeven. Alles tot opbouw van de gemeente.
Het beleidsplan is er dunkt ons ook voor om het afwijzen van de vrouwelijke ambtsdrager te stellen, waarbij de specifieke taken van de vrouw in de gemeente ook worden verwoord.

Pastoraat
Inzake de vragen rondom het pastoraat is er veel verscheidenheid. Hoe wordt het huisbezoek concreet opgezet? Hoe wordt het huisbezoek vóór-bereid en ná-bespro­ken? Welke bijzondere vormen van pastoraat zijn er in de gemeente en aan wie wordt zulks toevertrouwd? Moeten in het pastoraat ook niet de drie ambten functioneren (de herder, de opziener en de diaken)? Die vraag rijst met name ook wanneer het gaat om bijzondere pastorale voorzieningen (ziekenhuizen, gevangenissen, verpleeginrichtingen, bejaardentehuizen, ziekendienst). Hoe zijn ook hierin de ambten op elkaar betrokken? Wiè doet wàt?

Catechese en jeugdwerk
De catechese is één van de pijlers van het gemeenteleven. Catechese is uitdrukkelijk onderscheiden van jeugdwerk. Dr. W. Verboom, die men er niet van kan verdenken geen oog te hebben voor de grote betekenis van het jeugdwerk in allerlei verbanden, zei haarscherp: een gemeente kan, als het erop áánkomt, zonder jeugdwerk, maar niet zonder catechese. Catechese is onderricht in het verlengde van de doop, gericht op de openbare geloofsbelijdenis en derhalve op de toegang tot het Heilig Avondmaal en tot de ambten. In onze tijd, waarin deze zaken worden ontkoppeld, dienen ze, vanuit het grondstramien van een gereformeerde kerk- en gemeenteinrichting, dicht bijeen te worden gehouden. Een beleidsplan biedt de mogelijkheid om dit te verwoorden.


Maar verder vragen allerlei taken onder en door de jongeren aandacht. De jeugdverenigingen en het kringwerk, de zondagsschool en het clubwerk, ze vragen om doordenking en concrete formulering ook met betrekking tot de verantwoordelijkheid vàn en het contact mèt de kerkeraad. Ook daarin wordt de gemeente gebouwd. In sommige gemeenten wordt een jeugdouderling belast met speciale zorg voor de jongeren. Dat mag natuurlijk nooit een alibi zijn voor de kerkeraad als geheel om niet met de vragen rondom het jongerenwerk bezig te zijn. Het vraagt om een geïntegreerde taakstelling.

Diakonaat en apostolaat
In het diakonaat toont de gemeente de handen van Christus naar binnen en naar buiten. In het apostolaat richt de kerk zich tot hen die buiten zijn, dichtbij en ver weg. Het gaat hier om twee onderscheiden taken, die anderzijds op elkaar betrokken zijn.
Aan alle apostolaire arbeid (evangelisatie, inwendige zending, zending) zit een diakonaal aspect. Woord en daad gaan hier samen. In de omschrijving van de specifieke diakonale taken (maatschappelijk werk, gezinszorg, bejaardenzorg, ziekendienst) zal niet altijd zozeer het apostolaire aspect een rol spelen; hoewel in een gemeente met randkerkelijken dat element ook wel aanwezig is (zij het anders dan ten aanzien van niet-gedoopten). In de omschrijving van het apostolaire zit evenwel wèl een diakonáál aspect. In bijvoorbeeld dienstverlening aan verslaafden, marginalen in de samenleving, daklozen, gaan beide taken hand in hand.


In het diakonaat speelt bovendien een rol de vraag op welke wijze de dienstverlening ver weg gestalte dient te krijgen. Ook werelddiakonaat geschiedt, als het goed is, vanuit een kerkelijk (ambtelijk) kader. Daarom zal er terzake van een beleidsplan ook aandacht moeten zijn voor de vraag hoe en of dienstverlening via particuliere (interkerkelijke) organisaties zich verdraagt mèt de directe taakstelling van de kerk als zodanig.

Eenheid
Het kan niet de bedoeling zijn alles, wat in een beleidsplan aan de orde dient te komen, grondig te behandelen. Vele zaken spreken voor zich.
We noemen nog slechts Samen op Weg. Geen gemeente — ook geen gemeente, waar Samen op Weg niet of nauwelijks een rol speelt of kàn spelen — kan het zich permitteren in een beleidsplan de ontwikkelingen, die zich hier landelijk (en classicaal) voltrekken, te negeren. Eén en ander plaats voor vragen omtrent de verdeeldheid van het Lichaam van Christus. Als Samen op Wèg niet kàn, hoe kan en moet dan wèl worden gearbeid aan de eenheid van het Lichaam van Christus?.
Binnen elke gereforméérde gemeente zou het in ieder geval vanzelfsprekend moeten zijn om de relatie tot andere gemeenten ter plaatse, van kerken van gereformeerde confessie, te doordenken en te omschrijven. Hoe wordt gedacht over de eenheid van gereformeerde belijders (ter plaatse)?

Beheer
De financiën mogen geen uitgangspunt zijn maar vormen wel het sluitstuk van het beleidsplan vormen, zo wordt gesteld. Dat vraagt derhalve nauwe betrokkenheid op elkaar van kerkeraad en kerkvoogdij (hòè dan ook vandaag nog gestructureerd). Juist de kwestie romdom bestuur en beheer en de besluiten, die hierover gevallen zijn, vraagt concrete doordenking van beide colleges, teneinde vast te stellen hoe in de toekomst de kerkeraad (met een deel van de kerkvoogdij als ouderling-kerkvoogden) eruit zal zien en hoe de taakstellingen geregeld worden. Naar de toekomst toe zal het aantal niet-ambtsdragers in verhouding tot het aantal ambtsdragers in de kerkvoogdij ook moeten worden geregeld.
Juist ook met betrekking tot de stoffelijke zaken in de gemeente en dus inzake de financiële verantwoordelijkheid gaat het om geestelijk beheer. Zeker als we bedenken, dat alle overige taken in de gemeente hun financiële kant hebben.

Tenslotte
Bij alles — het zij nog eens gezegd — gaat het erom dat de gemeente als Lichaam van Christus herkenbaar is. Ook kerk en gemeente kunnen zo óver-georganiseerd worden, dat kerkelijke en gemeentelijke bureaucratie de geestelijke opbouw van de gemeente eerder tegenstaan dan bevorderen.
Daarom toont zich ook in het opstellen van een beleidsplan in de beperking de Meester.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 oktober 1991

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

Om de opbouw der gemeente

Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 oktober 1991

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's