De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Uit de Pers

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Uit de Pers

10 minuten leestijd

Leven in het hier en nu
Nu voor velen het geloof in een persoonlijk God een achterhaalde zaak geworden is, lijkt het of velen compensatie zoeken in een lichaamscultus, waarbij het soms zeer fanatiek toegaat. In het VU-Magazine van oktober 1991 wordt verslag gedaan van een onderzoek dat dr. Bart Crum in opdracht van het ministerie van WVC heeft ingesteld naar wat heet 'de versporting van de samenleving'. De ondertitel van zijn rapport luidt 'Reflecties over bewegingsculturele ontwikkelingen met het oog op het sportbeleid'. Nu zou ik uiteraard in deze rubriek voor dit verslag geen aandacht vragen, als er niet iets te lezen valt wat ook binnen de kaders van een kerkelijk weekblad interessant is. Naast de beroepssport heeft onderzoeker Crum zich ook beziggehouden met de recreatiesport. Wat zit daar achter dat zoveel mensen zich vaak zo verbeten vastbijten in het bereiken van bepaalde prestaties op dit terrein van vrijetijdsbesteding? Het antwoord luidt ongeveer: grondslag voor de fitnessrage lijkt te liggen in een veranderd idee over het menselijk lichaam. Lange tijd is vanuit de Freudiaanse gedachtenwereld het lichaam gezien als een bolwerk van seksuele driften. Die driften dienen in goede banen te worden geleid, anders raakt de mens verward in soms heftige frustraties.

Die seksuele bezorgdheid is verdwenen. In plaats daarvan is een idee van het lichaam gekomen als energiecentrale. Door goed, verantwoord, gezond te eten geef je de lichaamscellen de mogelijkheid om de energie voort te brengen, die voor het lichaam als geheel noodzakelijk is. Ongezond eten en leven leidt tot haperingen in de energievoorziening met als resultaten: vermoeidheid, traagheid, lusteloosheid. Als hij 's ochtends niet even een halfuurtje gezwommen heeft, zegt de bankdirecteur, is hij de rest van de dag geen mens. Sinds ze aan hun conditie zijn begonnen te werken, melden begeesterde bekeerlingen, is hun leven niet meer hetzelfde. Zaten ze vroeger voortdurend in hun luie stoel naar de televisie te kijken, nu bruisen ze van de activiteit en is het middagdutje afgeschaft. Het werken aan de conditie geeft het lichaam nieuwe energie. En energiek gedrag is niet alleen een teken van gezondheid, maar ook een voorwaarde voor maatschappelijk presteren. Wanneer George Bush zich trimmend laat filmen, presenteert hij letterlijk en figuurlijk het beeld van een energieke leider. Heel anders dan het beeld van 'slappeling' waarmee zijn tegenstanders hem probeerden op te zadelen.
Het lichaam is daarmee niet alleen een bron van lust maar evenzeer een bron van angst en radeloze toewijding geworden. Het eeuwig dreigende energieverlies wordt zichtbaar in het buikje, de vetrollen, de rimpels en de slappe spieren. Door aan de conditie te werken, moet het onvermijdelijke verval vertraagd worden. De fitnessfanaat zegt niet: het verval is onontkoombaar, laat ik daarom maar in het heden zoveel mogelijk genieten en eruit halen wat erin zit. Nee, hij denkt langer te leven door nu even wat pijn te lijden, door alvast een beetje te sterven. De martelwerktuigen van het fitnesscentrum staan er al klaar voor.

Met een geleerd woord wordt in dit verband gesproken van een 'autistische prestatiedrang'. Iets doen om te bewijzen dat je bestaat. Je bent iemand. Je kunt het. In het hier geciteerde artikel wordt zelfs gewaagd van een nieuwe metafysica. Waarom doen mensen zichzelf deze kwellingen aan? Boven het verhaal in VU/Magazine staat het opschrift 'Sportieve zelfkwellingen'. En de schrijver Rudy Kousbroek wordt geciteerd, die gezegd moet hebben 'Sport is voor imbecielen'. Een krasse uitspraak die soms bewaarheid lijkt als je ziet hoe fanatiek inderdaad mensen zich aan het kwellen zijn. Een uiting van hen wier levensinstelling het kennelijk is dat ze 'geen deel dan in dit leven wachten'?

De lege blik in de ogen van de fanatieke jogger is een voorafschaduwing van de blik van de dode. Hij heeft nergens oog voor: niet voor de natuur, niet voor de gebouwen, niet voor de mensen. Onverstoorbaar zet hij zijn drieste activiteit voort. Nog beter is de home-trainer: trappen zonder ook maar ergens naar toe te gaan, zonder ook maar de kleinste prikkel te krijgen, om je heen te kijken. Er valt immers niets te zien.
Een nieuwe metafysica, zo zou je de fitnessrage ook kunnen betitelen. Het eigenlijke leven begint pas na de dood, zeiden de orthodoxe christenen. Het eigenlijke geluk begint pas in de socialistische heilstaat, zeiden de strenge marxisten. Het feitelijke leven, daar kwam het in de metafysica altijd op neer, is er een van helaas noodzakelijke ontberingen en offers, maar de pijn daarvan smaakt zoet bij de gedachte, dat eens, in een verre toekomst, zal blijken dat het allemaal niet voor niets is geweest.
Het socialisme is dood en met de religie gaat het ook niet al te goed, maar de fitness-metafysica leeft als nooit tevoren. Het gezonde, geslaagde individu wordt verondersteld zich vrijwillig leed te berokkenen. Dat alles moet een zin, een diepere betekenis hebben, anders breng je zoiets toch niet op?

We laten de conclusie verder voor rekening van de schrijver van het hier geciteerde artikel. Het zet ons wel aan het denken over het leven van veel mensen om ons heen.

Denken aan de toekomst
Dat zult u best weleens doen: denken aan morgen. Je wordt ouder en denkt: hoe lang zal het nog goed blijven gaan. Maar ook als je nog jong bent, speelt de toekomst in je overwegingen heel nadrukkelijk een rol. In 'De Wekker' van 27 september 1991 schrijft dhr. D. Koole in zijn rubriek 'Nader bekeken' daar behartenswaardige woorden over. Hij begint met een opmerking van een jongere, die had gezegd: Gelukkig komt de toekomst maar met één dag tegelijk. Volgens Roole leeft er vandaag onder veel jongeren een sterke betrokkenheid op en duidelijke zorg voor de toekomst. Die zorg wordt opgeroepen door allerlei factoren en heeft te maken met allerlei kanten van onze wereld. Er leeft zorg bij een voortdurende wankelende economie over de te maken beroepskeuze. Verder maakt men zich zorgen over de politieke toekomst van de wereld, maar ook van ons eigen land, juist in verband met toenemende spanningen tussen de verschillende etnische bevolkingsgroepen. Wat jongeren vooral sterk bezighoudt bij hun denken over de toekomst is de hele milieu-problematiek. Is daar nog wel iets aan te veranderen? Zijn we het 'point of no return' intussen niet al gepasseerd?

Verstikkend is de gedachte aan ons natuurlijk leefklimaat. Wie ligt daarvan niet wakker?
Omdat de problematiek gedoseerd op ons toekomt, zijn sommigen misschien nog niet al te erg gealarmeerd, maar wie de totaliteit wat probeert te overzien, kan alleen maar heel erg ongerust zijn.
Hebben de wetenschappelijke en technologische ontwikkelingen de kwaliteit van ons leven geweldig omhoog gebracht, we zitten nu hoogst bezorgd aan te kijken tegen allerlei negatieve neveneffecten van die kwaliteitsverbetering. We lijken ermee in een onomkeerbare situatie terecht te komen. Bodemverontreiniging door het dumpen van afval, verontreiniging van zeeën en rivieren, gaten in de ozonlaag, mede als gevolg van de vuiligheid, die wij dagelijks vanuit onze auto's de lucht inblazen, ontbossing ten dienste van de gigantische hout- en papierindustrie of voor andere doeleinden, met alle klimatologische gevolgen van dien. Gevoegd bij de nucleaire verontreiniging, lijkt het dat wij — en zeker onze kinderen — wel eens het moment zouden kunnen naderen, waarop de natuur niet meer in staat zal zijn zichzelf te reconditioneren. Hoewel ons op dit punt misschien niet alle hoop hoeft te ontzinken. Op één van de mooie warme zomeravonden in de voorbije weken kwamen kinderen mij enthousiast vertellen, dat in de sloot achter het huis, jarenlang sterk vervuild door de aangrenzende warenhuizen, in het water weer kikkers waren gehoord en boven het water libellen waren gezien... Maar wat legt dit alles een psychische last op ons en wat drukt — als het goed is — de verantwoordelijkheid op ons ouderen zwaar als we ons realiseren, met welke erfenis we onze lieve kinderen hun leven laten beginnen. En hoe zij daarin zullen eindigen... Vanuit ons christelijk geloof denken en spreken we vrijwel alleen over dingen die onze persoonlijke verhouding tot de Here God raken. Dat is wel het eerste, maar niet het enige. Ook de verantwoordelijkheid voor, het zorgvuldig omgaan met de schepping van God, met alle levende ziel ook, waarmee God blijkens het zondvloedverhaal een verbond sloot, behoort ertoe. Het zou voor veel jongeren misschien een bemoediging kunnen zijn, wanneer in prediking en catechese duidelijker en overtuigender zou worden gewaarschuwd tegen de arrogantie van de mens, ook van christenen, waarmee op Gods schepping roofbouw wordt gepleegd.

Een zaak, die ook veel zorg geeft, betreft de ontwikkeling van de gezondheidstoestand van veel mensen in de wereld, waarbij de ziekte Aids een angstaanjagende rol speelt. Verder, voor onze jongeren zal het straks, aldus Koole, de gewoonste zaak van de wereld zijn om te leven met mechanische en chemische regulatie van onze voortplanting. Maar een christen zal zich daarbij toch altijd de vraag blijven stellen, of we ons met de moderne methoden van geboorteregeling niet bezig zijn op te stellen tegenover God op een volslagen autonome wijze en of we ons zo niet verwijderen van de natuurlijke orde, waarbij de mensheid vóór ons heeft geleefd.
Echter, als het over de toekomst gaat, geeft voor ons en onze jongeren de meest aangrijpende zorg het geestelijk klimaat, waarin we samen leven en opgroeien.

Misschien moet ons wel het sterkst de vraag benauwen, in welk geestelijk klimaat onze kinderen in de toekomst zullen moeten leven. Meer nog dan op ons zal op hèn de vraag toekomen, hoe zij tegen de achtergrond van wat wetenschap, techniek en menselijke intelligentie in het algemeen, aan gegevens over deze aardse werkelijkheid aan het licht brengen, nog langer op de overgeleverde manier met de bijbelse waarheden en de God van die bijbel menen te kunnen omgaan. In de voorbije periode is veel gesproken en geschreven over de kerkverlating door jongeren en over de oorzaken daarvan. Een heel belangrijke oorzaak was en zal ook in de toekomst zijn, dat veel jongeren de aansluiting missen tussen het christelijk geloof en hun dagelijkse werkelijkheidservaring. Wie nadenkt en eerlijk is, zal erkennen dat het met deze dingen ook niet gemakkelijk ligt. Wordt het met het oog op onze jonge mensen niet hoog tijd, dat we ons naast de nogal abstracte discussies over de actualiteit van de gereformeerde belijdenis en de tijdbetrokkenheid van Schrift, belijdenis en theologie, eens gaan bezinnen op de vraag hoe wij, geleid door Gods Geest, op geloofwaardige en overtuigende wijze aan onze jongeren en aan de wereld om ons heen, duidelijk kunnen maken dat het Woord van God in al zijn facetten ook voor onze tijd voluit geldigheid en kracht heeft? Oude antwoorden die het zogenaamd niet meer doen en nieuwe zienswijzen, die niet acceptabel zouden zijn, kunnen misschien worden vervangen door een nieuwe verfrissende aanduiding van de actualiteit van Gods Woord, in termen die de eeuwige waarheden van Gods Woord geen geweld aandoen en waarin jonge mensen, die geestelijk in een zee van twijfel rondspartelen, weer iets van hoop en licht voor de toekomst vermogen te ontdekken. In termen die de Geest in onze mond legt, komend uit een hart waarin die waarheden echt zijn doorleefd. Dat hebben onze jonge mensen nodig. Dat hebben we trouwens ook als ouderen hard nodig. Want een stukje van de toekomst mag misschien ook nog onze toekomst zijn. Een toekomst, die inderdaad maar met één dag tegelijk komt.

We zouden deze laatste opmerkingen van harte willen onderstrepen, indien de geestelijke toekomst van onze kinderen ons werkelijk lief is. Geen achterhoedegevechten uitstrijden, maar op de echte fronten van onze moderne atheïstische tijd getuigen van de hoop die in ons is. We hebben nog mogelijkheden, er worden ons nog steeds kansen gelaten. Hoewel de tijd lijkt te zijn aangebroken, dat het ons offers zal gaan kosten, willen we onze kinderen en jongeren nog bruikbaar materiaal kunnen blijven aanreiken, nu de overheid in haar bezuinigingswoede haar handen ook gaat aftrekken van echt kerkelijk en bijbels verantwoord jeugd- en jongerenwerk.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 oktober 1991

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

Uit de Pers

Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 oktober 1991

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's