Overwegingen aangaande de toekomst
'Duizendjarig rijk'
Her en der wordt vandaag, in verschillende toonaarden, gesproken over het zogeheten Duizendjarig Rijk. In de wintermaanden van 1989/1990 werd voor de EO-microfoon, in het programma Zicht op Israël, door een keur van sprekers uit reformatorische kerken aandacht aan dit thema gegeven. Het meest kenmerkende daarvan was, dat elke eenstemmigheid ontbrak. Ondergetekende hield toen een tweetal evaluerende lezingen, waarin dat ook tot uitdrukking kwam. Het hoofdbestuur van de Gereformeerde Bond buigt zich van tijd tot tijd, behalve over de gebruikelijke zaken, die zich in kerkelijk verband afspelen, ook over thematieken als deze, teneinde bepaalde geestelijke ontwikkelingen in onze tijd nader met elkaar te doordenken. Het ligt niet op de weg van het hoofdbestuur daarover publicaties het licht te doen zien, behoudens uitgewerkte verhandelingen in uitgaven, die onder auspiciën van het hoofdbestuur verschijnen, zoals in de zogeheten Reformatiereeks. Uitgaande nu van genoemde radiolezingen werd door ondergetekende een schets ontworpen voor bezinning binnen het hoofdbestuur op de betreffende thematiek. Uit deze schets werd genoegzaam duidelijk, dat het uitgesloten is een eenduidig antwoord te geven op de vraag wat de Schrift bedoelt met de periode van duizend jaren, die in Openbaring 20 wordt aangeduid. De bezinning daarover had dan ook eveneens een open einde. Het kan evenwel nuttig zijn om, waar in bepaalde kring soms de schijn wordt gewekt alsof men de steen der wijzen in deze gevonden heeft, duidelijk te maken, dat er die open einden zijn aan de bezinning op dit thema. Over deze zaak is en wordt verschillend gedacht, ook onder diegenen die voluit en onvoorwaardelijk het gezag van de Schrift belijden. Daarom werd binnen het hoofdbestuur vastgesteld, dat het van waarde zou kunnen zijn om de betreffende schets ook ter nadere bezinning, onder bovengenoemde condities, in ons blad te plaatsen. Bijgaand treffen de lezers de tekst. Het ligt in de bedoeling van dr. W. Verboom, de inhoud ervan ook in catechesemateriaal door te vertalen naar de jongeren. De tekst, zoals die hier is afgedrukt, wil niet méér pretenderen dan een aanknopingspunt voor bezinning te zijn. Ondergetekende heeft daarbij weliswaar enige persoonlijke duidingen gegeven, maar pretendeert evenmin hier de 'oplossing' te bieden inzake deze moeilijke, hoewel bijbelse materie.
Welk mens denkt van tijd tot tijd niet na over de toekomst? Voor de één is de toekomst bedreigend, voor de ander lijkt de toekomst hoopvol. Voor diegenen, die hun hoop gevestigd hebben op het evolutionisme, gebaseerd op de evolutietheorie, ontwikkelen de kosmos — en daarmee de mensheid — zich naar steeds hogere vormen. Voor bepaalde typen filosofen is de toekomst somber, is er sprake van een cultuurpessimisme.
De schrijvers in de moderne literatuur geven vaak uiting aan wanhoop of uitzichtloosheid, wanneer zij de toekomst beschrijven. En weer voor anderen reikt de toekomst niet verder dan de dag van heden. Pluk de dag, geniet van het leven, zolang het leven er is, morgen sterven we.
Voor een christen, die wil leven bij het geopenbaarde Woord van God, geldt echter geen doemdenken en geen oppervlakkig optimisme, maar is er alleen plaats voor bijbels realisme. Wat zegt de Bijbel aangaande de toekomst? Als we dan de Bijbel echter nauwgezet gaan bestuderen, blijken we geen pasklaar recept te krijgen. De Bijbel is nu eenmaal niet voorzien van verklarende kanttekeningen, die al die moeilijke Schriftgedeelten, die over de toekomst handelen, nauwkeurig uitleggen. Maar dat mag voor christenen geen reden zijn om niet eerbiedig te willen luisteren naar de Schriften, ook waar het gaat om die zaken, die het toekomstperspectief van Gods rijk naar de toekomst toe betreffen.
Duizend jaren
In dat verband verdient ook aandacht het zogeheten Duizendjarig Rijk. In de Bijbel op zich komt de uitdrukking 'Duizendjarig Rijk' en zeker de uitdrukking 'duizendjarig vrederijk' niet voor. Maar wel wordt over een bijzondere periode van duizend jaren gesproken en wel in Openbaring 20. Daar lezen we:
'En ik zag een engel afkomen uit de hemel, hebbende de sleutel van de afgrond en een grote keten in zijn hand. En hij greep de draak, de oude slang, welke is de duivel en satan en bond hem duizend jaren en wierp hem in de afgrond en sloot hem daarin en verzegelde die boven hem, opdat hij de volken niet meer verleiden zou, totdat de duizend jaren zouden geëindigd zijn. En daarna moet hij een kleine tijd ontbonden worden'.
En vervolgens lezen we:
'Wanneer de duizend jaren zullen geëindigd zijn, zal de satan uit zijn gevangenis ontbonden worden en zal uitgaan om de volken te verleiden, die in de vier hoeken der aarde zijn, de Gog en de Magog, om hen te vergaderen tot de krijg, welker getal is als het zand van de zee'.
Kort samengevat lezen we in Openbaring 20, dat een engel van de hemel komt en de oude slang oftewel duivel grijpt en hem duizend jaren bindt. Zolang die duizend jaren nog niet voltooid zijn, kan hij de volkeren niet meer verleiden, maar daarna moet hij voor een kleine tijd worden ontbonden en krijgt dan nog wel gelegenheid om de volkeren te verleiden. Daarna zal het laatste oordeel zijn en komen de nieuwe hemel en de nieuwe aarde. Wie dan niet geschreven is in het boek van het leven van het Lam, wordt in de poel des vuurs geworpen, dat is de tweede dood, zo lezen we in het tweede gedeelte van Openbaring 20. Gedurende de betreffende duizend jaren regeren de zielen van degenen, die om het getuigenis van Jezus onthoofd waren en het beest niet hebben aanbeden, als koningen met Christus. De martelaren worden dan door God gerehabiliteerd, ze worden weer levend. Dat heet dan in Openbaring 20 'de eerste opstanding'.
Interpretatie
De kwestie is nu, hoe we dit Schriftgedeelte zullen moeten interpreteren. Allereerst zij opgemerkt, dat het boek Openbaring ons geen nauwkeurige beschrijving geeft van de toekomst, maar ons de toekomst schetst in profetisch perspectief. Het boek Openbaring tekent ons de toekomst des Heeren en de ontwikkeling van het Koninkrijk Gods in beeldende taal. Het gaat niet aan alle beelden letterlijk te nemen. De beelden zijn symbolen van een werkelijkheid, zoals die bij God alleen bekend is. Er wordt gesproken over straten van goud en over paarlen poorten, die de eeuwige heerlijkheid bepalen. Er wordt gesproken over het Jeruzalem Gods, dat neerdaalt van God uit de hemel. Er wordt gesproken over engelen, die hun schalen uitgieten op de aarde. Kortom, het boek Openbaring is zo beeldrijk, dat kennelijk woorden tekortschieten om de toekomst, zoals die bij God bekend is, concreet uit te drukken. Gods werkelijkheid gaat onze werkelijkheid te boven.
Welnu, ten aanzien van de duizend jaren, waarin de satan gebonden is, wordt ons ook geen kant en klaar recept voor de uitleg geboden. Daarom zijn in de loop van de geschiedenis de meningen over het 'Duizendjarig Rijk' ook zeer verdeeld geweest. In de loop der tijden hebben altijd mensen een letterlijke interpretatie bepleit. Zij beleden onbekommerd de dubbele opstanding der doden, met daarbij het duizendjarig rijk van vrede op déze aarde. De aanhangers van deze leer, de zogeheten chiliasten, vond men echter vaak meer buiten dan binnen de kerk. Bij de eerste komst van Christus, zo beleden en belijden, zo geloofden en geloven zij, zal een hemels vrederijk op aarde aanbreken, waarvan dan bovendien Palestina het middelpunt zal zijn, omdat dan Israël tot bekering zal komen.
Al vroeg heeft Augustinus zich verzet tegen deze leer van het chiliasme. Voor Augustinus was het volk van God van alle eeuwen en uit alle natiën Israël. De leer van het chiliasme is dan ook in later tijden nooit in enige belijdenis van de kerk opgenomen. Zowel de lutherse als de gereformeerde kerken hebben deze leer zelfs als ketterij afgewezen. De Augsburgse Confessie en de Confessio Helvetica verwierpen met zoveel woorden de 'joodse dromerijen', dat er vóór de laatste oordeelsdag nog een gouden eeuw op aarde zou zijn, namelijk bij de eerste komst van Christus. Als motief voor deze verwerping gold dan inderdaad ook, dat het boek Openbaring geen historisch, maar een profetisch boek is en dat de getallen in het boek Openbaring symbolisch zijn. Het getal duizend —tien maal tien maal tien — duidt op volheid. Christus zal zólang regeren, totdat de dingen tot hun volle ontplooiing gekomen zijn en Gods Raad met kerk en wereld is vervuld. Het ligt dan voor de hand, dat men datgene, wat ons in Openbaring 20 wordt getekend, localiseert in de hemel. Het gaat om een hemels droomgezicht. Er wordt, zo wordt dan ter onderstreping van deze gedachte gezegd, over het lichaam van de zielen, die met Christus regeren, niet gesproken. Van een geluksstaat van de gelovigen op aarde gedurende duizend jaren, aan het eind of na afloop van de nu lopende wereldgeschiedenis en vóór het intreden van de oordeelsdag, is in deze verzen geen sprake (Greijdanus).
Anderen zeggen, dat het Duizendjarig Rijk begon bij de Hemelvaart van Christus, toen Hij Zijn troon besteeg, en eindigt bij Zijn wederkomst, als Hij alle machten zal verdelgen. We leven daar middenin. De Hemelvaartsdag viel om zo te zeggen in het jaar 1. En de doorluchte dag van de Wederkomst van Christus in het jaar 1000 (Ds. H. Veldkamp).
Welnu, het is duidelijk, dat het Duizendjarig Rijk in de loop van de geschiedenis heel verschillend geduid is en wordt onder christenen. De één gelooft, dat we er middenin leven, de ander gelooft, dat we het gehad hebben. Een derde gelooft, dat het nog komen moet op aarde en een vierde gelooft, dat het alleen maar geestelijk, hemels moet worden verstaan.
Andere Schriftplaatsen
Alvorens nu verder op deze thematiek in te gaan, willen we opmerken, dat er veel meer plaatsen in de Schrift zijn aan te wijzen, die handelen over de toekomst des Heeren. En ook dan geldt, dat concrete duiding ervan altijd een menselijk tasten is en niet in het Woord zelf een eenduidige verklaring vindt. We kunnen denken aan 2 Thess. 2. De gemeente van Christus wordt vermaand waakzaam te zijn aangaande de komende dag van Christus. Die zal niet komen, zo wordt gezegd, tenzij dat eerst de afval gekomen is en dat geopenbaard is de mens der zonde, de zoon des verderfs. Van die zoon des verderfs wordt gezegd: 'Die zich tegenstelt en verheft boven al wat God genaamd of als God geëerd wordt, alzo, dat hij in de tempel van God als een god zal zitten, zichzelf vertonende dat hij God is'. Die zoon des verderfs wordt nog weerhouden, wordt nog tegengehouden. 'Die hem nu wederhoudt, die zal hem wederhouden, totdat hij uit het midden zal weggedaan worden. En alsdan zal de ongerechtige geopenbaard worden, welke de Heere verdoen zal door de Geest van Zijn mond en tenietmaken door de verschijning van zijn toekomst'.
Verder wordt dan gesproken over de toekomst 'naar de werking van de satan'; over verleiding van onrechtvaardigheid in degenen, die verloren gaan; over een kracht der dwaling, die God zenden zal, opdat mensen de leugen zullen geloven. De Statenvertalers verwijzen hier zelf al naar andere Schriftplaatsen bij dit op zich ook moeilijke Schriftgedeelte. Gewezen wordt op 1 Thess. 5 : 2: 'Want gij zelf weet zeer wel, dat de dag des Heeren alzo zal komen als een dief in de nacht. Als mensen zullen zeggen: het is vrede en zonder gevaar, dan zal een haastig verderf hun overkomen, gelijk de barensnood een bevruchte vrouw'. Onverwacht komt de dag van de toekomst des Heeren, als een dief in de nacht. Gewezen wordt ook op Daniël 11, waar gesproken wordt over de koning, die doden zal naar eigen goeddunken. Die zal zichzelf verheffen en grootmaken boven alle God en hij zal tegen de God der goden wonderlijke dingen spreken. En hij zal voorspoedig zijn, totdat de gramschap voleindigd is.
Niet zelden wordt ook verwezen naar Matth. 24 : 10-12. Daar wordt voorzegd de verwoesting van Jeruzalem, als het begin der smarten. De discipelen vragen aan Christus, wat het teken zal zijn van toekomst en van de voleinding der wereld. En dan waarschuwt ook Christus, dat men zich niet zal laten verleiden. 'Velen zullen komen onder Mijn Naam, zeggende: Ik ben de Christus' en zij zullen velen verleiden'. Er zal sprake zijn van oorlogen en van geruchten van oorlogen. Het ene volk zal tegen het andere volk opstaan. Er zal zijn een oorlog, hongersnood, gevaarlijke ziekten, aardbevingen. En nog is alles maar het begin van smarten. Degenen, die Christus volgen, zullen worden overgeleverd in verdrukking. Men zal hen doden. Ze zullen gehaat worden door alle volkeren om de Naam van Christus. En dan zullen velen geërgerd worden en zullen elkander overleveren en elkander haten. Vele valse profeten zullen opstaan en zullen velen verleiden. En omdat de ongerechtigheid vermenigvuldigd zal worden, zo zal de liefde van velen verkouden. Christus geeft daarbij echter de belofte, dat wie volharden zal tot het einde, zalig zal worden. En Hij voegt aan deze belofte toe, dat dit Evangelie van het Koninkrijk in de hele wereld gepredikt zal worden tot een getuigenis voor alle volken. En dan zal het einde komen.
Afgebakende periode?
In al deze voorzeggingen, profetische voorzeggingen aangaande de toekomst, is geen sprake van een bepaalde, afgebakende periode van duizend jaren, waarin de satan gebonden zal zijn, zoals in Openbaring 20 het geval is. En toch staan al deze Schriftplaatsen samen in de Bijbel. De draden van het weefsel van Gods toekomst hebben, wat de openbaring naar ons toe betreft, kennelijk losse uiteinden. Maar het totale weefsel is bij de Heere God bekend. Wij hebben derhalve op te passen voor speculatie. Eén ding is echter wel duidelijk, namelijk dat her en der in de Schriften gesproken wordt over de macht, die satan nog zal hebben in de tijd, die hem gegeven is. Weliswaar zegt Coll. 2 : 15, dat de machten door Christus op het kruis zijn overwonnen; Hij heeft over hen getriumfeerd, ze zijn openlijk te schande gemaakt, ze liggen aan de ketting. Maar ze hebben kennelijk nog speelruimte. De satan en zijn trawanten kunnen nog krachten, grote krachten en zelfs wondertekenen doen.
En... de zoon des verderfs zal in de tempel van God aanzitten, zichzelf vertonende, dat hij God is. Wie het dan is, of wàt het dan is, dat hem nog weerhoudt, daarover spreekt de Schrift niet. Daarover is wel gespeculeerd b.v. in die zin, dat de weerhouder zou zijn de ordening van de samenleving door de overheid. Anderen hebben gezegd, dat het zal zijn de Evangelieprediking. In beide elementen zou een aspect van waarheid kunnen zitten, zolang er de volle Evangelieprediking, de volle bediening van het Woord Gods is, zal de satan tegen worden gestaan. En ook overheden kunnen in de dienst van God, als Gods dienaresse, als weerhouders van het kwaad, functioneren. Maar we tasten slechts naar de betekenis van de weerhouder. Zoals we ook tasten naar de concretisering, of de personificatie van de antichrist. Ook daarover is in de loop der tijden al heel wat gespeculeerd. Voor de één was het de Paus van Rome. Voor de ander was het de Volkerenbond. Voor weer een ander is het de Verenigde Naties. Voor weer een ander is het de kerk van Rome, de kerk namelijk, die eigen inzettingen stelt boven de instellingen uit het Woord Gods.
En toch moeten we zeggen: Wij weten niet. Maar we weten wel, dat in de Schriften ook gesproken wordt — en dan zijn we weer bij het boek Openbaring — over het beest uit de zee en het beest, dat uit de aarde opkomt. Het beest uit de zee (Openbaring 13) krijgt de gehele aarde in verwondering achter zich aan (vers 3). 'Ze aanbaden de draak, die het beest macht gegeven had en zij aanbaden het beest, zeggende, wie is dit beest gelijk, wie kan oorlog tegen hetzelve voeren?' Aan dat beest wordt een mond gegeven om grote dingen en godslasteringen te spreken. En het wordt macht gegeven om het 42 maanden lang te doen. Dat beest opent zijn mond om Gods Naam te lasteren en Zijn tabernakelen en die in de hemel wonen. En het beest krijgt macht om de heiligen de oorlog te verklaren en om ze te overwinnen. Het krijgt macht over alle geslacht en taal en volk. En allen, die op de aarde wonen, zullen het aanbidden, welker namen niet zijn geschreven in het boek van het leven van het Lam.
Welnu, de Schrift tekent ons de toekomst des Heeren ook als tijd van verdrukking, van grote verdrukking voor diegenen, wier namen geschreven zijn in het boek van het leven. Maar tegelijkertijd wordt de belofte gegeven: indien iemand in de gevangenis leidt, die gaat zèlf in de gevangenis; indien iemand met het zwaard zal doden, die moet zelf met het zwaard gedood worden. En toch zal sprake zijn van lijdzaamheid en geloof der heiligen.
Verwerping?
We keren nu terug naar de periode van de duizend jaren uit het boek Openbaring. Hierboven is al gesteld, dat in de gereformeerde traditie — zoals trouwens in de traditie van de kerk der eeuwen — grosso modo het chiliasme als dromerij, zelfs als joodse dromerij is verworpen. Maar het is, aldus dr. T. Brienen, een simplisme te beweren, dat er geen enkel zicht is geweest op de toekomst vanuit dit Schriftgedeelte ook.
Wanneer Calvijn zijn gedachten over de toekomst aan het papier toevertrouwt, verwerpt hij enerzijds alle chiliastische visies zonder meer. Hij zegt:
'Ik laat staan, dat hij, dat is de satan, reeds ten tijde van Paulus is begonnen de Opstanding te bestrijden. Maar kort daarna zijn de chiliasten gevolgd, die het rijk van Christus binnen de tijd van duizend jaren bepaald en ingekrompen hebben. Maar hun gedichtsel is kinderlijker dan dat het behoeft, of waard is weerlegd te worden. Ze zijn heel onervaren in alle goddelijke zaken, of ze pogen door een slinkse kwaadaardigheid de ganse genade Gods en de kracht van Christus aan het wankelen te brengen, welker vervulling in niets anders dan daarin gelegen is, dat, nadat de zonde is uitgewist en de dood verslonden, het eeuwige leven ten volle hernieuwd wordt. Maar laat ons deze wauwelaars laten lopen, opdat we niet in tegenstelling met wat we vooraf zeiden, hun dwaasheden een weerlegging waardig schijnen te oordelen'.
Het is met name de Messiasbelijdende jood, mr. Isaäc da Costa, geweest, die Calvijn op zijn visie in deze scherp heeft aangevallen en heeft gezegd, dat het de grote hervormer heeft ontbroken aan een blik in de profetieën, die diep genoeg was om er Israëls toekomst uit te kunnen begrijpen. En toch — en dat noemt dr. T. Brienen de tweesporigheid bij Calvijn — heeft Calvijn ook pósitief gedacht over Israël en zijn toekomst. Alleen heeft hij dat niet in chiliastische kaders gedaan, zoals da Costa dat graag had gewild. Ook Calvijn heeft heel duidelijk gesproken over hoop en toekomst voor Israël, over een mogelijkheid van herstel en een werkelijkheid van bekering.
Zieners
Anderen in de traditie van de Reformatie hebben echter meer dan Calvijn oog gehad voor een concrete duiding van Openbaring 20, ook in de richting van Israël. Als Wilhelmus à Brakel de vraag onder ogen ziet of de joodse natie uit alle gewesten van de wereld en vanonder alle volkeren van de aardbodem, onder welke zij verstrooid zijn, weer bijeenvergaderd zal worden; en of het in het land van Kanaan en alle landen, die aan Abraham beloofd waren, zal komen wonen; en of Jeruzalem nog ooit een keer zal worden herbouwd, dan zegt hij: 'Wij gelóven dat het geschieden zal'. En hij zegt dan heel concreet te geloven, dat Kanaän weer 'uitnemend vruchtbaar' zal zijn en dat de inwoners van Kanaän godzalig zullen leven en dat ze zullen uitmaken 'een deel van de heerlijke staat van de kerk van duizend jaren', die in Openbaring 20 is voorzegd. Wilhelmus à Brakel voorzag dus een periode in de geschiedenis, waarin kerk en Israël samen deel zouden uitmaken van de heerlijke staat van een duizendjarig rijk.
Het is echter niet alleen Wilhelmus à Brakel geweest, die deze visie heeft aangehangen. Ook anderen binnen het gereformeerd protestantisme en met name ook in het Engelse Puritanisme hebben langs deze lijnen gedacht. Verschillende theologen uit de Nadere Reformatie of ook Puriteinse theologen hebben de duizend jaren uit het boek Openbaring niet zomaar vergeestelijkt of symbolisch verstaan. Ze hebben er een concrete duiding in de geschiedenis aan gegeven met daarbij een plaats voor Israël. Het is te begrijpen, dat juist Messiasbelijdende joden als mr. Isaäc da Costa en Abraham Capadose dat hebben gedaan. Maar niet alleen zij hebben dit gezien.
Dat neemt niet weg dat de dóórgaande lijn in de na-gereformeerde traditie toch is geweest afwijzing van een concrete duiding van duizend jaren binnen de grenzen van deze geschiedenis. Niemand minder dan Herman Bavinck bijvoorbeeld heeft alle chiliastische opvattingen, die te maken hebben ook met het geloof in een volksbekering van Israël en een heersen onder de weergekeerde Christus vanuit Palestina onder de volkeren, afgewezen. Toen de volheid des tijds gekomen is, zijn de joden met de heidenen op één lijn gezet, aldus Bavinck. Bavinck is één van de grote, gereformeerde dogmatici geweest, die de vervangingsgedachte heeft gehuldigd, die eeuwenlang door velen in de kerk is aangehangen: de kerk van het Nieuwe Testament, dat wil zeggen de kerk uit de volkeren is in de plaats van Israël gekomen. Dat is echter niet de lijn, die door theologen uit de Nadere Reformatie werd getrokken.
Tweede Wereldoorlog
Is het intussen misschien ook zo, dat de Heere in de loop van de geschiedenis Zelf sluiers oplicht, die nog rondom bepaalde geheimenissen van Zijn Woord hangen; geheimenissen, die om onthulling, om openbaring vragen? In Openbaring 10 : 7 wordt gezegd, dat in de dagen van de stem van de zevende engel, wanneer die bazuinen zal, de verborgenheid Gods geopenbaard zal worden, gelijk Hij Zijn dienstknechten, de profeten heeft verkondigd. Er zijn kennelijk verborgenheden Gods, die de profeten al hebben aangeduid, maar waarvan de onthulling in de geschiedenis zal plaatsvinden.
Moeten we zo niet zeggen, dat God door de ontwikkeling rondom Israël, in de verschrikkingen van de Tweede Wereldoorlog en de periode daarna, de kerk en de christenheid meer zicht heeft gegeven op Zijn handelen aangaande de oudste broeder, aangaande het volk van het oude verbond?
Tasten
In de korte verklaring van de Heilige Schrift, 'Tekst voor tekst', drukt drs. J.J. de Heer zich bij zijn uitleg van Openbaring 20 voorzichtig uit. Hij zegt, dat lange tijd de opvatting van Augustinus doorslaggevend is geweest in de kerk, namelijk dat de satan gebonden werd bij Christus' eerste komst op aarde, met name bij Zijn Opstanding en Hemelvaart. Maar, aldus deze uitlegger, het is moeilijk in te zien, dat de verschrikkelijke christenvervolgingen in het Romeinse Rijk, dat bijna de hele, toenmaals bekende wereld omvatte, plaatsvonden, terwijl de satan gebonden was. Daarom wordt in deze uitleg gekozen voor een mogelijke betekenis van het Duizendjarig Rijk, dat er in de wereldgeschiedenis, behalve perioden van kerkvervolging, ook lange perioden van vrede voor de kerk en voor de verbreiding van het geloof zijn geweest. Het is mogelijk, zo wordt dan gezegd, dat we in de toekomst nog zo'n periode gaan beleven.
Achter Openbaring 20, aldus drs. De Heer, zouden de hoofdstukken Ezechiël 37-39 kunnen liggen, omdat daar eerst van een opstanding der doden gesproken wordt. Deze kan dan worden geduid als periode van herstel van Israël als vrije natie, en dan als een periode van rust voor het volk van God; en daarna van een laatste aanval van satan.
Ook anderen, die het getal duizend symbolisch duiden en blijven duiden — tien maal tien maal tien, het getal van de volheid — spreken dan soms óók wel over een lentetijd op aarde. Dit getal van de volheid roept de gedachte op, dat het tot een afronding komt van de wereldgeschiedenis in een tijdsbestek, waarin de Heere God grote dingen doet. De Messiaanse periode breekt aan. Christus Jezus zal Zijn victorie doen blijken, voordat alles één satanische chaos op aarde worden zal. Dat behoeft niet te betekenen, dat de periode van duizend jaren al voorbij is en evenmin, dat er nog veel van komen moet. Ook in onze dagen, waarin alles zozeer doordrenkt is van de geest van de antichrist en waarin de goddeloosheid en de afvalligheid op aarde hand over hand toenemen, is er telkens – zo wordt gezegd – alsnog het oplichten van de duizend jaren Christusheerschappij, zoals deze er ook in het verleden was.
Deze gedachtengang volgend zou de verademing, die er voor het volk der joden joden is gekomen (sinds 1948 in de staat Israël) na de gruwelen van Auschwitz, van dit alles een teken kunnen zijn. Vraagt de thuiskomst van Israël dan vervolgens — zo wordt gevraagd — niet om een geestelijk herstel van Israël, waarin de Messias van Israël, Jezus Christus, van de kant van Zijn eigen volk weer de eer krijgt, die Hem toekomt? (Ds. C. den Boer)
Maar als in de onderhavige opvatting over verademing gesproken wordt, zou dan in deze gedachtengang ook niet net zo goed kunnen worden gedacht over de gelovigen achter het IJzeren Gordijn, die vandaag weer vrij mogen opademen? Het komt ons echter voor, dat dan toch te weinig rekening gehouden wordt met de bijzondere beloften naar de toekomst toe inzake ook Israël.
Dit gezegd hebbende, haasten wij ons eraan toe te voegen, dat het dàt van Israëls toekomst duidelijk is. Maar het hóe ligt in Gods Hand. De schoot van de geschiedenis verbergt liet geheimenis (Zach. 14).
Voorzichtig
In het bovenstaande is tastenderwijs iets weergegeven van de complexiteit van het bijbels spreken aangaande Gods toekomst.
Wij hebben hier te maken met een geheimenis en treden eerbiedig terug. Elke voorbarige interpretatie zou in strijd kunnen zijn met Gods werkelijke bedoeling met mens en wereld, alsook met het volk van het oude Verbond naar de toekomst toe. Het kan evenwel heilzaam zijn om juist te laten bemerken hoe complex deze materie ligt en hoe in de loop van de geschiedenis langs heel verschillende lijn is gedacht. De dingen liggen niet zo simpel als door sommigen wel wordt voorgesteld. Sommigen hebben als het ware de stukjes van de legpuzzel in de kortste keren in elkaar gelegd. Zij weten nauwkeurig aan te geven hoe elk onderdeel van de Schrift aangaande Gods toekomst in een ander onderdeel past en zo het totale beeld geeft van Gods handelen naar de toekomst toe. Maar nogmaals, daarvoor zijn er teveel open einden in het Schriftgetuigenis.
Zacharia
Kunnen we dan tastenderwijs helemaal niets richtinggevend zeggen? Wie echter eerlijk de Schriften leest, zal tot de overtuiging moeten komen, dat de Heere zijn bijzondere weg ook met het volk Israël zal vervolgen.
Wellicht mogen we Openbaring 20 toch lezen, ook tegen de achtergrond van dàtgene, wat de profeet Zacharia zegt, namelijk dat tien mannen uit de heidenen grijpen zullen de slip van een joodse man en zeggen zullen: 'we zullen met u gaan, omdat we gezien hebben, dat God met u is'.
Het gaat in Zacharia 14 over het hart van Israël en van heel de aarde: Jeruzalem. Aan het komende lot van Jeruzalem is het wel en wee niet alleen van het land Israël, maar van de hele bewoonde aarde gebonden. In de kanttekeningen van de statenvertaling wordt deze profetie van Zacharia weliswaar betrokken op de verschijning van Christus èn op de Kerk, zoals die inzonderheid in het Nieuwe Testament gestalte heeft gekregen. Maar in de joodse uitleg van Zacharia 14 horen de heidenen onder volkeren, die concreet optrekken naar Jeruzalem om met Israël de ene Naam van God als Koning over de hele aarde te erkennen. De kerk mag zich zo bevinden onder de volkeren, die de beweging naar Jeruzalem toe hebben gevonden.
In de jaren 1950-1952 hield wijlen prof. dr. A.A. van Ruler overdenkingen over de profeet Zacharia voor de radio onder de titel 'Het moet voor de wereld'. Bij Zacharia 14 : 9: En de Heere zal tot Koning over de ganse aarde zijn; te dien dage zal de Heere één zijn en Zijn Naam één', zegt Van Ruler:
'Wat zien we nu al zo, wanneer we met de profeten dit toekomstbeeld bekijken? Wij zien dan allereerst de aarde. De Heere zal Koning zijn over de gehele aarde. Onder de uitleggers is verschil van mening over de vraag, hoe we hier vertalen moeten. Men kan het hebreeuwse woord opvatten in de betekenis van de aarde. Men kan ook denken aan het land. Dan is gedacht aan het land Palestina alleen'. 'Nu geloof ik — aldus nog steeds Van Ruler — dat men de ene opvatting met de andere zou moeten combineren. In de atlas van het rijk der heerlijkheid heeft, om zo te zeggen, het land Palestina met bijbelse opvattingen een aparte kleur. Het volk Israël en de stad Jeruzalem en dan ook het land Palestina, zijn èn blijven zeer bijzondere instrumenten in de Openbaring van God en Zijn handelen met de wereld. Van Sion gaat het heil uit. Maar het is aan de andere kant ook geheel in strijd met de bijbelse leer het heil te beperken tot Israël, Jeruzalem en Palestina. Vandaar gaat het uit over de gehele aarde. God zoekt Zijn hele schepping terug. De heerlijkheid van Zijn goddelijk wezen is bestemd voor de gehele aarde'.
Aan het slot van Zacharia 14 lezen we: 'Te dien dage zal op de bellen der paarden staan: de heiligheid des Heeren. En de potten in het huis des Heeren zullen zijn als de sprengbekkens voor het altaar'. Daarover zegt Van RuIer:
'Op de bellen der paarden zal precies hetzelfde komen te staan als wat op het voorhoofd van de hogepriester stond. Dat wil dus ook zeggen, dat in de profetische toekomstverwachting elk onderscheid tussen het sacrale en het profane, tussen het heilige en het gewone, wordt opgeheven. Het is een verrukkelijk vergezicht, wat ons hier geopend wordt.
Misschien is het zo, dat wij nu nog wel enig verschil tussen hoog en laag, heilig en profaan in acht moeten nemen. Een hogepriester en paardetuig staan voor de vorm van onze beleving van de werkelijkheid nauwelijks op één niveau, maar het is wel de bedoeling dat het zo ver komt. Dat kon ons ertoe brengen reeds nu in eerbied en vreugde met de meest gewone dingen om te gaan'.
Openbaring 21
Zou Zacharia 14 dan ook niet kunnen worden gelegd naast Openbaring 21, waarin het gaat over de nieuwe hemel en de nieuwe aarde? Ook daar wordt telkens concreet over het nieuwe Jeruzalem gesproken. Dat Jeruzalem daalt neer van God uit de hemel. In die stad is geen tempel, want de Heere de almachtige God is haar tempel en het Lam is haar kaars. De stad heeft de zon en de maan niet nodig, dat die in haar zouden schijnen, want de heerlijkheid van God heeft haar verlicht. En de volken, die zalig worden, zullen in haar licht wandelen. Maar dan komt ook verder concreet de aarde in beeld. Want gezegd wordt, dat de koningen der aarde hun heerlijkheid en eer daarin brengen. In die stad komt overigens niet iets binnen, dat verontreinigt en gruwelijkheid doet en leugen spreekt. Alleen diegenen zullen ingaan in die stad, die geschreven zijn in het boek van het Leven van het Lam.
Ook in dit Schriftgedeelte komen aardse contouren in het blikveld. Dingen, die op de aarde gebeuren, hebben kennelijk betekenis voor het Koninkrijk Gods naar de toekomst toe en alles balt zich hier toch samen in Jeruzalem, het hart van de volken, de navel van de wereld.
Welnu, èn in het laatste Bijbelhoofdstuk èn in het laatste hoofdstuk van het boek Zacharia gaat het telkens om Jeruzalem. In Zacharia 14 wordt de naam Jeruzalem wel tien keer genoemd. Jeruzalem was èn is een concrete stad. Zacharia is daar in zijn profetieën ook concreet van uitgegaan. We horen hem spreken over de Olijfberg en de Benjaminpoort en de Hoekpoort en hij wist waar dat alles gelegen was. 'Niet dat die concrete stad bij hem het één en het al was, waar hij uiteindelijk bij was uitgekómen. Maar hij is er zeker wel van uitgegáán. En vanuit dit concrete Jeruzalem heeft Zacharia naar de toekomst gewezen, naar het einde der tijden. Maar toch naar een tijd, die ligt binnen de grenzen van de tijd. Maar tegelijk horen en zien we al hoe het licht van andere zijde binnenvalt. Jeruzalem is gezet in een glans, die niet van onze wereld is, niet van deze aarde' (H. Vreekamp).
Moeten we uit dit alles niet zeggen, dat zo in allerlei beelden in de Schrift hemel en aarde als het ware telkens ineenschuiven? Vanuit de hemel daalt het nieuwe Jeruzalem op de aarde neer. Ook het hemels Jeruzalem schuift zo onze tijd binnen, maar blijft wel de naam Jeruzalem dragen.
Slotopmerkingen
Het chiliasme is in de loop der tijden, als gezegd, wel getypeerd als dromerij, als joodse dromerij. Daarom is de benaming chiliasme' op zich een beladen term geworden in de geschiedenis, zeker binnen kerken van gereformeerde signatuur.
Nu is het chiliasme historisch gezien inderdaad van joodse oorsprong. Maar is het niet merkwaardig, dat juist in de oude kerk het de joden-christenen waren, die de overtuiging van het chiliasme hebben bewaard, omdat zij geloofden in de komst van een Messiaans rijk, dat op aarde zal komen en in Openbaring 20 met de duizend jaar omschreven wordt? En hebben toch niet theologen als Wilhelmus à Brakel en Theodorus van der Groe, die aan het aardse Jeruzalem, in het kader van het herstel, het geestelijk herstel van Israël, een plaats hebben toegekend als het gaat om die periode van duizend jaren, een bijbels recht van spreken gehad?
Zou het dan ook niet zo zijn, dat we de duizend jaren, in Openbaring 20, weliswaar moeten zien in het licht van de beeldtaal en de getallensymboliek van het boek Openbaring, terwijl de duizend jaren toch èn een aardse èn een hemelse betekenis hebben? Schuiven aarde en hemel toch niet op een bepaalde wijze in elkaar?
Het totale Schriftgetuigenis laat ons weten, dat het aan het einde der tijden moeilijk zal zijn; dat satan grote macht zal hebben; dat er sprake zal zijn van ongekende macht van de duivel, van anti-christelijke tendensen, van vervolging, van rampen, van oorlogen, van uitbrekende ongerechtigheid, zoals gruwelijke dingen in de Tempel des Heeren. Anderzijds weten we van de machten, die onttroond, die verslagen zijn op het kruis van Christus, in dat unieke moment in de geschiedenis toen Christus heeft uitgeroepen: 'Het is volbracht'.
Tegelijkertijd weten we ook van de onopgeefbare beloften, die ook in het Woord aanwezig zijn ten aanzien van Israël. En daarom ligt in Openbaring 20 een boodschap, die ten diepste wil zeggen, dat we de geschiedenis moeten blijven zien, als het terrein, waarop God handelt, als het toneel, waarop Israël en de volkeren hun van God gegeven rol, tot het einde toe mogen spelen. Het is dan niet van belang om een concrete periode van duizend jaar nog te verwachten. De hervormde theoloog uit de vorige eeuw Van Oosterzee zei:
'De langste nacht is voorbij, maar toch is nog de volle dag niet gekomen. Onwillekeurig denken we aan het veertigdaagse tijdperk tussen de Opstanding en de Hemelvaart van Christus. Ook Zijn gemeente heeft thans haar Golgotha achter zich en haar Olijfberg dicht in het oog, zonder die nog bestegen te hebben. Haar vijanden zijn teruggedrongen, maar nog niet vernietigd. Het ligt in de aard der zaak, dat het rijk der duisternis niet kan rusten, voor het een reusachtige concentratie van zijn laatste krachten heeft beproefd. Maar toch blijven we geloven in een toekomst, waarin Christus als Koning zal heersen over Israël en over de volkeren'.
Te boven
Hoe het duizendjarig rijk echter ook geplaatst moet worden in de geschiedenis, het gaat uiteindelijk toch ook weer al het aardse te boven. De toekomst van de kerk en van Israël is uiteindelijk méér dan een aardse toekomst.
De periode van duizend jaren uit Openbaring 20 brengt ons niet tot joodse, puur aardsgerichte dromen. Dat gebeurt bijvoorbeeld wel in de moderne theologie, waarin het Rijk Gods geheel in hiet en nu wordt getrokken, zelfs aardse contouren heeft. Het hemelse is verdwenen. We zijn op weg naar een heilstaat op aarde. In dat opzicht vinden chiliastische dromerijen en marxistische ideologieën elkaar vaak in het aards perspectief, dat wenkt; in het vrederijk, dat op aarde in het hier en nu te verwachten is. Maar de Kerk des Heeren weet, vanuit de Schriften, van het hemelse èn het aardse, van het aardse èn het hemelse, die op elkaar ingrijpen. En in de aardse bedeling strijden het rijk van de antichrist en het Koninkrijk van Jezus Christus met elkaar, of liever is de strijd gaande tussen Christus en de machten. Maar uiteindelijk heeft Christus over de machten getriomfeerd en dus zal de geschiedenis uitlopen op het doel, dat God zelfheeft gesteld. En we mogen weten, dat Israël ook in die toekomst delen zal langs een weg, die bij God bekend is, maar die Hij ook heeft beloofd.
Het komt goed, in die zin, dat Christus garant staat voor een nieuwe of vernieuwde schepping, waarin het ook helemaal weer goed zal zijn, al gaat het ook door het oordeel heen. En, hoe dan ook, Hij zàl Koning zijn van dat Koninkrijk en Hij zal er ook de vrede, de diepe volle vrede van gaan uitmaken. Het Lam is de kaars, die het nieuwe Jeruzalem verlicht. En de volken, die zalig worden, zullen in haar licht wandelen. Tot die volken zullen Israël en de heidenvolkeren behoren. Samen zullen zij optrekken naar Jeruzalem. Het laatste woord over de periode van de duizendjaren, over de binding van satan en over het loslaten van de boze is niet gezegd.
Het staat alles in het teken van de strijd tussen Christus en de machten.
Maar we weten: het is volbracht. Christus heeft overwonnen. Hij is Triomfator. Hij is Koning over Israël en de volkeren. Hij zal doen ingaan in dat Koninkrijk, dat bij Hem als de Messias van Israël hoort, de gekómen en wéérkomende Christus. Lof zij Zijn Naam. Hij is goed.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 oktober 1991
De Waarheidsvriend | 20 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 oktober 1991
De Waarheidsvriend | 20 Pagina's