De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Uit de Pers

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Uit de Pers

13 minuten leestijd

Een dichter aan het woord
Niet ieder zal zijn naam direct herkennen, ook al lezen we weleens gedichten. Ik heb het over de dichter Guillaume van der Graft, schuilnaam voor Willem Barnard. Onder de laatste naam is hij bekend als medewerker aan de Nieuwe Psalmberijming en het Liedboek voor de Kerken. Vorig jaar augustus werd hij zeventig jaar. Ter gelegenheid daarvan verscheen een Liber Amicorum 'Leven in zinsverband' geheten. Vorige week stond in 'Vrij Nederland' van 19 oktober 1991 een gesprek van Bibeb met hem. Op zich opmerkelijk voor een weekblad dat zich zeker in zijn literaire afdeling nooit inlaat met schrijvers die maar iets christelijks aan zich hebben. Uit dit uitvoerige interview lichten we enkele sprekende fragmenten:

Citaat uit gedichten: 'Zet de angst af, ergens sta onder stroom / ik kan mij niet bewegen.'
'Gij die de aarde geleidt / blijf van mij af / zet de angst af / zet de tijd stil.'
'Allemaal met mijn eigen handgeschreven, / allemaal met mijn eigen leed geleden.'

Langzaam met bleke lippen: 'Toen ik met vervroegd pensioen ging had ik met m'n hond in het bos kunnen wandelen. Maar ik dacht: ik heb talent, ik heb zoveel aantekeningen van preken. Geschreven om naar te luisteren, nu moet ik ze opnieuw schrijven, zodat ze kunnen worden gelezen. Dat boek kwam er en daarna weer een en weer een. Zo heb ik mij eruit gewerkt. Je moet voorkomen dat het leven z'n ritme verliest. Dat is de wreedheid van het huidige hedonisme. Al die reclames van doen waar je zin in hebt.
Alles wordt gezien als object, ook de mensen gebruiken elkaar voor genot. Men zuigt elkaar uit op genot. Het leidt tot teleurstelling, wurgende eenzaamheid.
De radio-omroepers zeggen altijd: 'Prettige dag'. Ik wacht op een omroeper van de EO die zal zeggen: 'Op je knieën, prijs de Schepper'.
De mensen lopen zo droevig verloren door het leven. Het najagen van het genot heeft ze niet gelukkiger gemaakt. In de jaren vijftig ging ik wel naar de bioscoop. Maar vijfentwintig jaar geleden heb ik een film gezien van Ingmar Bergman. Ik wil niet zeggen dat hij je in de maling neemt, maar daarna heb ik nooit meer een voet in de bioscoop gezet.
We hebben geen televisie, we hebben nadrukkelijk behoefte eraan ons leven te vereenvoudigen. Katinka en ik leven nu introvert. Ik vind dat we een stijl van leven hebben bereikt die voldoet. Maar tevens voel ik me in een sociaal vacuüm. Het liefst praat ik met mensen die een tweezijdige belangstelling hebben voor literatuur en theologie en die twee niet los van elkaar. Dat doe ik te weinig. Je ontmoet elkaar op begrafenissen maar ik vind de sfeer na afloop zo kwetsend opgewekt, zo van de gestorvene heeft de tol betaald.'

Het gesprek wordt vervolgd naar aanleiding van een citaat uit een gedicht over de dood. Eerst volgt het fragment met Van der Grafts kanttekeningen daarbij.

Citaat uit gedicht: 'Ik zal de grond ingaan, ik zal de grond ingaan. Honderd regels zal ik schrijven / tot straf zal ik overblijven. In de grond ben ik alleen onverstaan, steen of geen steen.'
'Als mensen echt iets voor me betekend hebben, blijven ze terugkeren in m'n dromen. Gisternacht heb ik nog ontzettend gezellig gewan­deld met een vriendin die al dertig jaar niet meer leeft. Maar de dood is een belediging van God.'
Roerloos zwijgend na mijn antwoord. Tenslotte met intense emotie in zijn zachte stem: 'Ik denk, als ik een totale heiden was, dat ik er veel meer in zou berusten. Ik wil er niet in berusten. Ik wil dat de dood er niet is. De sterfelijkheid is er omdat de tijd er is, althans de tijd zoals wij die kennen. Maar er is een wijze van bestaan waarin de tijd anders verloopt. Nu kan ik niet verder denken', zegt hij verward, onzeker. 'Er is geen houvast meer.' Dan: 'Ik vraag me af waarom ik pessimist ben. Eigenlijk omdat ik in de grond van de zaak optimist ben, omdat ik een optimistische voorstelling heb, een onverklaarbare overtuiging dat er een paradijs zal komen, waar mensen wandelen in het licht. Ik kan niet geloven dat alles verzinkt in de zwarte dood. Daarom ben ik bang voor de dood. Hij is de vijand, hij is wat de mensen elkaar aandoen. Hij is een macht, geen toestand. Ik ben christen. Wie is Christus? Hij is degeen van wie wij zeggen dat hij door de dood is heengegaan. Als de Messias komt, zal alles anders worden, dan zal iedere regering moeten aftreden, alle fabrieken zullen worden stilgelegd.
Ik heb een keer gedroomd dat de Messias kwam. Ik woonde in Amsterdam en ging spoorslags naar Zandvoort om te zien of de zee er ik nog was. De zee was er niet meer. Ik keek tot op de lichte grond van het bestaan. Ik denk dat het een openbaring was.
Het kerkje in Rozendaal. Ik vond het zo heerlijk de bijbel te lezen. Er kwamen veel mensen uit gereformeerde kringen die zich in het geloof niet gelukkig voelden. Ze kenden het Oude en Nieuwe Testament heel goed. Als ik begon voor te lezen, kanttekeningen te plaatsen, zagen ze de oude verhalen in een nieuw licht. Ik heb voor die mensen echt heel veel betekend.'

Wie deze opmerkingen over de dood leest, komt vanuit onze schriftopvatting terstond tot afwijzende tegenopmerkingen. Toch vind ik het waardevolle in dit fragment dat beseft wordt hoe tegenstrijdig de dood in wezen is met het leven dat God schiep. Al te haastig berusten in de dood als lot dat ons treft, bevat meer heidendom dan we vaak beseffen. In de Psalmen proeven we soms heel duidelijk de strijd die de vrome heeft met het geweld van de dood en merken we intens het verlangen om te mogen leven tot eer van God.
Tenslotte laten we u nog iets lezen uit het slot van het interview waar opmerkelijke uitspraken worden gedaan over abortus en euthanasie en over de taal van de Schrift.

In Verzameld vertoog schreef je: 'Als een abortus plaatsvindt, gebeurt er iets met een vrouw, met een mens die een naam heeft. Men geeft wat nog geen naam heeft prijs. Maar waarom wordt er zo anoniem, massaal en abstract over gepraat.'
'Ja kijk, ik kan me voorstellen dat de beslissing, die ontzettend ingrijpend is voor een vrouw, in tranen wordt genomen. Maar dat gekwek erover stoort me intens. Gekwek alsof het over iets abstracts gaat. Ik weiger hierover meer te zeggen. Dat geldt ook voor euthanasie. We hebben geen levens te beëindigen. De doodstraf is afgeschaft. Professor Dessaur, een joodse vrouw, is er niet voor niets tegen.
Een heleboel ellende wordt veroorzaakt door over de mens te rooskleurig te denken. Maar 't is zeker niet zo dat alle calvinisten zo zijn als ze in de halve Noordnederlandse literatuur werden geportretteerd. Die literatuur komt voort uit afkeer van een gereformeerde opvoeding. Men zwelgt in rancune, maar ik heb nooit die treurige dwingelandij meegemaakt. Niet thuis en ook niet op de lagere school.'

Week later. Bij hem thuis. Op de vloer, aan zijn voeten, een grote Statenbijbel, ongeveer hon­derd jaar oud. 'Deze is uit het kerkje in Rozendaal.' Volgt een met verve verteld verhaal. Hij ontdekte bij een antiquair een Statenbijbel uit 1651. Was van een oude eenzame man geweest die zichzelf doodde. De boedel werd verkocht. 'De antiquair zei: "Je mag die bijbel hebben voor vijfentwintig gulden maar alleen als je hem hem in het kerkje van Rozendaal gebruikt". En daar ligt hij nu. Ik las daar uit voor. De nieuwe vertaling gebruikten we niet. Het verschil is zo groot. Als van een sprookjesverteller en een nieuwslezer van het ANP. Die hedendaagse vertaling, de taal geeft mij een gevoel of een kruiwagen met grint wordt uitgestort. Alle geheimzinnigheid is weggevaagd, wat overbleef lijkt op een verzameling gemengde berichten.'

Van der Graft zegt ergens in het gesprek: Ik heb geprobeerd van preken en gebeden verbale gebeurtenissen te maken, alle gemeenplaatsen vermijdend. Je kunt van dichters vaak heel veel leren, in ieder geval dit: eerbied voor de taal, voor het woord. Een eerste vereiste zeker voor iemand die vindt dat het Woord het doet in de kerk.

Dichter bij het Woord
Dat blijft intussen een voortdurende worsteling voor hen die er wekelijks ernst mee maken om zo de Schriften te laten spreken dat er communicatie ontstaat. Ik weet ook wel dat dàt uiteindelijk het werk van de Heilige Geest is. Wij kunnen het Woord niet van kracht laten worden in de harten van de hoorders. Dat ambt behoudt de Geest aan Zichzelf Anderzijds kunnen we wel de Geest bedroeven als we zo weinig zorg besteden aan de overdracht dat de Geest nauwelijks werken kan. De laatste tijd wordt begrijpelijkerwijs nogal veel aandacht geschonken aan het communicatieproces in de verkondiging. Niet dat daar alle oplossingen van te verwachten zijn, maar er valt wel wat te leren van de communicatieleer. Ik kom daarop omdat in 'Rondom het Woord', de Theologische Etherleergang van de NCRV, 33e jaargang nr. 3 (september 1991) een gesprek te lezen valt met de Gereformeerde predikant dr. J. Rinzema. Er verscheen van hem recent een publicatie over dit thema onder de titel 'Het verhaal verder vertellen'. Komt het nog over wat we als bekend trachten over de dragen?

'Geloof is nooit wetenschappelijk aan te tonen, net als de ervaringen die ik met God heb gehad. Als Job zegt: "Ik weet dat mijn Verlosser leeft", en kan de agnosticus vragen hóe hij dat weet. Het antwoord daarop kan dan alleen zijn, op grond ­van zijn ervaringen, dat hij zich het leven zonder God niet voor kan stellen.
Dit ligt voor ieder mens weer anders. Je denkt misschien dat je je prima zonder God redt. Dan verstaan wij elkaar op dit punt natuurlijk niet. Misschien denk je dat je dit ook wel zou willen hebben. Dan kom ik terecht bij de uitspraak van Wittgenstein over het onderscheid tussen de gelovige en de ongelovige mens: "Mijn vriend is ziek. Hij beschouwt deze ziekte als een louteringsproces dat hem door God wordt gegeven. Ik kan mij hier totaal niets bij voorstellen. Ik denk dat hij alleen maar pech heeft gehad". Aan deze constatering voegde hij nog toe: "De gelovige en de ongelovige mens leven in een andere wereld. Het is niet zo dat zij over 80 procent van de dingen gelijk denken en over 20 procent van de dingen een andere visie hebben. Zij zien 100 procent anders.'

Rinzema acht het nodig te komen tot een herinterpretatie van allerlei woorden die tot voor kort bij velen nog bekend waren. Dat is zeker nodig in de communicatie met niet-gelovigen.

'Ten tweede moet ik mij oefenen in argumenten, die voor buitenstaanders begrijpelijk zijn. Dat betekent dat ik in het gesprek met buitenstaanders geen beroep kan doen op autoriteit. De bijbel zegt immers... of als u de Heilige Geest had, zou u weten dat... zijn uitspraken die uit den boze zijn. Want die persoon kent de bijbel niet en weet niet wat de Heilige Geest is. Wittgenstein zegt in dit verband: "Wij kunnen eigenlijk niets bewijzen, wij kunnen wel proberen te overtuigen". Daarvoor moeten wij een beroep doen op gevoelens en verlangens, waarvan wij denken dat ze bij anderen aanwezig zijn.
Dat brengt mij op het probleem van de codetaal. ledere taalvorm is een spel met codewoorden. Penalty, buitenspel en goal horen bij de voetbalsport. Deze codes moet je kunnen uitleggen aan mensen die er niets van weten. Kun je dat niet, dan krijgen die mensen de indruk dat het een raar spel is waar geen enkele logica in bestaat en waar het alleen maar irrationeel toegaat. Zo heeft ook het geloof zijn codewoorden, zoals zonde, verzoening, heiligmaking en drieëenheid. Een belangrijke taak van de christelijke prediking is om de bruikbaarheid van deze termen aan te tonen voor het eigentijdse bestaan.'

Je kunt dat op verschillende manieren doen, aldus dr. Rinzema.

'Er zijn verschillende methoden. Je hebt de methode van de confessionele restauratie-theologie, die zegt dat het oude goed is. Als mensen daar niet aan willen, bewijst het alleen maar hoe slecht de wereld is. Men kan er een bepaald elan aan ontlenen door te zeggen: "Het is duidelijk dat we in het laatste der dagen leven. Er komt een tijd dat de mensen de zondeleer niet meer verdragen en zich naar eigen begeerte tal van leraars bijeen zullen halen. In die tijd leven wij". Dan is de oppositie tegen het christelijk geloof het bewijs van het eigen gelijk. Ik vind dat een paradoxale toestand, waar ik liever niet in zit.
De tweede weg in de theologie is om al het oude weg te gooien. Alles wordt anders. Ik verdenk de zogenaamde genitief-theologie ervan (theologie met een tweede naamval, zoals de zwarte theologie, de vrouwen-theologie, de flikker-theologie en de bevrijdingstheologie), dat ze de traditie van tweeduizend jaar op de mesthoop willen gooien. De waarheid begint bij hen. Ik vind dat een ernstige aantasting van je eigen geloofwaardigheid. Als tweeduizend jaar lang mensen op een dwaalspoor zaten, wie zegt dan dat het licht bij óns begint? Het is een typisch sectarische redenering.'

Hoe dan wel? Daarop geeft hij het volgende antwoord.

'Waar ik naar streef, is de oude termen opnieuw te vullen, te herinterpreteren, handzaam te maken. Zo hadden we het op catechisatie eens over het woord verzoening, dat we bekeken als "ver-zoen-ing". Het betekent dan dat je elkaar weer een zoen kunt geven.
Op een bijbelkring die ik leidde, kwam ter sprake dat verzoening veronderstelt dat je een conflict hebt. Ik vroeg de mensen te vertellen welke conflicten ze hadden gehad en hoe ze die hadden opgelost. Tot mijn ontsteltenis zei de hele groep dat ze eigenlijk nooit conflicten gehad hadden en een redelijke verstandhouding hadden met hun medemensen. Ik vond dat we er toen eigenlijk niet over konden praten, want als je niet weet wat een conflict is, weet je ook niet wat verzoening is. Op die manier probeer ik begrippen duidelijk te maken.
In de dienst op Paasmorgen werden twee aangenomen kinderen uit de Derde Wereld gedoopt. Tijdens de preek zei ik dat niet alleen zij adoptie-kinderen zijn, maar wij allemaal. In de Heidelberger Catechismus staat: "Christus is de enige natuurlijke Zoon van God en wij zijn uit zijn genade tot kinderen aangenomen". Op zo'n moment gaat het leven.
Er hangen tal van mooie instrumenten in de kast, die wij "de verzamelleer der dogmatiek" noemen. Die instrumenten moeten weer gaan spelen. Dat kan voor mij alleen als ze mij raken.'

De intentie die achter deze pogingen zit, kunnen we waarderen en zal ook als habitus bekend dienen te zijn bij allen die in het proces staan van de overdracht van het bijbelse erfgoed naar een komende generatie zo doordrenkt vaak van een geseculariseerd denken over God en het geloof. Mij valt tenminste bij navraag op catechisatie en preekbespreking heel vaak op dat 'zender' (= prediker) en 'ontvanger' (= gemeente) elkaar passeren als schepen in de nacht of mist: je hoort en ziet wel iets, maar je hebt elkaar niet werkelijk ontmoet.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 oktober 1991

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

Uit de Pers

Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 oktober 1991

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's