De praktijk der godzaligheid (1)
De praktijk der godzaligheid
Van 29-31 mei dit jaar werd op De Burght een conferentie gehouden over het thema 'Reformatorisch Reveil?!' Dr. C. den Boer, studieleider van de Theologische Hogeschool van de Gereformeerde Bond, heeft daar gesproken over de praxis pietatis, de praktijk der godzaligheid. In twee afleveringen plaatsen we zijn referaat. Red.
Veel meer dan een woord van 'encouragement' (bemoediging) behoeft een inleiding over de praktijk van godzaligheid niet te zijn. Veel minder mag ze niet wezen. Daarom zouden mijn woorden ruimschoots aan hun bedoeling beantwoorden, als u al luisterend, een gevoel van opwekking zou krijgen, een sterke begeerte om uzelf geheel aan de Heere en Zijn dienst te wijden, op elke plaats waar God u heeft gesteld.
Een Bijbelse noodzaak
De 'praxis pietatis' is een veelbesproken onderwerp. Vooral in de tijd van de Reformatie en de Nadere Reformatie en in opwekkingsdagen is er grote nadruk gelegd. Als de kerk wakker werd uit een donkere nacht van verduistering in de leer, van verstening en verdorring in de geloofsbeleving en van verslapping en verslonzing in de orthopraxie. Ook in onze tijd, nu veler ogen opengaan voor de noodzaak van een Reveil, zien we de vraag naar een levensechte geloofsbeleving en een daadwerkelijk christendom hand in hand gaan. En het is daarom immers vooral, dat we hier ook zijn samengekomen.
Wat ik erover wil zeggen, hangt niet zo zeer aan een historisch belang van de zaak, hoe goed het ook is daarop te letten. Niet direct een historische noodzaak, maar vooral de bijbelse noodzaak van de praxis pietatis en de betekenis daarvan in het geloofs- en gemeenteleven vandaag inspireren me. Want al zou er van een nood der tijden in het geheel geen sprake zijn, dan nog worden wij geroepen tot een leven, waarin 'oprechtheid en vroomheid ons behoeden'.
Wat de grens en de aard van mijn opmerkingen betreft, wil ik daar nog aan toevoegen, dat ik me vooral zal richten op wat we zouden kunnen noemen: werkers in het Koninkrijk van God. En dat ik niet meer te bieden heb dan pastorale vingerwijzingen. God heilige ze aan mijn en uw harten.
I HET WERK DER BEDIENING
Opdat gij zoudt verkondigen...
Het eerste dat ik wil zeggen is, dat een dienaar van het Evangelie (ambtsdrager of anderszins) een speciale roeping heeft tot een leven in praktische godsvrucht. Elke christen heeft godvrezend te zijn. Een voorganger in de gemeente in het bijzonder. Juist omdat hij bemiddelaar tussen God en mensen is. Een kanaal waardoor het heil van God naar mensen toe kan stromen. 'Gij ziet uw roeping, broeders'.
Wij staan in de heilige traditie van de apostolische bediening. Dat betekent dat ook ons de 'dispensatio' van Gods heil is toebetrouwd. Bij Christus' geboorte (in de velden van Efrata), in Christus' lijden (Gethsemané), bij Christus' open graf (Pasen) en op de Olijfberg (Hemelvaart), heeft God Zijn heilige engelen als eerste verkondigers van het heil laten optreden. Maar met Pinksteren zijn het mensen die erop uit trekken om te getuigen van de ene Naam tot zaligheid. De Geest schakelt mensen in. Opstandingsgetuigen als Petrus. Een ontijdig geborene als Paulus. Maar voorts ook allen die door bekering en geloof banden hebben gekregen aan de levende God en aan Christus Jezus. 'Maar gij zijt een uitverkoren geslacht, een koninklijk priesterdom, een heilig volk, een verkregen volk; opdat gij zoudt verkondigen de deugden van Degene die u uit de duisternis geroepen heeft tot Zijn wonderbaar licht... (1 Petr. 2 : 9). 'Gij ziet uw roeping, broeders'.
Wij staan in de heilige traditie van de overdracht van Gods heilgeheim aan allen die het maar horen willen. 'Economen', huisverzorgers Gods noemt Paulus ons. Rentmeesters over het hoogste goed, dat wat tot de eer van God en tot de ziel en de zaligheid van mensen dienstig is (1 Kor. 4 : 1, 2 Kor. 2 : 14 vv.). Ambtsdragers zijn daartoe geordend. Elk gemeentelid is daar ook toe geroepen. In een harmonische samenhang en samengang tussen het ambt en het ambt aller gelovigen.
De schrik des Heeren/de liefde van Christus
Welnu, er zijn minstens twee dingen die een econoom in het Koninkrijk van God kenmerken. Hij weet van de schrik des Heeren. En hij is gedrongen door de liefde van Christus. Wie die twee dingen kent, kan niet zwijgen. Wie ze niet kent, kan niet recht spreken. De schrik des Heeren, want vreselijk is het als een onbekeerd mens in de handen van de levende God te vallen. De liefde van Christus. Want Die is zo ontzagwekkend diep, dat een zondaar die boetvaardig tot God komt, er nooit in uitgestudeerd raakt.
Het zijn deze twee dingen — in een goede samenhang en samengang tussen die beide — die het christenleven stempelen. En die twee zijn het ook die de dienst uitmaken in het Koninkrijk van God. Zij maken het leven vroom. Zij maken ons tot Gode gewijde mensen, mensen met een praktijk van godzaligheid.
Onder Israël oudtijds waren de priesters in de tempel in zo'n positie gesteld. Zij reikten God en mens de hand in het werk der verzoening, in hun voorbeden voor het volk, in het onderwijs aan de mensen. Daarom waren ze afgezonderden, heilig de Heere. Zij moesten altijd eerst verzoening doen voor de zonden van zichzelf Zij moesten Godgewijd gekleed zijn.
Zij moesten zelfs zonder lichamelijk gebrek wezen. Laat ons het cultisch/voorbijgegane in alle ceremoniële bepalingen omtrent die priesters aftrekken. Maar laat er ons ook uit leren, dat in de dienst van God een totale en algehele toewijding van kardinaal belang is. Als de Heere u of mij een taak geeft in Zijn Koninkrijk, zal Hij van uw diensten geen goed gebruik kunnen maken, als u niet 'tamim' (volstandig/volkomen/rechtschapen, totaal toegewijd — Matth. 5 : 48). 'Neig mijn hart en voeg het saam tot de vrees van Uwe Naam.'
De schrik des Heeren, de liefde van Christus (2 Kor. 5 : 11 vv.). 'Gij ziet uw roeping, broeders'.
Onze motivatie
Dat is het eerste. De praktijk van godzaligheid in het leven van die dienen mag in gemeente en Koninkrijk van God, is vooral een zaak van een persoonlijke vrezen van Gods Naam en van een hartelijke liefde van Christus. In een gegrepen zijn door de boodschap waarmee wij op pad gaan. 'Wij weten, dat we van de dood overgegaan zijn in het leven'.
Maar ze is vervolgens, als het goed is, ook de gloed van onze bediening. Graf Von Zinzendorf zei: 'Ik heb maar één hartstocht en dat is Hij, slechts Hij'.
Als wij preken, catechiseren, pastoraat beoefenen, brengen wij een boodschap. Het grootste heil voor de grootste zondaar. En achter die boodschap mogen wij gans en al schuilgaan. We moeten dat zelfs. We zijn niet meer dan 'His Masters Voice'. Zaakgelastigden die opkomen voor de glorie van de drieënige God en die worstelen om het behoud van zondaars. Wij leggen niet onze bekering aan als een maatstaf voor iedereen. J.C. Ryle schrijft: 'Er is nooit een dienaar geweest die veel gedaan heeft voor de bekering van mensen of hij heeft veel gesproken over de gekruisigde Christus. Luther, Rutherford, Whitefield en M'Cheyne waren allen heel in het bijzonder predikers van het kruis. Over deze prediking wil de Heilige Geest Zijn zegen geven. 'Degenen die het kruis eren wil Hij eren' (J.C. Ryle, Het hart van het Christelijk geloof, blz. 92).
Als wij dit doen, vallen we er dus radicaal en helemaal tussen uit. Het gaat niet 'om onze kracht of godzaligheid' (Hand. 3). Een van de grootste gevaren die iemand die dient in Gods gemeente bedreigen, is dat hij een ongezonde aandacht vraagt voor zichzelf. En laat ons dan niet vergeten, dat wij allemaal die neiging hebben. Er eer mee willen inleggen, het beter dan anderen willen doen, de gevierde man willen zijn, een hoofdrol spelen, dat zit ons diep in het bloed.
Laat ons ons gedurig toetsen op het punt van onze roeping en er ons bewust van zijn, dat we God niet dienen 'uit eerzucht, hebzucht... of enige andere begeerte, maar alleen uit een oprechte vreze Gods en een begeerte om de kerk te stichten'. Aldus J. Calvijn in de Institutie (over de roeping tot het ambt). Of om het te zeggen met enkele treffende woorden van W. à Brakel over de zending en roeping van de dienaren van het Woord (Redelijke Godsdienst, I, 646 v, 650, 636, 660). Een rechte dienaar van Christus wordt gekenmerkt door: 'een bijzondere liefde tot Christus om Hem bekend te maken, tot de kerk om die als een reine maagd Christus toe te bereiden..., en tot de zielen, zowel van de onbekeerden om ze uit het vuur te rukken, als van de bekeerden om ze te sterken, te troosten en gedurig zielevoedsel te geven'. Als iemand door het predikambt in aanzien wil komen, aldus à Brakel, kan hij beter schoenlapper worden. 'Daar is geen gruwelijker schepsel onder de zon dan een leraar die zichzelf beoogt'. Ook als hij dat doet door zich de naam van een geleerde op de kansel te verwerven. Wat dat betreft is 'ieder woord Latijn op de preekstoel een pond vlees'.
Wees erin
Nogmaals, iemand die in Gods gemeente recht wil dienen, mag helemaal wegkruipen in de boodschap die hij brengt. Ja, maar toch betekent dat niet, dat hij er niet tegelijk ook helemaal in mag wezen. Dat kan in feite ook moeilijk anders. Uit de communicatiewetenschap weten we dat de persoon van de mens in het woord dat hij spreekt altijd een rol speelt. Meer dan in het algemeen gedacht wordt. Een depressieve dominee zal depressief overkomen, ook al overschreeuwt hij zichzelf met veel verbaal geweld. Een jeugdwerkleider die contact-arm is, zal koud en afstandelijk overkomen, ook al houdt hij een toespraak die klinkt als een klok. Een ouderling die zelfde kinderzegen moet missen, zal in het algemeen op huisbezoek bij gehuwden die geen kinderen kunnen krijgen, een luisterend oor vinden. Een evangelisatiewerker die uit eigen ondervinding de onderwereld kent, zal minder angst hebben in zijn contacten met mensen in de gevangenis, dan iemand die altijd een 'fatsoenlijk leven' leidde.
Maar het is maar niet een les uit de communicatiewetenschap die ons moet leren, dat wij ook als werkers in de gemeente er altijd zelf in zijn. Gods Woord gebiedt het ons. Zo ergens dan is het in ons bezig-zijn met mensen, dat wij godzaligheid aan de dag zullen leggen. Paulus wekt zijn jonge broeder Timotheüs (in zijn brieven aan hem) herhaaldelijk op met hart en ziel bezig te zijn in Efeze. Dat betekent niet, dat Timotheüs op alle straten zijn bekering moet gaan verhalen om daardoor fiducie te wekken voor zijn boodschap. Nee, hij moet er helemaal in zijn, met een godvruchtig gemoed, met een tere ziel, met een gelovig hart, maar ook met een gave toewijding aan God en aan de zaligheid van mensen. Hen toeroepen: Geloof in de Heere Jezus Christus, omdat we ook zelf ondervonden hebben, welk een kracht Gods tot zaligheid het Evangelie is. 'Wees erin' ('isthi in het Grieks), aldus Paulus tot zijn jonge broeder in 1 Tim. 4 : 15. Erin opgaan. In zelfverloochening. En dat zal zeker ook gaan, als we — om met Calvijn te spreken — net als Timotheüs, de godsvrucht met de melk van onze moeder hebben ingedronken.'
Wellicht was Timotheüs van huis uit een wat bedeesde man, niet vrij van mensenvrees, een ietwat verlegen kind, een beetje mensenschuw. Wellicht had hij een stevige leiding van de kant van zijn vader gemist. En dat kan hem afgeremd hebben in zijn werk. Uit psychologische overwegingen zou hij hebben kunnen afgaan in een sollicitatiegesprek voor evangelist in Efeze. Maar een zekere verlegenheid in het gigantische werk dat een dienaar in de gemeente moet verrichten, behoeft een mens niet te ontsieren. Het is oneindig veel beter dan het geschreeuw van grootmonden die van alle markten thuis zijn, die steeds hun woordje klaar hebben en nooit geleerd hebben naar een ander te luisteren. Daar zijn al wat gemeenten aan stuk gegaan. Geloof dat. Als wij in Gods Koninkrijk dienen willen, past ons in alle gevallen: ootmoedigheid en zachtmoedigheid. Dat zijn de beste kenmerken van 'praxis pietatis'. Dat zal aan onze dienst aroma geven. Ook al missen wij wellicht een aantal natuurlijke eigenschappen die anderen bezitten, ook al zijn we niet zo goed van de tongriem gesneden, zelfs al weten we nog niet precies te vertellen de dingen die ons van God geschonken zijn. Het zij ons genoeg altijd klein van onszelf te denken en groot van onze Meester. En laat daardoor onze dienst voor God er één zijn van onbevreesdheid, van gematigdheid, bezonnenheid. Wie zelf constant onder de tucht van het Woord leeft, gaat niet gemakkelijk buiten zijn schoenen lopen door zelfoverschatting.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 oktober 1991
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 oktober 1991
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's