De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Globaal bekeken

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Globaal bekeken

6 minuten leestijd

Tijdens een kerkhistorische reis naar Rome (zie ook mijn openingartikel) gaf één der deelnemers het volgende door uit 'Het boek der martelaren':

• Laurentius, de diaken, te Rome op een rooster verbrand
(jaar 252)
'Toen Xystus, bisschop te Rome, uitgeleid werd om gedood te worden, ontmoette hem Laurentius, een der voornaamste diakenen van de gemeente te Rome, die hem aldus aansprak:
"Waar gaat gij henen, o vader, zonder uwen zoon?" waar henen priester, zonder uw dienaar?" waarop Xystus antwoordde: "Ik verlaat u niet, mijn zoon, gij hebt zwaarder strijd te wachten voor het geloof; gij zult mij na drie dagen volgen. Als gij intusschen iets bezit in deze schatkisten, deel het den armen!" Uit die woorden maakte men op, dat hij een grooten schat van de gemeente in bewaring had, zoodat hem door den stadhouder te Rome bevolen werd, dat hij dien te voorschijn moest brengen. Om al de schatten bijeen te zoeken, verzocht hij drie dagen tijd en bracht toen alle arme, ellendige lieden, die van aalmoezen leefden, als: kreupelen, blinden en dergelijken te zamen, toonde deze den stadhouder, en verklaarde dat deze de schatten en rijkdommen der gemeente waren. De stadhouder hield het er voor, dat men met hem spotte, en liet daarom Laurentius op een rooster leggen, met een klein vuur er onder. Toen zijn lichaam aan de eene zijde geblakerd was, zeide hij met groote vrijmoedigheid tot den tiran: "Keer dat gedeelte van mijn lichaam, hetwelk gebraden is, om en verteer het." Zeker iemand bracht dit gezegde aldus in rijm:
Genoeg is deze kant
Gebraden en geraakt
Wend mij nu om en proef, tiran,
Of 't rauw of braen best smaakt.
Door de genadige versterking Gods waren hem de kolen als rozen en als eene verkoeling en verfrissching in zijn lijden. Na voor het romeinse rijk en zijne vijanden geleeden te hebben, ontsliep hij, onder groote volharding, in den Heere, in het jaar onzes Heeren 252.'


Tijdens genoemde reis werden ook de twee volgende ontboezemingen doorgegeven van Michel Angelo, de befaamde beeldhouwer/schilder uit de 16e eeuw, die o.a. de fraaie plafondschilderingen in de Sixtijnse Kapel maakte:

• Uit de tijd van 1524-1526
'Ik leef voor de zonde, mijzelf afstervend leef ik;
Reeds is dit niet mijn leven, maar een overgeleverd aan de zonde.
Het goede in mij is mij door de hemel geschonken, het kwade heb ik uit mijzelf,
Uit mijn ongeremd willen, waarvan (1) 'k beroofd ben.
Slaafs is mijn vrijheid, sterfelijk is het goddelijke
Door mij gemaakt. O rampzalige toestand!
Voor welk een ellende, tot welk een leven ben ik geboren!'

• Uit een latere tijd
'Reeds is de loop van mijn leven
In een bewogen zee op een broos schip
De gemeenschappelijke haven dicht genaderd, die overschrijdend
Men verantwoording heeft af te leggen van elke slechte en vrome daad.
Vandaar dat ik de gloedvolle fantasie
Die mij de kunst maakte tot afgod en heerser,
Nu goed ken, hoe zij beladen was met dwalingen,
En dat, wat elk mens zijns ondanks verlangt.

De liefdesgedachten, altijd al ijdel en bekoorlijk,
Wat doen zij nu, nu ik nader tot de dubbel dood?
Van de ene ben ik zeker en de ander bedreigt mij.

Schilderen noch beeldhouwen vermag iets, dat gerust stelt
De ziel, gericht op die goddelijke liefde,
Die aan het kruis de armen spreidt om ons op te nemen.'

Uit: Michelangelo van H.A. Enno van Gelder

(1) "waarvan" slaat op het goede of de hemel, waarvan hij afgedwaald is.

Foto: Michel Angelo: de schepping van de mens.


Hier volgend nog twee foto's van het befaamde Concili van Trente en de kerk waarin deze werd gehouden.


In 'bijbel en wetenschap' (uitgave Evangelische Hogeschool) gaf drs. N.C. van Velzen de volgende uitspraken van Luther over (christelijk) onderwijs door:

1. Voor alle dingen moet in de scholen voor hoger en lager onderwijs de Heilige Schrift de belangrijkste lesstof zijn, die bovendien voor iedereen verplicht is.
2. God heeft ouders kinderen gegeven en voedsel daarbij, niet met de bedoeling, dat zij daar alleen voor zichzelf plezier aan zouden beleven of dat zij hen zouden opvoeden om er in de wereld mee te kunnen pronken. Hun is in alle ernst bevolen, dat zij ze zouden opvoeden in de dienst des Heeren.
3. Ouders, let er vooral op, dat u uw kinderen een goede opvoeding geeft. Kun u dat zelf niet, vraag en zoek andere mensen, die het wel kunnen en vind het niet erg, dat het u geld, moeite en arbeid kost.
4. De predikanten moeten de mensen vermanen, dat zij hun kinderen naar school sturen, opdat men jongelui zal opvoeden, die geschikt zijn om in de kerk en elders te regeren.
5. Ouders moeten hun kinderen naar school sturen, omdat God het wil en zij moeten hen toerusten om in de dienst des Heeren te staan, opdat God hen ten nutte van anderen kan gebruiken.
6. Sommige leraren leren de kinderen helemaal niets uit de Heilige Schrift, andere leren de kinderen niets anders dan de Heilige Schrift wat allebei verkeerd is. Het is nodig de kinderen het begin van een christelijk en godzalig leven bij te brengen. Toch zijn er daarnaast nog tal van redenen hen ook andere boeken voor te leggen met het oog op hun taalbeheersing.
7. Een onderwijzer moet kunnen zingen, anders heb ik geen respect voor hem. De jeugd moet men steeds oefenen in de kunst der muziek, want dat kweekt fijne, bekwame mensen.
8. Als ik geen predikant was, zou ik geen stand op aarde weten die mij liever zou zijn dan die van schoolmeester. Men moet er dan echter maar niet op letten, hoe de wereld dat ambt beloont en wat zij ervan denkt, maar hoe God het beschouwt en prijst.
9. Kinderen zijn het liefelijkste pand in het huwelijk. Zij binden de band der liefde hecht aaneen en maken die stevig. Het is de beste wol aan het schaap.
10. Als de scholen bloeien, gaat het goed en blijft de kerk een eerlijk instituut, als tenminste de leer zuiver is. Jonge leerlingen en studenten zijn het zaad en de bron van de kerk. Terwille van de kerk moet men christelijke scholen hebben en bewaren, want God houdt Zijn kerk In stand door middel van scholen en scholen houden de kerk in stand. Zij zien er wel niet zo mooi uit, maar zij zijn wel zeer nuttig en nodig!'


Uit een blad namen we het volgende over van de bekende pianist Arthur Rubinstein.

'De pianovirtuoos Rubinstein brak tijdens een hofconcert op een keer midden in zijn spel af. De Tsaar, die zich in de zaal bevond onderhield zich luidruchtig met zijn omgeving en dat stoorde Rubinstein. Uiteraard viel er na het plotseling beëindigen van het pianospel een pijnlijke stilte in. En toen sprak Rubinstein met fijne ironie: "Waar mijn Keizer spreekt, zal ik zwijgen".'

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 oktober 1991

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

Globaal bekeken

Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 oktober 1991

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's