De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

De dagelijkse levenspraktijk (2)

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

De dagelijkse levenspraktijk (2)

De praktijk der godzaligheid

7 minuten leestijd

Tot nu toe heb ik uw aandacht gevraagd voor wat ik het hart van de 'praxis pietatis' zou willen noemen in het werk der bediening dat ons is toebetrouwd.
Ik wil me nu een ogenblik met u bezinnen op de vraag, hoe de praxis pietatis wordt geoefend in onze persoonlijke omgang met God thuis, in ons gezin en niet in het minst ook in een dagelijkse levensheiliging als voorgangers van een gemeente.

Bijbellezen/bidden
Welnu, in de eerste plaats moet ik daarbij wijzen op een regelmatig en grondig bezig-zijn met de Bijbel. Wij kunnen niet wandelen met God, als we ons niet dagelijks oefenen in het onderzoek van Gods Woord. Wie de Schriften selectief of slordig leest, kan niet groeien in de gemeenschap met God. En wie op adem wil komen, moet in het beademingscentrum van Gods Geest zijn, het Woord. Dat zal ons wijs maken tot zaligheid. Dat zal ons tot telkens nieuwe verwondering brengen.
De Schrift is 'via vox', levende stem van de levende God. We vinden er het eeuwige leven in. We komen er nooit in uitgestudeerd. Ze is Evangelie dat ons hart verkwikt. Maar net zo goed ook wet van God, waardoor we leren hoe we leven moeten, tot in de finesses. Hoe goed en nuttig is het om elke dag van ons leven te beginnen met een overdenking van het Woord van God. Aan de hand van een goede Bijbelcommentaar. De Wesleys — dat zult u weten — waren voor dag en dauw uit hun bed en begonnen de dag met Bijbelstudie en gebed, urenlang. 'Morning tryst'.
Verder is daar het gebed. Het valt mij wel eens op, dat mensen die in de voorste linies van de kerk dienen, niet goed raad weten met het persoonlijk gebed. Zij besteden meer tijd aan het drinken van koffie dan aan bidden. Het valt te vrezen, dat ze meer verwachten van hun activiteiten dan van God. Al spoedig raakt dan ook de spankracht uit hun bezigheden weg. Ze kunnen niet stil zijn tot God. Maarten Luther zei eens tegen Melanchton, toen hij diens overvolle agenda zag: 'Jij gaat dood; jij kunt niet heilig luieren voor God'. Hans Bürki (Wupperthaler Studienbibel op 1 Timotheüs, S. 21) vertelt van een zendeling die door al te grote inspanning uitgeput raakte. Maar zijn inspanningen namen ook een grotere omvang aan dan hij met zijn gebed kon bevatten. Als wij geen gezond geestelijk leven onderhouden, kunnen wij onze werkzaamheden niet volhouden. Wij moeten op zijn tijd uit-blazen, soms ook uit-zuchten. Anders wordt de g(G)eest uitgeblust.
Praktijk van godzaligheid beoefenen in onze gebeden zal ook betekenen dat wij in ons bidden voorrang verlenen aan onze naasten. Voorop mag staan: de lofprijzing van God. De toonzetting mag zijn die van diepe ootmoed. Maar als ik zelf in mijn bidden aan de beurt kom, dan altijd samen met de ander. Geef ons... leerde Jezus ons bidden in het volmaakte gebed. Daarom nemen voorbeden in ons gebedsleven een voorname plaats in. Concreet a.u.b. Niet in algemeenheden vervallen dus (bidden voor zieken, voor vervolgden, enz.). Als wij in ons bidden niet de nood van de gehele wereld op onze nek kunnen hebben, laat ons dan in elk geval de nood dragen van hen die God op onze weg bracht en die Hij ons op de ziel bond (Mark. 2 : 1 vv.).

Het gezin
Praktijk van godzaligheid. Hoe kan ze bestaan, als ze niet als een zuurdeeg door heel ons bestaan trekt? Ook door dat van ons gezin. Onze echtgenoten, onze kinderen zijn de eersten die er ons op mogen nakijken, of we op straat c.q. in de gemeente geen vrome verhaaltjes vertellen. John Bunyan (Christenreis) vertelt van iemand die op straat een heilige, maar thuis een duivel was. Ra, ra... Er zijn werkers in Gods Koninkrijk die lastdragers willen zijn op elk terrein, maar thuis lastposten zijn. Hun kinderen zijn eraan gewend geraakt, dat ze nooit thuis waren. En ze vonden het zelfs beter. Als vader een zo veel-jarig jubileum zal vieren, waarop hij publiek bedankt wordt voor alles wat hij in kerk en wereld heeft verricht, willen ze nog wel aanwezig zijn. Overigens was er nooit tijd voor een echt gesprek. Problemen thuis werden met een handomdraai — tijdens de maaltijd — afgedaan. Aldus een veelgehoorde klacht. Hoe komt het, dat het verschijnsel van kerkverlating geen halt heeft gehouden bij de deuren van de huizen waar ambtsdragers wonen? Ik weet het, dat afval van de levende God in de vroomste gezinnen voorkomt en dat godvrezende ouders met de beste opvoeding niet altijd voorkomen kunnen, dat hun kinderen net als iedereen gaan samenwonen of echtscheiden. Wij moeten ons zelf echter wel afvragen of godsdienst bij ons thuis iets meer is dan hardop het Onze Vader aan tafel bidden. Hebben wij de onzen al wel eens verteld, wat de levende God voor ons betekent en waarom wij ons aangewend hebben om een deel van onze vrije tijd ter beschikking te stellen van Zijn dienst? Hoe erg, als — om met Calvijn te spreken — 'in onze dienst geen majesteit van God gezien wordt'.

De gemeente
Praxis pietatis is een zaak van ons dagelijks bestaan. Als de Geest van Pinksteren ons wederbaart, heiligt Hij geheel ons leven. Hij verlicht het verstand. Hij geeft de wil een andere levensrichting. Hij vertedert het hart. Hij zalft onze lippen. Hij maakt in Gods wegen onze gang en treden vast. Dat houdt ook in, dat een christen niet meer blindelings door het leven kan gaan. 'Kijk eens om je heen' (project HGJB). Hij moet een diakonaal mens zijn. En dat betekent ook, dat hij het hart niet vol kan hebben van verlangens naar positieverbetering, promotiekansen, comfort en gemak. In onze consumptiemaatschappij die steeds verder vermaterialiseert en verindividualiseert, waar de liefde van velen verkild is, is christendom dat een armoede-ideaal koestert en gaven wereldwijd wil delen een 'must'. Zonden, ook die van het moderne heidendom zetelen op de bodem van ons hart. En wie ze ontdekt heeft en er de strijd tegen heeft leren aanbinden, die heeft het handvat gevonden om ook op politiek en sociaal terrein tegen de zonden in de structuren te vechten.
Geldt dit alles van christenen in het algemeen, hoeveel te meer ook van voorgan­gers in de gemeente. Zij moeten zelf zo'n instelling hebben en ze moeten het hun gemeente leren. En hoe zouden we dat onze gemeenten kunnen leren, als we niet beginnen binnen die gemeente de rechte 'koinonia' te betrachten: aandacht voor elkaar te hebben, alles onder elkaar te delen. En hoe zouden we dat elkaar kunnen leren, als in een gemeente twist en wrok, haarkloverijen en afgunstigheden de boventoon voeren? Als mensen elkaar meer naar beneden praten (NT: 'katalalein') dan geestelijk opbeuren. Daar is geen vertroosting meer in Christus, geen troost der liefde, geen gemeenschap des Geestes, geen innerlijke bewegingen en ontfermingen. Want er is geen eensgezindheid, geen liefde, geen eenheid van gemoed en gevoelen (Fil. 2 : 1v).
Eén voorganger of ambtsdrager kan op dit punt heel wat roet in het eten strooien. Maar hij kan ook door genade een stempel zetten op het gemeenteleven, door zelf zijn gemeente voor te gaan in ootmoed en nederigheid. Ph.J. Spener riep in zijn 'Pia Desideria' zijn ambtsbroeders toe: 'Laat ons gedenken, dat eenmaal niet zal gevraagd worden, hoe geleerd we geweest zijn en (deze geleerdheid) aan de wereld voorgelegd hebben; in welke gunst der mensen we geleefd hebben... hoeveel wij voor de onzen aan schatten van aardse goederen hebben verzameld en daarmee de vloek over ons gehaald hebben; maar hoe trouw en met welk een eenvoudig hart we het rijk Gods hebben getracht te bevorderen; met welk een reine en godzalige leer als ook waardig voorbeeld, in versmading der wereld, zelfverloochening, opnemen van het kruis en navolging van onze Heiland wij de stichting van onze toehoorders gezocht hebben, met welk een ijver wij ons niet slechts tegen de dwalingen, maar ook tegen de goddeloosheid des levens verzet hebben... 'Van de kerkvader Basilius verhaalt Spener, dat 'zijn rede en leer was (in kracht) als een donderslag, omdat zijn leven was als een bliksem'.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 31 oktober 1991

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

De dagelijkse levenspraktijk (2)

Bekijk de hele uitgave van donderdag 31 oktober 1991

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's