De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Genieten of genotzucht

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Genieten of genotzucht

Grondhouding in de waardering van het aardse

9 minuten leestijd

De vraag of een mens genieten mag lijkt een overbodige. Ongetwijfeld hebben mensen de eeuwen door genoten van de grotere en de kleinere dingen in het leven, van hun kinderen en kleinkinderen, van ontmoetingen en ontdekkingen, van boeken en van kunstproducten, van rust en van arbeid. Ongetwijfeld is de natuur daarin zelfs vaak sterker geweest dan de leer. Maar toch, er is de eeuwen door verschil geweest in grondhouding als het gaat om de waardering van de goede dingen van het leven, die ons gegeven en gelaten zijn. Met name in onze Westeuropese cultuur, waarin het Evangelie van meet af een grote plaats heeft gehad, is dat verschil in grondhouding de eeuwen door aan de dag getreden.
Met name de grondhouding van Augustinus heeft eeuwenlang in de christelijke cultuur doorgewerkt. De aardse dingen mochten wel worden gebruikt maar het genieten ervan was door vele vraagtekens omgeven. Om het met Latijnse woorden te zeggen: wel utere (gebruiken) niet frutere (genieten). Het leven lag toch in meerdere of mindere mate onder de druk van het komende gericht. Dat heeft heel vaak ook de kunstuitingen in de cultuur gestempeld. In 1893 heeft de bekende schrijver Louis Couperus Rome voor het eerst bezocht en daarna nog meerdere malen. Hij heeft zijn bevindingen daaromtrent te boek gesteld. In het betreffende boekje spreekt hij dan over 'de sombere zuidziel'. Hij bedoelt daarmee te zeggen, dat in de kunstuitingen van de middeleeuwse wereld in Europa de sombere tonen overheersen. Hij spreekt over Dante, de beroemde schrijver — de hel van Dante! — die nooit gelachen heeft. Hij spreekt over de boeteprediker Girolamo Savonarola, 'de hater van Florences levensvreugd'. Hij noemt ze samen 'zonen van het sombere Zuiden'. Hij spreekt over 'de immense droefgeestigheid' van het Laatste Oordeel, het meesterwerk van de beeldhouwer/schilder Michelangelo in de Sixtijnse Kapel in Rome. 'De ziel van het zuiden kan somber zijn, de ziel van Michelangelo is het altijd geweest', zegt hij.
In deze grondhouding is genieting van het leven, vreugde om de aardse dingen verre.


Couperus spreekt dus over 'de levensvreugde van Florence', waartegen Savonarola optrad. Florence stond namelijk model voor de zogeheten Renaissance (wedergeboorte) in de kunst. In de Renaissance brak door 'een machtig vizioen van lachende kleuren en stralende zon'. Dan vallen bij Couperus uitdrukkingen als 'levensvreugde' en 'een eindeloozen roes van genot'. Het 'sombere Zuiden' maakte plaats voor het 'Land van de Zon'.
In de tijd, waarin Luther zijn innerlijke worsteling om een genadig God doorleefde, aangevochten als hij werd vanwege de schrik van het gericht, riep Ulrich von Hutten in blij optimisme uit: 'de studiën bloeien, de geesten ontwaken, het is een lust om te leven'. En Erasmus keerde zich tegen Luthers visie op de verdorven wereld. Kenmerkend voor de schilder Rafaël was verder bijvoorbeeld 'de blijde overgave aan het leven'.
Intussen stonden zowel 'de sombere zuidziel' als de 'levensvreugde van Florence' in een context, die gestempeld was door het Evangelie. Dat wil zeggen, dat deze grondhoudingen niet los stonden van verworvenheden, die met de doorbraak van het Evangelie in deze gewesten gegeven was, de vergroeiingen en het middeleeuwse bijgeloof ten spijt.

Onze tijd
Onze eigen tijd echter is gekenmerkt door een losweken, een afgroeien van de verworvenheden van het Evangelie in onze cultuur. We treffen nog slechts hoogstens restanten van deze verworvenheden aan. Maar dan dóór en dóór geseculariseerd.
Onze tijd is intussen gekenmerkt door ongebreidelde consumptiedrift, door ongekende genotzucht. Genotzucht is de geperverteerde zijde van het rechte genieten. Treffend was in dit verband wat de dichter Guillaume van der Graft (Willem Barnard) zei in een interview in Vrij Nederland (zie de Persschouw van ds. J. Maasland in het vorige nummer). Hij spreekt over de wreedheid van het moderne heidendom en zegt dan: 'alles wordt gezien als object, ook de mensen gebruiken elkaar voor genot. Men zuigt elkaar uit op genot...' En verder: 'de mensen lopen zo droevig door het leven. Het najagen van genot heeft ze niet gelukkiger gemaakt.'

Onze cultuur is een genotscultuur geworden, met alle oppervlakkigheden en voosheden van dien. Mensen jagen van het ene genot naar het andere maar het einde is steeds weer de kater. Pluk de dag, geniet van het heden want morgen sterven we. Maar de leegte is groot. Het genot bevredigt niet. Er zit geen levensdiepte in. Het hart blijft onrustig. Verder is in die genotscultuur het egoïsme troef. Het materiële domineert. De één verrijkt zich of bevoordeelt zich ten koste van de ander. De jacht naar weelde en luxe is een kenmerkende component van de genotscultuur. Nooit genoeg, altijd meer, altijd duurder en nog weelderiger. En de mensen worden er niet gelukkiger van, zegt Willem Barnard.

Genieten
Is genieten op zich dan in strijd met de christelijke grondhouding? Dat zij verre. Genieten is iets anders dan genot(szucht). Calvijn heeft ooit krasse taal gebezigd toen hij sprak over de verachting van het tegenwoordige leven. Vóórdat men echter een eindconclusie trekt omtrent deze uitdrukking van Calvijn diene men te bedenken, dat hij deze wereld anderzijds ook zo positief heeft gewaardeerd, dat hij zich ook uitvoerig heeft beziggehouden mèt en uitgelaten óver bijvoorbeeld de politieke inrichting daarvan. Maar het tijdelijke leven ligt bij Calvijn wel onder de koepel van het eeuwige leven. En is dat niet voluit bijbels?


Nergens komen we in de Schrift tegen, dat we het leven op zìch moeten verachten. Dan zouden we uit de wereld moeten gaan. Maar wel wordt het opgaan in de wereld, het leven naar de schema's van de wereld tot in de wortel ontmaskerd als goddeloos.

De rechte genieting blijft in de Schrift evenwel recht overeind.
De Prediker spreekt over het 'genieten van de arbeid.' Hij heeft ook gezien, 'dat zulks van de hand Gods is.' Het is een gave Gods! (Pred. 3 : 13).
Een mens mag het goede genieten ten dage van de voorspoed (Pred. 7 : 14).
'Geniet het leven met de vrouw, die gij liefhebt al de dagen van uw ijdele (dat wel!) leven, die God u gegeven heeft onder de zon.' 'Al uw ijdele dagen', wordt er intussen nòg eens achter gezegd.
En Paulus schrijft in de brief aan Timotheüs, dat alle schepsel Gods goed is. Er is niets verwerpelijk, 'met dankzegging genomen zijnde'. Dat zegt Paulus nota bene in een verhandeling over de afval in de laatste tijden. In het laatst der dagen zullen er leugensprekers zijn, die gaan verbieden om te trouwen en gaan gebieden zich te onthouden van spijzen, 'die God geschapen heeft, tot nuttiging, met dankzegging' (1 Tim. 4 : 3, 4). Hier krijgt elke kloostergeest de doodsteek, ook wanneer die zich vandaag in modern gewaad voordoet.
Maar in dezelfde brief vermaant Paulus wel de 'rijken in deze tegenwoordige wereld' hun hoop niet te stellen op het ongestadige van de rijkdom, 'maar op de levende God, Die ons alle dingen rijkelijk verleent om te genieten'.


De wereld kent levensgenieters, die opgaan in genotzucht. De Bijbel weet van de rechte genieting van het leven, van de dingen, die God verléént en die met dankzegging gebruikt mogen worden.
Het rechte genieten heeft dan de lichtende rand van de eeuwigheid aan zich. Dat genieten onderschèìdt zich van genotzucht. En het is altijd weer een kwestie van geestelijke onderscheiding om te onderkennen wáár sprake is van geestelijk gebruiken en genieten en wáár van wereldse genotzucht. De Prediker, die enerzijds over de genieting van het leven spreekt, weet er anderzijds ook van, dat al onze werken in het gericht komen. Dat geeft de rechte ernst aan het leven. Als Christus ten gerichte komt, zal Hij Zijn kinderen echter een heerlijkheid doen bezitten, 'als het hart van een mens nimmer zou kunnen bedenken', (art. 37 N.G.B.). Die vreugde begint al hier en zal niet haaks (mogen) staan op wat hier van het leven hier en nu genoten wordt met dankzegging.

Onthouding
Als de Schrift intussen (op vele plaatsen) waarschuwt voor het genot van de rijkdom, dan komen wel onze consumptiedrift en genotzucht, het jagen naar weelde en luxe in het blikveld. We begonnen dit artikel met de grondhouding ten aanzien van de waardering van het goede van deze aarde in de Middeleeuwen en de Renaissance. Toen ging het, hoe dan ook, nog om een westerse cultuur, waarin het Evangelie lichtend aanwezig was. Nu vandaag het Evangelielicht in onze cultuur zo goed als uitgedoofd is, komt het aan op de wijze, waarop de christelijke gemeente voorbeeldig is naar de wereld toe. Als de christelijke gemeente vandaag ook gekenmerkt zou zijn door louter opgaan in welvaart en weelde, in het jagen naar geld en goed, dan zullen christenen er niet gelukkiger bijlopen dan de wereld, om in het woordgebruik van Willem Barnard te blijven. Als ook niet duidelijk wordt dat het vertrouwen elders ligt, zal er geen getuigenis naar de wereld uitgaan.
Mozes verkoos dan ook ten diepste liever met het volk Gods kwalijk behandeld te worden dan de genieting der wereld te hebben. Vraagt zo'n grondhouding vandaag ook niet om een zekere ascese, om onthouding van dingen die een naam hebben in de wereld? Dat is iets anders dan wereldmijding. Het is wel het mijden van de genietingen van de wereld, ook waar die zich uiten in een weelderig levenspatroon. Maar dat laat het rechte genieten van Gods gaven onverlet.
Prof. dr. A.A. van Ruler schreef een boekje, getiteld 'Vertrouw en geniet'. Daarin zegt hij (n.a.v. Psalm 104 : 24):
'Zo moeten we ook de dingen aanzien: ze zijn allemaal van God; de hele wereld is Gods wereld. De dingen zijn niet van lager orde.
Zo moeten we ze ook gebruiken. En niet alleen gebruiken, maar ook genieten. Als Gods eigendom. En wij zelf erbij. Wij zelf zijn ook niet van onszelf. Wij zijn van God.
Wanneer wij zo onszelf en alle dingen aanzien, dan wordt het gehele bestaan, ons hele omgaan met de dingen, ons verkeren in de tijdelijke en zichtbare wereld, tot liturgie, tot lof en dienst van God. Omdat de gehele geschapen werkelijkheid zelf lied is, waarin God wordt geprezen.'

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 31 oktober 1991

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

Genieten of genotzucht

Bekijk de hele uitgave van donderdag 31 oktober 1991

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's