Martin Bucer, een vergeten reformator (5)
Godsdienstgesprekken
Gedurende de periode dat Calvijn in Straatsburg vertoeft, neemt Bucer deel aan verscheidene godsdienstgesprekken tussen evangelische en rooms-katholieke partners om tot overeenstemming te komen. Hij reist in de jaren 1540/41 naar Hagenau, Worms en Regensburg en speelt tijdens deze bijeenkomsten een belangrijke rol. Het gesprek in Regensburg, door Karel V belegd ter gelegenheid van de Rijksdag, was een voortzetting van het dispuut in Worms. De leiding van de bijeenkomst lag in handen van Granvelle. Namens de paus was aanwezig de gematigde kardinaal Contarine, van wie men hoge verwachtigen koesterde. Hij zou ver willen gaan om een vergelijk tussen de partijen de bewerkstelligen. Van rooms-katholieke zijde namen te Regensburg verder aan de bespreking deel: de hervormingsgezinde theoloog Gropper, Eek en Julius Pflug uit Mainz. Van reformatorische kant waren aanwezig: Melanchton, Bucer en Johan Pistorius uit Hessen. Ook Calvijn was uitgenodigd, mede op aandrang van Melanchton. Hij zou de besprekingen echter voortijdig verlaten in verband met de voorbereidingen voor zijn terugkeer naar Genève. Helaas blijven de besprekingen zonder resultaat. Overeenstemming tussen beide partijen blijkt niet mogelijk te zijn. Met name de kwestie van de rechtvaardiging door het geloof alleen ligt als een onneembare barrière op de weg van de verzoening. Rome hield eraan vast, dat voor de rechtvaardiging ook de deugden en inspanningen van de mens gewicht in de schaal leggen. De reformatoren bleven erbij dat het alleen door genade (sola gratia) en alleen door het geloof (sola fide) kan komen tot een herstelde verhouding tot God. Bucer zelf zag in Regensburg ten aanzien van deze kernzaak, de rechtvaardiging door het geloof, nog wel mogelijkheden voor toenadering tot Rome. Met Gropper was hij tevoren in het geheim zelfs al tot een vergelijk gekomen. Het resultaat van hun besprekingen was neergelegd in het zogenaamde Regensburger boek, dat ten grondslag lag aan de beraadslagingen in Regensburg. De eigenlijke auteur van dit geschrift was Gropper, terwijl Bucer correcties en aanvullingen had aangebracht. Calvijn verweet Bucer dat hij zich te soepel opstelde ten opzichte van de rooms-katholieke theologen. Hij meende dat zijn ambtsbroeder veel te ver ging in zijn pogen een compromis te bereiken. En Luther zou zich later laten ontvallen: 'Bucer? De gladde schelm heeft bij mij alle geloofwaardigheid verloren. Ik vertrouw hem nooit. Hij heeft me te vaak bedrogen. Hij heeft zich op de Rijksdag te Regensburg slecht gedragen, hij heeft willen bemiddelen tussen mij en de paus en gezegd: Och kom, het is toch een trieste zaak wanneer zoveel zielen moeten omkomen vanwege één of twee geloofsstukken. Hij ziet de dingen te zeer als een politieke aangelegenheid, die men vanwege de tijdsomstandigheden veranderen kan of zomaar naar de oude toestand terug kan zetten'.
Dubbele rechtvaardiging
Zat Bucer inderdaad op zo'n totaal ander spoor dan Calvijn wat betreft de rechtvaardigingsleer? Sommige geleerden zijn deze mening inderdaad toegedaan. Ze wijzen daarbij op een uitspraak van Calvijn in een brief aan Parel van januari 1538. Calvijn tekent in dit schrijven bezwaar aan tegen de wijze waarop Bucer, volgens hem, in zijn Commentaar op de Psalmen (1529) de rechtvaardigingsleer van haar fundamenten berooft.
Waar ging het om? Calvijns bezwaren richten zich tegen het feit, dat Bucer uitgaat van tweeërlei rechtvaardiging. Naast de rechtvaardiging van de goddeloze spreekt hij ook meer dan eens over de rechtvaardiging van de vrome of de rechtvaardiging van de rechtvaardige. Een dubbele rechtvaardiging. God verklaart een zondaar, die wegschuilt achter het bloed van Christus om, niet (voor) rechtvaardig. Daarbij leggen onze werken geen enkel gewicht in de schaal: de eerste rechtvaardiging. Maar als wij eenmaal mogen leven uit de vreemde vrijspraak, dan doen onze werken er terdege wel toe. Eenmaal zal God rekenschap vragen van wat wij met de bevrijdende en vernieuwende kracht van de genade gedaan hebben: de tweede rechtvaardiging. Bucer meende dat het niet alleen gaat om een toerekening van de gerechtigheid, zoals de Romeinenbrief daarover spreekt, maar ook om een uitwerking van de gerechtigheid in ons leven in de lijn van de brief van Jakobus. In de rechtvaardiging zag Bucer niet slechts een gave die God ons schenkt, maar ook een werk dat God aan ons verricht. Er is toerekening maar ook mededeling van de gerechtigheid, rechtvaardigverklaring maar ook rechtvaardigmaking. De geschonken rechtvaardiging draagt vrucht in ons leven.
Vermoedelijk is Calvijn bevreesd geweest dat op deze wijze toch weer toegegeven zou worden aan de roomse visie op de rechtvaardiging waarbij geloof en werken zich met elkaar vermengden. Zo gemakkelijk komen menselijke verdiensten toch weer om de hoek kijken. Toch wilde ook Bucer daar volstrekt niets van weten. Alleen vanwege de barmhartigheid van Christus worden wij gerechtvaardigd en niet vanwege onze werken. Dat geldt niet alleen voor de eerste maar ook voor de tweede rechtvaardiging. Die twee staan niet los van elkaar. De tweede rechtvaardiging volgt op de eerste en bloeit daaruit op. De nieuwe levenswandel is geen vrucht van eigen akker maar een gevolg van de gemeenschap met Christus. Calvijn gebruikt in dit verband liever twee aparte termen. Rechtvaardiging èn heiliging, vergeving èn vernieuwing, maar ook hij ziet deze onlosmakelijk aan elkaar verbonden als gaven van Christus. Op de keper beschouwd staan de beide hervormers op dit punt dan ook minder ver uit elkaar dan wel lijkt. Het is meer een zaak van terminologie dan van inhoudelijk verschil. Voor beide hervormers was de rechtvaardiging van de goddeloze om, niet de spil waar alles om draait, het kloppend hart van het Evangelie. Bucer heeft daarbij recht willen doen aan het pluriforme spreken van de Schrift over gerechtigheid. De geschonken gerechtigheid enerzijds en de daad-gerechtigheid anderzijds heeft hij dicht bij elkaar willen houden. Op die manier was hij ook iedereen een slag voor, die meende dat de leer van de rechtvaardiging door het geloof een vrijbrief vormde voor een slordige levenswandel. Calvijn wilde aan dit ethische aspect van het geloofsleven evenzeer recht doen. Hij bracht het nieuwe leven echter niet onder bij de rechtvaardiging maar bij de heiliging. Van een echt fundamentele en principiële divergentie tussen beide theologen is evenwel geen sprake. Wellicht heeft Calvijn in Regensburg, in gesprek met de rooms-katholieke godgeleerden, alle misverstanden willen vermijden en had hij daarom liever gezien dat Bucer de zaak wat meer had aangescherpt.
De zwarte dood
Ondertussen vallen in deze tijd zware schaduwen over Bucers leven. Terwijl hij zelf ver van huis voor de godsdienstgesprekken is, waart de zwarte dood rond in zijn woonplaats. Velen worden door de pest getroffen en sterven een ellendige dood. Als hij terugkeert, ligt één van zijn kinderen ernstig ziek op bed. Het sterft evenals zijn vriend en collega Capito. En vier dagen later wordt zijn vrouw van hem weggenomen. In de volgende maanden overlijden nog eens twee van zijn kinderen. Verslagen vervolgt de hervormer zijn weg. Het verdriet en de taak die op zijn schouders rust, wegen hem zwaar. Na enige tijd vindt hij een nieuwe levensgezellin: de weduwe van zijn ambtsbroeder Capito, Wibrandis Rosenblatt. Vlak voor haar sterven had Bucers vrouw haar gevraagd met Martinus te willen trouwen. Binnen een jaar wordt het huwelijk voltrokken. Voor Wibrandis betekende deze verbintenis het vierde huwelijk. Zij is de enige vrouw die kon zeggen met drie reformatoren gehuwd geweest te zijn. Behalve van Capito en Bucer was ze ook al vrouw geweest van Oeculampadius, de reformator van Bazel.
Teleurstelling
Luther is weleens genoemd de reformator van het geloof. Men heeft Calvijn getypeerd als de theoloog van de Heilige Geest. Als ik een benaming voor Bucer moest kiezen, zou ik hem de hervormer van de kerk noemen. Zonder twijfel vormt de kerk het kloppend hart van heel Bucers theologisch en praktisch bezig-zijn. In alles was het hem te doen om de bevestiging en de uitbouw van de kerk.
Vooral de eenheid van de kerk zat Bucer hoog. Daarover heeft hij veel geschreven en daarvoor heeft hij zich zeer beijverd. In 1536 merkt hij op: 'Ik wens kerken die zijn verenigd in het ware, zuivere en standvastige geloof in onze Heere Jezus Christus. De enige weg om daartoe te komen is, dunkt me, allereerst en voortdurend te bidden tot Christus dat Hij ons de eenheid geeft en ons daarop innerlijk voorbereidt. Vervolgens, verzameld in het vurige verlangen om Zijn Rijk te beleven, de hoofdzaken van het geloof in Christus aandachtig te overdenken en wanneer we het daarover eens zijn door gemeenschappelijke verklaringen te bevestigen. Tenslotte, omdat de inrichtingen en geestelijke handelingen in onze kerken zo divers zijn, te bezien of zulke uiterlijke verscheidenheid niet ten goede kan komen aan de bevordering van de zaak waar het om gaat, of tenminste acceptabel gemaakt. Want de gemeenschap der kerken is in werkelijkheid zeer dun en wordt met de dag dunner. En toch is het onmogelijk voor ieder die de brieven van Paulus leest, de middelen te geringschatten om de gemeenschap der heiligen te onderhouden en te bevorderen... In onze dagen echter is een andere geest aan het werk, die probeert om iedere eenheid te verhinderen'.
Bucer stond een kerkmodel voor ogen waarbij vermoedelijk de stad Straatsburg als voorbeeld diende. Een centrum, waaromheen de huizen in cirkels gegroepeerd waren. Stevige muren om de stad, maar wel voldoende poorten om de openheid naar buiten te bewaren. Zo zou ook de christelijke gemeente moeten zijn. Rondom het middelpunt Christus moeten allen, groten en kleinen, armen en rijken, eenvoudigen en geleerden een plaats krijgen. Een gemeente, die leeft met Christus en die weet heeft van de leiding van de Geest. Een gemeente, waarbinnen de eenheid gezocht en bewaard wordt, de heiligmaking wordt nagestreefd en de liefde metterdaad gestalte krijgt. Een gemeente waar men 'oog voor elkaar' heeft, waar men omziet naar de zwakken en hulpbehoevenden – Bucer ijverde voor ziekenhuizen en andere inrichtingen – en die openstaat voor hen die Christus nog niet kennen. Zo moet, volgens Bucer, ook de gemeente in het Nieuwe Testament en de Vroegchristelijke kerk eruit gezien hebben.
Na verloop van tijd moest de hervormer evenwel constateren, dat van zijn plannen lang niet alles terechtkwam. Zijn grote ideaal was niet geheel gerealiseerd: Van Straatsburg, deze beroemde stad, 'mijn vaderstad', een christelijke samenleving maken in alle opzichten. De praktijk van alledag stelde hem diep teleur. Uiterlijk gezien was er veel veranderd, maar de werkelijke hervorming, de innerlijke reformatie had zich nog niet bij iedereen voltrokken. Diep teleurgesteld was hij ook in de overheid, omdat deze een zelfstandige tuchtuitoefening van de kerk systematisch in de weg stond.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 31 oktober 1991
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 31 oktober 1991
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's