De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Martin Bucer, een vergeten reformator (6)

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Martin Bucer, een vergeten reformator (6)

9 minuten leestijd

Christelijke gemeenschappen
De evaluatie en heroriëntatie na zo'n twintigjaar reformatiewerk in Straatsburg leidde ertoe dat Bucer het roer omgooide. In de jaren 1546/47 probeerde hij om zo te zeggen een 'tweede reformatie' door te voeren. In iedere gemeente wilde hij kleine belijdende gemeenschappen vormen, waar predikanten en gemeenteleden samenkomen voor Schriftstudie, gebed, vermaning en vertroosting. Ook moest men onderling delen van de gaven die God hen schonk, zowel geestelijk als materieel. Maar vooral was het Bucer erom te doen dat de kerkelijke tucht in deze kernen werkelijk zou functioneren.
Het klinkt ons eigentijds in de oren. Ook vandaag horen we immers steeds meer de vraag naar kleinere cellen binnen het enigszins logge, onpersoonlijke instituut dat kerk heet. Er is behoefte aan de vorming van 'kleine kerken' binnen onze doorgaans grote gemeenten. Groepen waarbinnen de gemeenschap met Christus en de band onderling beter onderhouden kunnen worden. Bucer was in dit opzicht zijn tijd ver vooruit. Van hem kunnen we leren dat zoiets dan wel onder de koepel van de ambten dient te gebeuren. Verschillende tegenstanders van de 'christelijke gemeenschappen' in Straatsburg verweten hem sectarisme. Dat bedoelde de hervormer echter in geen geval. Het ging hem om kleine kernen die het geheel niet de rug toekeerden, nog minder zich er boven verhieven, maar waarvan een stimulerende werking zou uitgaan naar de anderen toe. Bucer dacht er niet aan de volkskerk los te laten. Hij kon en wilde deze niet prijsgeven, omdat hij persé vasthield aan de kinderdoop. Maar dan moest er in de 'grote kerk' wel iets veranderen. Kerkgang en gebruik van het avondmaal op zichzelf is niet genoeg. Laksheid en traagheid dienden uitgebannen te worden. Het kwaad mocht niet langer voortwoekeren. Wat Bucer voor ogen stond was een kerk van belijdende leden, een echt christelijke gemeenschap, levend in de afhankelijkheid van en gehoorzaamheid aan Christus, die het Hoofd der Kerk is.
De idee van Bucer om kleine gemeenschappen te vormen was niet geheel origineel. Vermoedelijk is hij op het spoor gezet door Luther, die in de voorrede van zijn Deutsche Messe eenzelfde gedachte oppert. Ook de Wittenberger reformator sprak over de noodzaak van onderlinge tuchtoefening in kleinere gezelschappen, met als doel de omvorming van de kerk tot een bewust belijdende gemeenschap. Mogelijk hebben ook de contacten met de Dopers Bucer in deze richting gedrongen. Van die zijde klonk immers voortdurend het verwijt dat er nog van alles aan de veranderingen in Straatsburg schortte. Hun ideaal van een zuivere, heilige gemeente sprak Bucer sterk aan. Hij erkende het waarheidselement in hun streven, al moest hij niets hebben van hun separatistische neigingen. Indirect hebben ook de Dopers hem gestimuleerd om over te gaan tot de vorming van christelijke gemeenschappen.
Het experiment is wat Bucer zelf betreft van korte duur geweest. Al heel spoedig ziet hij zich gedwongen om Straatsburg te verlaten.

Naar Engeland
In 1549 wordt Bucer duidelijk dat voor hem niet langer plaats is in de Rijksstad. Al jarenlang waren er conflicten en spanningen tussen de raad van de stad en de predikanten. Wanneer het Augsburgse Interim van kracht wordt, escaleren de dingen. De raad, inclusief Bucers medestander Jakob Sturm, stemt erin toe dat bepaalde roomse gebruiken weer in ere hersteld worden. Bucer verzet zich en ditmaal wil hij van enig compromis niet weten. Het gevolg is dat hij de wijk moet nemen uit de stad waar hij zoveel jaren heeft gewerkt.
Waarheen zal hij gaan? Er waren meerdere uitnodigingen van vrienden als Melanchton in Wittenberg en Calvijn in Genève. Daarnaast waren er ook uitnodigingen vanuit Denemarken, Polen en Engeland gekomen. De keuze valt uiteindelijk op Engeland. Bucer gaat er heen met de vurige hoop daar meer van zijn hervormingsidealen te kunnen realiseren.
Na een gevaarlijke reis en overtocht bereiken ze Albion, waar hij door een grote kring van geleerden hartelijk wordt ontvangen. Thomas Cranmer, de Engelse aartsbisschop, staat pal aan zijn zijde. De universiteit van Cambridge verleent hem het eredoctoraat en benoemt hem tot hoogleraar. Een grote kring van jonge wetenschappers vormt zich rondom hem en volgt trouw zijn voordrachten.
Hier schrijft Bucer zijn belangrijke boek Over het koningschap van Christus, waarin hij een hervormingsprogramma voor Engeland uitwerkt. Voor de laatste maal krijgt hij de gelegenheid om uiteen te zetten, hoe volgens hem de ware gemeente en de ideale staat eruit zien. Op indrukwekkende wijze maakt hij in dit boek duidelijk hoe hij het levende geloof in Christus wilde verwerkelijken in de structuren van kerk en samenleving. Hij draagt het werk op aan koning Eduard VI, van wie hij grote verwachtigen koestert voor de zaak van Christus. Het is zijn vurige wens, dat mede door deze jonge vorst (hij was nog geen 10 toen hij gekroond werd) Engeland waarachtig 'gereformeerd' zal worden, hervormd tot ware gemeente Gods, tot Rijk van Christus.
Ook in Engeland vindt Bucer evenwel niet wat hij gehoopt had. Zijn idealen zag hij hier evenmin gerealiseerd als in Straatsburg. Het stelde hem teleur dat men zich bezighield met wat voor hem bijzaken waren. De befaamde 'kledingkwestie', die destijds zoveel stof deed opwaaien in Engeland, was voor Bucer niet meer dan een bagatel. Hoe kon men twisten over de vraag welke gewaden door de geestelijken gedragen moesten worden, terwijl er zoveel andere zaken aan de orde waren?

Levenseinde
Een jaar na zijn aankomst in Engeland voegde zich ook zijn familie bij hem. Lichamelijk werd het er voor Bucer echter niet beter op. Hij kon niet wennen aan het klimaat op het grote eiland. Vlak nadat zijn tweede vrouw Wibrandis weer naar het vasteland was vertrokken, werd hij opnieuw ziek. Ondanks alle goede zorgen van zijn huisgenoten en van de Hertogin van Suffolk kwam al spoedig op 1 maart 1551 zijn levenseinde. Hij werd begraven in de grote St. Mary's Church in Londen. Velen uit de universitaire gemeenschap waren bij de begrafenisplechtigheid aanwezig. Onder de regering van koningin Maria Tudor werd zijn lijkkist evenwel opgegraven. Samen met zijn boeken werden Bucers stoffelijke resten in 1557 op het marktplein verbrand. Pas onder Elisabeth I kwam in 1560 het eerherstel.

Gedreven mens
Wie was Bucer? Wat weten we van zijn persoon en karakter? Een vriend beschrijft Bucer als 'mager, zwartharig, met donkere teint en hartstochtelijk'. Zijn neus moet een opmerkelijke vorm en omvang gehad hebben. Vandaar wellicht de suggestie van zijn joodse afkomst.
Zijn tijdgenoten hebben hem leren kennen als een vriendelijke, maar ernstige, zeer gedreven man. Een bewogen pastor, een vindingrijk kerkpoliticus, een idealistische voorman van de reformatorische beweging was hij. Hij bewoog zich gemakkelijk temidden van anderen, verstond de kunst om mensen voor zich te winnen. Met open vizier ging hij door het leven. Steeds weer vond hij nieuwe uitdagingen en opvattingen op zijn weg. Nimmer ontweek hij die maar hij ging er op in. Hij had zijn eigen welomschreven standpunt en vandaaruit zocht hij de ontmoeting met de ander, het gesprek. Hij was de man van de dialoog. Steeds was hij bereid zich te laten overtuigen door de waarheidsmomenten in de argumentatie van zijn tegenstanders.

Bruggenbouwer
Een irenisch theoloog was Bucer. Een kerkleider die waar mogelijk bruggen wilde bouwen. Dit is nog de meest kenmerkende trek in de persoon en het werk van de Elzasser. Hij probeerde te verbinden wat naar zijn diepste overtuiging bij elkaar hoorde. Hij zocht de eenheid binnen de protestantse gelederen. Onder de verwijdering tussen de reformatoren heeft hij diep geleden. Met de Dopers probeerde hij in gesprek te treden om hen voor de kerk te bewaren. Zelfs wanneer hij met vertegenwoordigers van de Middeleeuwse kerk over een bepaald onderwerp overeenstemming kon bereiken, zou hij het niet nalaten. Sommigen menen dat zijn streven naar eenheid soms ten koste ging van de waarheid. Daar is vermoedelijk wel iets van waar. Enige wankelmoedigheid zal hem niet vreemd geweest zijn. Niettemin staat zijn oprechtheid buiten iedere twijfel. Bucer was geen eenheidsmaniak. Zijn oecumenische gezindheid mag niet verklaard worden als een karaktertrek die hem gemakkelijke en goedkope compromissen deed sluiten. Nog minder is Bucer de kameleon die zich overal wist aan te passen, zoals zijn rooms-katholieke tegenstander Gropper beweerde. Ten diepste ging het hem om de eenheid in Christus. Waar Christus de heerschappij over ons voert, kan en mag er geen ruimte zijn voor verdeeldheid. Daarom is de eerste roeping van de kerk bijeen te brengen en niet te verstrooien. Als er de herkenning in Christus is, mogen er geen scheidende muren opgetrokken worden. Waar onenigheid en twist de boventoon voeren, wordt het lichaam van Christus verscheurd. De naastenliefde komt in het gedrang, zodat er niets terecht kan komen van wat Bucer bepleitte in zijn eerste geschrift. Een intern verdeelde kerk kan ook nooit werfkracht naar buiten toe uitstralen. De opdracht om verloren schapen, ver weg en dichtbij, toe te brengen tot de schaapskooi van Christus wordt dan krachteloos gemaakt.

Verrijking
Voor Bucer zelf betekende het gaan van de weg, zoals hij die gegaan is, dikwijls een stuk eenzaamheid. Hij voelde zich vaak niet begrepen, ook weleens gekwetst. Wie hem daarin navolgt, zal vandaag wellicht dezelfde ervaring opdoen. Toch is het meer dan de moeite waard kennis te nemen van zijn motieven en handelwijze. De herontdekking van deze 'vergeten reformator' is van grote betekenis. Zijn open, beweeglijke instelling in theologisch en kerkelijk opzicht, zijn bereidheid om te leren en eigen visie bij te stellen, zijn zoeken naar eenheid in de concentratie op Christus kan ons tot voorbeeld zijn. Zijn aandacht voor het priesterschap van alle gelovigen, voor het charisma in verbondenheid met het ambt, zijn nadruk op naastenliefde en sociale bewogenheid, op heiliging en zelfverloochening, zijn liefde voor de zending en zijn betrokkenheid op de toekomst van Israël, zijn pleidooi voor kernen van gemeenteleden, die intens met gebed en Schriftstudie bezig zijn: het zijn evenzovele elementen die wij in onze tijd van verkilling en verschraling binnen het kerkelijk leven broodnodig hebben.
De Straatsburgse reformator verdient het breder bestudeerd te worden. Al te lang is hij beschouwd als een tweederangs figuur. Zijn betekenis voor de Hervorming kan nauwelijks onderschat worden. Steeds duidelijker blijkt de originaliteit van zijn gedachten en het belang van zijn opstelling als 'reformator van het midden'.
Het gaat er niet om Bucer alsnog tot de rang van reformatorische 'vaders' te verheffen. Te vrezen valt dat het hem dan al spoedig vergaat als de andere hervormers: veel geprezen maar slecht gelezen. Bucer is onze aandacht waard omdat hij ons wijst op een aantal fundamentele bijbelse noties, die ons persoonlijk en als kerken kunnen verrijken. Moge zo zijn gedachtenis tot zegening zijn.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 november 1991

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

Martin Bucer, een vergeten reformator (6)

Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 november 1991

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's