Psalmzingen in de Nederlanden
Psalmzingen weldra verleden tijd?
'Nog even, denk ik, en het zingen van psalmen is voorgoed verleden tijd.'
Met deze provocerende woorden besluit Maarten 't Hart zijn artikel in NRC Handelsblad (27-9-'91) over de boeiende expositie 'Psalmzingen in de Nederlanden', een artikel dat een merkwaardig mengsel is van nostalgie en spot.
Psalmzingen weldra verleden tijd? Gelukkig hangt psalmzingen niet af van reacties als die van Maarten 't Hart. Terecht merkte Ad den Besten in een korte reactie op, gelet op het feit dat 't Hart schrijft over de kerk die hijzelf allang de rug heeft toegekeerd: 'waar bemoeit hij zich nog mee!' Ik kom op het artikel van 't Hart nog terug. Het gaat mij hier allereerst om de genoemde tentoonstelling, die van 10 oktober tot 23 november te zien is (maandag t/m vrijdag van 10.00 tot 18.00 uur) in het gebouw van de Vrije Universiteit te Amsterdam. Deze tentoonstelling kan ik u van harte aanbevelen.
De expositie
Er is op de tentoonstelling heel veel te zien. Soms dingen, die een glimlach oproepen, zoals het groene lampje dat ca. 1945-1950 gebruikt werd in de Zomerlandkerk te Rotterdam-IJsselmonde en dat ging branden als het de bedoeling was dat een psalm ritmisch gezongen werd! Maar ook heel veel dingen — psalmboeken, portretten en andere, voorwerpen — die ons een onuitwisbaar spoor laten zien van de 16e eeuw tot heden: het spoor van de psalmen, gezongen in de huisgezinnen en in de kerkelijke gemeenten, soms onberijmd, meestal berijmd.
Ruim viereneenhalve eeuw hebben mannen, vrouwen en kinderen van ons volk, behorend tot allerlei kerkgenootschappen, gegrepen naar dit Oudtestamentische boek met zijn wonderschone poëzie en met zijn diepgravende woorden die de kern van het menselijk bestaan op aarde vertolken, de mens in zijn verhouding tot God. Ruim viereneenhalve eeuw, vanaf de eerste reformatorische kringen en de hagepreken op het open veld tot nu toe, hebben 'Davids psalmen' — zoals het hele psalmboek vroeger vaak werd aangeduid — geklonken in de Nederlanden, van Groningen tot Vlaanderen, van Appingedam tot Maastricht.
Dat is het spoor dat de expositie vooral laat zien. Een indrukwekkend spoor. Iets om dankbaar voor te zijn. Generaties na generaties hebben door middel van de psalmen hun geloof in God 'uitgezongen' in tijden van tegenspoed, moeite en druk, in vertwijfeling en wanhoop, in ootmoed en afhankelijkheid, maar evenzeer in tijden van voorspoed en zegen, van verlossing en dankbaarheid. Heeft Maarten 't Hart daar wel oog voor gehad?
Is niet het hele geloofsleven in zijn wezenlijke kern vertolkt in dat prachtige tweede couplet van psalm 130 (berijming 1773):
Zoo Gij in 't recht wilt treeden,
O Heer! en gadeslaan
Onz' ongerechtigheden;
Ach! wie zal dan bestaan?
Maar neen, daar is vergeeving
Altijd bij U geweest;
Dies wordt Gij, Heer, met beeving,
Recht kinderlijk gevreesd.
De expositie is breed opgezet rond een vijftal thema's: 1. psalmzingen nu; 2. het psalmboek als pronkstuk; 3. dichten en berijmen; 4. zang en spel; 5. psalmen in synagoge en kerk.
Deze vijf gezichtspunten komen uitgebreid aan de orde. Een verbindende schakel vormt de aanhef van psalm 130, de psalm van het 'De profundis' (uit de diepten), waarvan telkens weer een andere berijming wordt getoond.
Een prachtig boek
Ter gelegenheid van de expositie is tevens een waardevolle bundel met wetenschappelijke studies verschenen, onder de eindredactie van dr. J. de Bruijn, hoofd van het Historisch Documentatiecentrum voor het Nederlands Protestantisme (1800-heden) van de V.U. De bundel bevat 15 opstellen; ook is opgenomen de catalogus van de expositie, samengesteld door dr. W. Heijting. Het is een prachtig boek geworden, typografisch zeer verzorgd en voorzien van vele illustraties. Bovendien bevat het opstellen die een schat aan — ook nieuwe — informatie bieden.
Die informatie is allereerst breed. Niet alleen de gereformeerde of calvinistische psalmtraditie komt uitvoerig aan de orde, maar ook krijgen we belangwekkende informatie over de joodse, rooms-katholieke, lutherse, oud-katholieke en doopsgezinde psalmtraditie. Het is op zijn tijd nuttig over de grenzen van de eigen kerk heen te kijken, zeker aan de hand van gedegen publicaties, die geschreven zijn door specialisten.
In de tweede plaats is de informatie in diverse opstellen verrassend nieuw en diepaand. Ik noem in dit verband het opstel van prof. dr. F.R.J. Knetsch over de invoering van nieuwe psalmberijmingen in het Nederlandse gereformeerde protestantisme — vooral waardevol m.b.t. de berijmingen van Utenhove, Datheen en Mamix —, van dr. W. Heijting over het gereformeerde psalmboek in relatie tot het boekenbedrijf en van dr. J.R. Luth over het zingen van de psalmen in de loop der eeuwen.
Ik heb in deze en andere opstellen heel wat gegevens of gezichtspunten aangetroffen die ik, omdat ik noch kerkhistoricus noch musicoloog ben, niet kende. Heel duidelijk is in deze studies te merken dat het wetenschappelijk onderzoek verder gaat, mede door het aanboren van nieuwe bronnen en recent opgedolven bibliografisch materiaal. Zo wordt nieuw licht geworpen op zaken die we meenden te kennen, maar aarvan we bij nader inzien moeten zegen dat onze kennis slechts betrekkelijk as.
Drie officiële berijmingen
Er zijn vele, vele tientallen — ik denk wel eer dan honderd — Nederlandse psalmberijmingen gemaakt gedurende de achter ons liggende eeuwen. Slechts drie ervan zijn officieel door de kerk(en) aanvaard: die van Datheen, de berijming van 1773 en de berijming van 1968.
De oudste die de Nederlandse kerken in de calvinistische traditie hebben aanvaard, is die van Datheen uit 1566. Deze is thans nog in enkele gemeenten aan de rechterflank van de gereformeerde gezindte in gebruik (o.m. in Zeeland en op de Veluwe).
Twee eeuwen na Datheen, in 1773, verscheen de tweede officieel door de kerk aanvaarde psalmberijming. Deze wordt wel de Statenberijming genoemd — vergelijk de naam Statenvertaling voor de bijbelvertaling van 1637 — omdat de Staten-Generaal toestemming verleende om met een nieuwe psalmberijming te beginnen. De Staten-Generaal nam ook, na overleg, het besluit dat deze berijming een selectie zou moeten bevatten uit de bestgeslaagde berijmingen van Joh. Eus. Voet, Hendrik Ghysen en het Genootschap Laus Deo, Salus Populo. Op de titelpagina stond dan ook te lezen: 'Door last van de Hoog Mogende Heeren Staaten Generaal der Vereenigde Nederlanden...' Deze berijming, thans veelal Oude Berijming genoemd, wordt nog in de meeste huidige gemeenten van de Gereformeerde Bond gezongen (en eveneens in de Chr. Ger. Kerken, de Ger. Gemeenten en de Oud Ger. Gemeenten). Weer ongeveer twee eeuwen later, in 1968, kwam de interkerkelijke berijming gereed, die in het Liedboek voor de kerken (1973) is opgenomen. De voornaamste dichters ervan zijn: W. Barnard (ps. Guillaume van der Graft), A. den Besten, K. Heeroma (ps. Muus Jacobse), J.W. Schulte Nordholt en J. Wit. Onder meer in de Geref. Kerken en in het grootste deel van de Hervormde Kerk wordt thans uit deze berijming gezongen. Ook in een kleiner aantal Gereformeerde Bondsgemeenten, veelal naast de Oude Berijming.
Momenteel zingt protestants Nederland uit alle drie genoemde berijmingen. De Gereformeerde Kerken Vrijgemaakt hebben daarnaast nog hun eigen berijming. De Nederlandse kerken die staan in de gereformeerde traditie, zingen dus anno 1991 uit vier verschillende berijmingen! Het minste wat je daarover kunt opmerken is, dat dit wel wat veel van het goede lijkt...
Het ligt in mijn bedoeling op een later tijdstip in enkele artikelen uitvoeriger in te gaan op de problematiek van de psalmberijmingen van de 16e eeuw tot heden. Daarom volsta ik hier met de opmerking dat aan die veelheid van gebruikte psalmberijmingen binnen de huidige Nederlandse gereformeerde gezindte minstens twee kanten zitten.
Enerzijds kun je zeggen, dat we — Gode zij dank! — in een vrij land leven, waarin de gemeentezang niet afhankelijk is van de toestemming van de staat. Dat is in het verleden wel eens anders geweest. Je moet er toch niet aan denken dat het kabinet-Lubbers zou moeten beslissen over wat de christelijke gemeente zingt! In feite heeft de Staten-Generaal dat in 1773 wèl beslist..., iets wat we wel eens te gemakkelijk vergeten naar mijn mening.
Anderzijds moeten we helaas vaststellen dat de versplintering van het Nederlandse protestantisme, met name in de gereformeerde stroming, zich ook overduidelijk manifesteert in de gemeentezang. Kunnen we ons die versplintering — en vooral ook de onderlinge verkettering — nog wel veroorloven in een tijd van steeds sneller gaande secularisatie en steeds dieper ingrijpende ontkerkelijking?
Omzien in nostalgie?
De versplintering van gereformeerd Nederland blijkt nogal eens een bron van vermaak te zijn voor de buitenwacht. En hiermee ben ik weer terug bij het artikel van Maarten 't Hart, die daar diverse staaltjes van laat zien. Hij vertelt daarin dat hij een enkele keer nog in de kerk komt — om de organist te vervangen —, maar dat hij zich daar alleen thuisvoelt als er een kerkdienst is, waarin alles 'bij het oude' gelaten is. Tussen allerlei denigrerende opmerkingen in — zo noemt hij het Nieuwe Testament 'flauwekul' — houdt hij ook een pleidooi voor de Oude Berijming, want... die doet aan vroeger denken.
Zo hoeft het voor mij niet. De voorkeur van 't Hart voor de Oude Berijming komt louter en alleen voort uit nostalgie, een tikkeltje weemoedig omzien naar een periode in het verleden die definitief voorbij is. Statige gemeentezang met verzen uit de Oude Berijming brengt hem even terug in de 'sfeer' van vroeger. Even een 'sfeertje' oproepen dus...
Het gaat in het geloofsleven en in de gemeentezang niet om een 'sfeertje'. Het gaat om wat psalm 130 zo schitterend vertolkt, berijmd en onberijmd: roepen tot de levende God, het besef van eigen ongerechtigheid, het vertrouwen op Gods genade, de verwachting dat Hij alléén kan verlossen en vrijmaken van ongerechtigheden. Het gaat om de bede in het hart, met de mond uitgesproken: 'Zo doe Hij ook aan mij!'
Zolang dit besef in de harten leeft, zullen er psalmen gezongen worden. In Nederland en daarbuiten. Ritmisch en niet-ritmisch. Berijmd en onberijmd. Geen verleden tijd dus, maar diep beleefde werkelijkheid: 'Uit de diepten roep ik tot U, o Heere!'
N.a.v. J. de Bruijn & W. Heijting (eindred.), Psalmzingen in de Nederlanden van de zestiende eeuw tot heden. 326 pag., ƒ 34,–. Uitg. Kok Kampen 1991.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 november 1991
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 november 1991
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's