De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Uit de Pers

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Uit de Pers

13 minuten leestijd

Antwoordmannetjes
In Hervormd Nederland van 9 november 1991 viel een gesprek te lezen met mevr. Nel Voltelen, die op het seminarie Hydepark een bekend persoon was in de opleiding van a.s. predikanten. Uiteraard wordt ze ondervraagd over haar visie op het werk van predikanten. Ze zegt dan o.a. 'Het is een ongelofelijk moeilijk beroep. Je moet op veel onderwerpen kunnen inspelen en als je niet doet wat de mensen willen, kom je aan de kant te staan'. De wereld waarin predikanten leven, sluit soms maar zeer ten dele aan bij de wereld waarin zijn gemeenteleden leven.

'Een doorsnee-gemeentelid deelt slechts een klein partje van zijn of haar leven met de kerk. De predikant kent alleen die partjes, terwijl hij geacht wordt te reageren op alle facetten van het leven. Maar wat weet hij van gevoelens van onmacht en frustratie op het werk? Ik sprak laatst een predikant, die nu een jaar in een fabriek in Dordrecht werkt. Hij is verbonden aan de basisgemeenschap De Buitenwacht. Nel, zei hij, je weet niet wat ik meemaak. Ik begrijp niet hoe ik predikant ben geweest, dat ik tegen mensen heb durven zeggen hoe ze moeten leven. Ik heb in een fantasiewereld geleefd.
Sommige predikanten reageren op een geprogrammeerde manier. Vragen worden vertaald in theologische termen, die vervolgens geen aansluiting vinden. Ik hoorde laatst in een kerkdienst een predikant, die na de bijbellezing zijn preek begon met de zin: "U zult ook wel denken..." Wat weet hij daarvan? Sommigen zijn net bekomen van een feest van de vorige avond, anderen hebben ruzie met hun kinderen. Iedereen zit er op verschillende noemer. Daar moet hij rekening mee houden. Maar dat is moeilijk, ik weet het. Ik denk daarom mild over predikanten.'

Wat zijn predikanten eigenlijk voor mensen? Zijn het wel mensen? Hoe staat het met hun eigen geloofsleven? Er zijn nogal wat predikanten eigenlijk niet gelukkig. Ze zitten soms vol met twijfels. Dat kunnen ontluisterende opmerkingen zijn over mensen, die strak en streng hun image intact proberen te houden. Maar het kan zijn nut hebben, als ook ons dominees eens de spiegel wordt voorgehouden, die we zo graag de gemeente voor plegen te houden.

's Avonds aan de bar van Hydepark zult u ook wel studenten en predikanten spreken, die praktisch ongelovig zijn.
'Dat komt regelmatig voor. Als ik het in de gaten heb, vraag ik ernaar. Predikanten praten zelden over hun geloof. Vaak hebben ze twijfels, diepe twijfels over opvattingen, waar ze niet meer achter staan en waarvoor niets in de plaats is gekomen. Of er zijn problemen in de gemeente. Ze blijken dan pastoraal in de steek gelaten. Het gevolg is een algemeen gevoel van malaise en verlatenheid. Soms kan ik helpen: geduldig als praatpaal fungeren en proberen ze op een ander been te zetten.
In een plaatselijke predikantenvergadering, waar ik bij was geroepen, omdat er problemen waren, heb ik eens voorgesteld een bijbelstudie te doen. Grote protesten, onzin, daarvoor hadden de theologen geen agoog ingehuurd. Nee, ze ik, maar wat geloven jullie eigenlijk? Ik had kennelijk een taboe doorbroken. Predikanten theologiseren graag, dat wil zeggen dat ze hun gedachten inpakken in beschouwingen die over de buitenkant gaan. Maar als niet-theoloog weet ik daar te weinig van. Ik praat liever over de kern, over geloofsvragen, wat overigens niet betekent, dat je constant over jezelf hoeft te praten.'
Staat het beroep van predikant nog in aanzien?
'In kleinere plaatsen zeker. Ik vind het een eenzaam beroep. Je zult maar de hele dag op huisbezoek moeten gaan en met anderen bidden. Iemand zei tegen me: "Zelf bid ik nooit. Ik bid altijd met anderen." Er is veel crisispastoraat: zieken, mensen die scheiden, begrafenissen. Als je die narigheid dag in dag uit meemaakt, gaat het werk een stempel op je drukken. Plus de vetes in de gemeenten, het gemis aan jongeren, de lege kerken. Aan de manier waarop de predikanten er op Hydepark bijlopen, zie ik wat er aan de hand is. Sommigen stralen plezier in het beroep uit; bij hen gaat het kennelijk goed. Anderen klagen onder de borrel waar ze in vredesnaam mee bezig zijn.'
'U pleit voor een strengere selectie bij studenten die predikant willen worden.
'Inderdaad. Nogal wat predikanten zijn niet gelukkig, of zelfs psychisch niet in staat hun werk te doen. Sommigen zijn chaotisch. Bij mijn afscheid heb ik gezegd, dat het een raadsel is, waarom aankomende predikanten zo ongeëquipeerd de gemeente in moeten en de meest elementaire beginselen van groepswerk door schade en schande in de praktijk moeten leren. Dat betekent niet alleen dat de opleiding breder moet worden, maar ook dat er een soort bindend advies nodig is. Ik ben trouwens niet de enige, die dat bepleit. Maar het ligt vreselijk gevoelig, heb ik gemerkt.'
Zijn er nog predikanten meteen messias-complex?
'Ja, de lijdende knechten des Heeren, mensen die menen dat ze altijd beschikbaar moeten zijn. Nou, op den duur lijdt iedereen met zo iemand mee. Ik houd ze voor, dat een roeping weliswaar mooi is, maar dat predikant zijn ook een beroep is dat grenzen kent. Waarom houd je 's morgens geen vast spreekuur, vraag ik ze. Of waarom neem je geen antwoordapparaat, zodat je niet de hele dag wordt opgebeld? God heeft toch ook geen antwoordapparaat, luidt dan het verweer. Als ze dan toch zo'n ding kopen, is dat een geweldige overwinning.'
U zult ze missen, uw cursisten?
'Ik hou van predikanten. Het is gek volk. Zo plechtig vaak. Ze fascineren me nog steeds. Het zijn van die antwoordmannetjes. Ja, de mannen. Vrouwen wachten veel meer af. Als in een groep een verslag moet worden gemaakt, meldt zich tien tegen één de dominee in het gezelschap, ook zonder dat hij gevraagd is. En lang van stof, hè. Mens o mens.'

Gek volk, ja. Dat kun je soms wel zeggen. Ook van jezelf. Dat relativerend over je eigen persoonlijkheid denken, kan je bewaren voor luchtfietserij. De Genestet typeerde eens zijn collega Nicolaas Beets met de woorden
Ik sticht het volk
van uit mijn wolk.

Zo lijkt het soms nog wel eens te zijn. Met beide benen op de grond is beter. Want daar wonen en leven we als gemeenteleden ook meestal. Dat geldt in ieder geval ook de jongeren van de gemeente.

Sjonnies, mietjes en guppies
Ik denk niet dat de meeste lezers van ons blad direct door hebben, waar genoemde aanduidingen op slaan en ik verbeeld me niet, dat één jong gemeentelid De Waarheidsvriend geregeld leest. Dan zou er kans bestaan van herkenning. Bovenstaande aanduidingen zijn namelijk groepsnamen, die jongeren aan elkaar geven. Vraag het maar aan uw zoon of dochter, die de middelbare school bezoekt. Tien tegen een dat hij of zij het direct begrijpt. In het blad In de Waagschaal van 2 november 1991 staat een eerste aflevering te lezen van een interessant verhaal, dat ds. E.R. Jonker (hij is secretaris van de Raad voor de Katechese in onze kerk) hield bij het aantreden van de nieuwe scriba van de PKV Groningen/Drenthe, ds. L.O. Giethoorn in april van dit jaar. Er staat boven 'Over catechese in een graascultuur', met als ondertitel 'Wij vinden alles best, maar begin niet over God...'.

Ik citeer als eerste fragment het volgende deel van Jonkers verhaal.

Maar ik zou iets zeggen over catechese, die overigens volstrekt afhankelijk blijft van de kracht van de gemeente. En dat wil ik fris, vrolijk en nuchter doen. Let wel: dubbel blijft het: aan de ene kant de inspiratie om het evangelie te vertolken, aan de andere kant de moeite, het onvermogen om met en vanuit dit evangelie te communiceren in onze cultuur. Dat blijf ik houden: het kan en het kan niet. En ik begin langzaamaan tot de ontspannen gedachte te geraken, dat we in onze definitie van catechese met twee kanten zitten, die het ons moeilijk maken: God en de kerk, vanuit jongeren bezien eerder symbolen van onzekerheid, ingewikkeld-doen en saaiheid dan van waarheid en eenvoud.
In elk geval besefik steeds meer dat de kern van de zaak in wezen onverdedigbaar en kwetsbaar is.
Ik hield eens een verhaal over godsdienstige opvoeding. Er was één jongere op de gemeenteavond. Ze komt in de pauze naar me toe en zegt: 'U kunt me ook niet overtuigen van het belang van het geloof. Ik ga maar weg. Ik voel me best goed hoor', zei ze toen ik kennelijk wat al te verschrikt keek, 'maar geloof dat heb ik niet zo nodig, misschien als ik ziek word, dood dreig te gaan of een kind krijg, nu heb ik genoeg aan mezelf' Ze gaf me een hand en liet me verbouwereerd achter.
Waar ben je mee doende, als je je met catechese aan jongeren inlaat?
Dit voorval is een metafoor voor de situatie van Evangelie en kerk. We bereiken en we bereiken hen niet, zo vaak niet. En misschien zeggen mensen, ook jongeren daarom wel: we vinden alles best, maar als God erbij komt, wordt het meteen ingewikkeld. En dat wil ik nu niet. Zoiets.

Misschien reageren sommigen met: het hangt er van afin welk deel van de kerk en van het land je in de catechese bezig bent of je je herkent in wat hier gezegd wordt. Ik acht dat maar ten dele waar. Bij mij komt wat hier gezegd wordt heel herkenbaar over. Wie al catechiserend zijn jongeren voor zich oserveert en de realiteit van de catechese analyseert, moet beamen wat ds. Jonker zegt.

Ik zou zo nog wel even theologisch door kunnen gaan, maar ik zie de jongeren in onze cultuur weer voor me. Ik zie ze op zaterdagavond de provincie uitgaan naar Takens in Balkbrug, naar Skopje in Beilen of naar de Kruisweg in Marum. (Dat is geen godsdienstige naam, de Kruisweg, maar een kruispunt.) En daar praten ze, praten ze, als ze elkaar verstaanbaar kunnen maken. En ik vermoed dat vooral de toiletten plekken zijn, waar je tijden en tijden kunt kletsen boven de wastafel, kijkend in de spiegel.
De zingevingsgesprekken vinden daar plaats. En wij dachten dat de kerk de enige echte zingevingsinstantie was, beheerder van de geheimenissen van zin. Maar in die zalen komt het er op aan, wie je bent en of je kleding goed is en of je genoeg opvalt en toch niet uit de toon valt en ook weer niet zo ononderscheiden bent, dat je niet gezien wordt.
Daar en op school worden ingewikkelde herkenningscodes uitgedacht en uitgewisseld. En je bepaalt hoeveel je drinkt. En de hele volwassen wereld zou niets liever willen dan te weten hoe jij bent en hoe jongeren zijn. De kerk om aansluiting te kunnen vinden en de commercie om haar produkten te kunnen slijten, trends te kunnen zetten. Want de jeugd van 6 t/m 19 jaar telt 2,8 miljoen consumenten en zet 5,5 miljard per jaar om. Consumenten van de eerste orde, maar niemand weet meer hoe deze consument is. 'Je bent jong en je wilt wat'. 'Veronicacultuur'. Roepen we vanaf de preekstoel, de leuzen zijn net tot ons doorgedrongen en dan zijn ze alweer verouderd. Een enkeling had het nog over 'vertrossing', maar dat hebben we volgens de cultuurfilosofen ook alweer gehad. Zijn er dan niet kakkers en punkers in jeugdland?
U wordt meewarig aangekeken als u dat roept. Een tijdje geleden werd aan 272 jongeren gevraagd, hoeveel jongerentyperingen ze kenden. Ze kwamen tot 168 groepsnamen: anita's, sjonnies, trendies, arties, rockers, henkies, heksen, dorpelingen, klootzakken, mietjes, guppies, dutsmutsen, eitjes, moderno's om maar enkele te noemen. De jeugd schept de jeugd en vermomt en verpopt zich voortdurend, om zich aan de greep van wie ook, kerk of commercie te kunnen onttrekken. Want je wilt niet grijpbaar zijn. En die hele volwassen wereld wil je hebben in de school, de samenleving, de godsdienst. En jij ontsnapt lekker.
En ook het geloof wil je hebben en precies weten hoe je bent, zodat de kerk haar geestelijke waar kan slijten. Maar vergeet het: je kunt er in je studeerkamer geen touw aan vastknopen. Als je hen niet echt ontmoet, niet echt contact zoekt, niet echt relatie schept, snap je niet wat hun normen en waarden zijn, hoe ze kiezen en op grond waarvan, waar hun hart naar uitgaat en waarvoor ze bang zijn of waarin eenzaam. Want de cultuur en de jeugd, ze bestaan niet. En feitelijk is het een ratjetoe.

Een ratjetoe, aldus ds. Jonker, is het wat ouderen in onze cultuur jongeren aanbieden. Er is wel onderscheid gemaakt tussen het westerse, rationele denken èn het primitieve 'wilde' denken. Maar onze cultuur of beter de overweldigende hoeveelheid van culturen is 'primitief' geworden. Dat wil zeggen: er is vandaag geen eenheid meer, geen binding, geen God, die alles en allen bepaalt en richting geeft aan mens en tijd. Alleen het ogenblik telt, de tijd speelt geen rol, laat staan de traditie, aldus enkele regels uit het hier geciteerde verhaal. De commercie haakt daar heel duidelijk op in. Onze cultuur is daarom wel getypeerd met het woord 'graascultuur'.

Graascultuur
We sluiten voor dit keer af met nog een citaat van Jonker, waarin hij nader ingaat op de hierboven gebruikte term, afkomstig uit een recent onderzoek van Jacques Janssen, De jeugd, de toekomst en de religie (1988).

We moeten, zegt de commercie, diepere lagen raken om ze vast te houden. Let op: ik beschuldig jongeren niet. Ik teken de gangen in onze cultuur. Een graascultuur, onvoorstelbaar veelzijdig. En hoe ons bewustzijn precies geraakt wordt en bespeeld wordt, wie zal het zeggen? In deze cultuur vindt af en toe na het warm eten catechese plaats. Misschien is de catechese een grazige weide. Als jongeren er komen, komen ze er als mensen, die hier wel even willen komen grazen, maar er niet op voorhand van overtuigd zijn dat het relevant is. En als het niet smaakt, lopen ze weg. Hoe relevant ik het ook vind, wat ik ook verzin aan aandacht en creativiteit, ik moet er gewoon vanuit gaan, dat jongeren mijn waar niet vanzelfsprekend, maar eerder vreemd zullen vinden en dat ze zeker de manier waarop ik het beleef niet zo maar zou­den willen overnemen. Ze stellen eerder belang in elkaar en in mijn aandacht dan in mijn thema! Misschien ligt dat in Tange Alteveer anders dan in Diever en in Groningen weer anders dan in Coevorden.
Als het waar is, dat mensen het zelf willen doen, en op eigen houtje hun levensverhaal willen opbouwen en dat ze dat al grazend doen, dan moeten we een echte kans geven dat ook bij ons te doen. Wij denken nog steeds vaak onbewust bij catechese, dat jongeren allang thuis en op school voldoende godsdienstig gegraasd hebben en dat ze nu op de catechese komen om de inhoud op reflexief niveau te herkauwen.

Bij dit laatste zou ik wel willen opmerken, dat de 'grazige weide' voor onze jongeren het Woord Gods dient te zijn, hoe moeilijk toegankelijk de inhoud daarvan ook moge zijn voor jongeren in deze cultuur. We kunnen pas tevreden zijn, wanneer soms na jaren blijkt, dat het centrale van de boodschap toch is overgekomen. Want er blijken gelukkig ook ieder jaar weer jongeren te zijn in onze gemeenten, die heel bewust en heel diep overtuigd geraakt zijn van de waarheid en de werkelijkheid van God in Jezus Christus dankzij de kracht van de Heilige Geest. Het blijft dan ook alle moeite lonen, om getrouw en serieus bezig te zijn in verkondiging en catechese. Niet vanuit 'de wolk', maar 'op de grond', dichtbij en gewoon.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 21 november 1991

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

Uit de Pers

Bekijk de hele uitgave van donderdag 21 november 1991

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's