Kerstdag
O grote God
geworden een kleen kind,
waarom toch is 't
dat gij mij zo bemint?
Wat ben ik U,
die niet met al en ben;
en, kennend mij,
mij waarlijk niet en ken?
Gij wordt hetgeen
ik immer wezen zou,
ware ik uw woord
en uwe wet getrouw:
„'t En zij gij wordt
een arrem kind gelijk,
en komt gij ooit",
zo zeit ge, „in 't hemelrijk".
Uw woord, uw wet,
uw doen, uw zeggen staat,
o grote God
hier, in dit kindgelaat.
Gij heet en doet,
ik doe noch durve... o neen,
'k en ben, o God,
'k en ben noch kind noch kleen.
En maakt Gij mij
niet dat Gij doet en zeit,
't is uit met mij...
o God, barmhartigheid!
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 19 december 1991
De Waarheidsvriend | 24 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 19 december 1991
De Waarheidsvriend | 24 Pagina's