De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Global bekeken

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Global bekeken

5 minuten leestijd

Een lezer reikte ons een stukje, getiteld 'Tweede Kerstdag' aan uit de 'Kleine Postille van dr. J. Koopmans (NIjkerk, 1938). Terecht meent hij dat het goed is dit stuk, geschreven n.a.v. Joh. 1 : 5a ('En het Licht schijnt in de duisternis...') te lezen nu alom wordt gesproken over 'godsverduistering'. Hier volgt het (in aangepaste spelling):

'Het gehele, zo wonderlijk geïntoneerde Evangelie naar Johannes kan men verstaan als een uitwerking van de proloog. Johannes geeft geen geboortegeschiedenis, maar wel een Kerstprediking. De grote, beslissende dingen worden reeds in de aanhef van zijn Evangelie aanbiddend uitgesproken. Men moet echter in het oog houden, dat wij hier niet te doen hebben met de woorden van een zoekend mens, die in iedere zinswending opnieuw het dieplood uitwerpt, peilend naar de bodemloze grond van de verborgenheden Gods. Niet zo spreekt de apostel over het mysterie, dat hij de grenzen der menselijke kennis in diepzinnige speculatie wat verder uitzet en tracht een strook op het geheimzinnig donker te winnen. Zoveel filosofie moeten we in Joh. 1 niet zoeken. Het is het woord van een apostel, een prediker. En de situatie is veeleer omgekeerd: wìj zijn hier in het duister, en het eeuwig Woord, het Licht der wereld moet uit de eeuwigheid tot ons komen "om het donker op te klaren". Elk der geweldige woorden, die de prediker niet kan missen (begin, leven, Woord, vlees), komt niet in ons op, maar naar ons toe, als een beslissing over de wereld en over het mensenleven. In dien zin is ook te verstaan het woord: het Licht schijnt in de duisternis.
Hier is een zwarter duisternis bedoeld dan die, waarin de Schepper sprak: daar zij licht. Dàt was het donker, waarin nog geen licht geschenen had. Maar dit is de nacht, waarin geen geschapen licht meer schijnt. Het is de nacht des doods, die inviel over de dag der eerste zonde; die het licht der schepping voor ons oog heeft verdonkerd, ons verstand heeft verduisterd en ons hart vereenzaamd. Het is de nacht der mensengeschiedenis.
Maar vandaag wordt het ons verkondigd: deze nacht is de Kerstnacht. Het licht schijnt in de duisternis, en de heerlijkheid des Heeren omschijnt ons. Dat is het wonder, waarover de herders verblijd zijn geweest en allen die het hoorden zich verwonderden. Want zie, dat over de dag der zonde de nacht des doods invalt, daarin is een onontkoombare noodwendigheid, een "goed recht", waarover niemand zich heeft te beklagen. Maar dat deze nacht de Kerstnacht is, wie kon dat vermoeden? Dat is hetgeen het oog niet heeft gezien en het oor niet heeft gehoord en dat in het hart des mensen niet is opgeklommen. Ere zij God!
Wij zijn het enigszins ontwend, in zulke absolute tegenstellingen te denken als ons in de Bijbel worden voorgehouden. Het wil er slecht bij ons in, dat het licht, dat in ons is, duisternis zou zijn. Wij zijn geneigd een scala van schakeringen aan te nemen, een hele reeks van tinten grijs tussen wit en zwart. Zo is ons denken uit op éénheid en synthese, terwijl we de wereld voor onze ogen in stukken zien breken. Daarom is het zo goed, dat de apostel juist in dit verband spreekt van Johannes de Doper, in wie nog éénmaal vóór de prediking van Jezus zelf machtig de profetie opstaat. Hij komt zeggen hoe donker het is, opdat niemand mene, dat het komende licht zijn eigen licht is. Dat te menen betekent juist het licht verdonkeren, alle troost missen, zonder vergeving moeten leven. De Doper is niet gekomen om bijna gedoofde zielevonken aan te blazen totdat ze weer licht geven. Hij is een getuige, een stem uit de andere wereld, die roept dat het waarachtige licht tot ons komt.


Tot ons. Want hier is Hij gekomen, het Woord in het vlees, Immanuël. Wie Kerstfeest vieren wil, zal weer wit en zwart moeten leren onderscheiden. Hij zal de verschrikkelijke en heilzame kennis niet mogen vergeten, waarbij God Zijn volk bewaart, de heilige kennis van goed en kwaad. Zo alleen is de troost te vinden, die er uitgaat van Johannes' woord: het Licht schijnt in de duisternis. Zo zwart kan de nacht van ons leven niet meer worden, ja al wordt het de nacht in welken Hij verraden wordt – dat die door Gods genade niet in de Kerstnacht zou kunnen verkeren. Want zo ver is het met "de wereld" nog niet gekomen, of God wil haar om Christus' wil nog wel de Zijne noemen (vs. 11). Zo vijandig kan geen oude of nieuwe heiden zijn gezind ten opzichte van het Licht der wereld, dat Hij niet meer het Licht der wereld zou zijn. Wij hier op aarde, in de nacht der verschrikking, in het aangezicht van de dood, houden het alléén maar uit, doordat er uit de eeuwigheid een lichtstraal binnendringt in dit leven, dat geen leven meer is, maar niet anders dan een gestadige dood. De Zoon des Vaders is mens geworden in de wereld van de val en van het oordeel. Zijn komst splijt en breekt de duisternis.'

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 19 december 1991

De Waarheidsvriend | 24 Pagina's

Global bekeken

Bekijk de hele uitgave van donderdag 19 december 1991

De Waarheidsvriend | 24 Pagina's