Een wet anti-discriminatie of discriminatie bij wet? (1)
Als ik mij niet vergis, heeft het woord 'discriminatie' de laatste twintig jaar enorm aan populariteit gewonnen. Om te weten wat onder populariteit moet worden verstaan, sla ik het woordenboek open bij 'populair'. Het blijkt een tweevoudige betekenis te hebben: bij veel mensen geliefd; verstaanbaar voor het volk, voor niet-deskundigen. Discriminatie was, als ik mij niet vergis, tot voor twintig à vijfentwintig jaar een woord dat alleen gebezigd werd door een deskundige elite; dat vrijwel uitsluitend voorkwam in min of meer wetenschappelijke schrifturen en officiële documenten. Sinds het echter – voor het eerst of opnieuw?; ik zou het niet weten – in de politieke discussie en in de pers continu opduikt, is het woord gemeengoed geworden. Tot in de meest alledaagse gesprekken wordt het woord te pas, maar veel meer nog te onpas gebruikt. Voor vrijwel elke situatie, waarin men meent onrechtvaardig of ongelijk behandeld te worden, wordt de term discriminatie van stal gehaald. Hoe dikwijls klinkt in discussies waarin het over belangen gaat en waar men meent niet aan zijn trekken te (zullen) komen, niet het verwijt van discriminatie? Het lijkt alsof het eigen gelijk afdoende en onweerlegbaar kan worden afgedwongen door 4e ander te beschuldigen van discriminatie.
Kortom, discriminatie is een modewoord geworden dat soms terecht, maar veel meer onterecht in de mond wordt genomen. Populair, in de zin van bij vrijwel iedereen bekend en door iedereen gebruikt, is het woord discriminatie zeker. Of daarmee tegelijkertijd een scherp omlijnd besef aangaande de werkelijke betekenis en het juist gebruik gepaard is gegaan, mag de vraag heten. Het gemak waarmee een term wordt gebezigd staat geenszins borg voor het recht gebruik.
Grondwet als katalysator
Zoals reeds werd opgemerkt dankt de term discriminatie zijn populariteit niet weinig aan het veelvuldig gebruik ervan in politiek beleid en daarmee gelijktijdig in de maatschappelijke discussie. Dat begon al in de zestiger en zeventiger jaren. Een belangrijk markeringspunt daarbij is ongetwijfeld geweest de nieuwe Grondwet, waaraan ongeveer twintig jaar is gewerkt en die in 1983 van kracht werd. De toenmalige discussies over discriminatie vonden in belangrijke mate hun neerslag in artikel 1, dat luidt: 'Allen die zich in Nederland bevinden, worden in gelijke gevallen gelijk behandeld. Discriminatie wegens godsdienst, levensovertuiging, politieke gezindheid, ras, geslacht of op welke grond dan ook, is niet toegestaan'. Enerzijds, vooral wat betreft de eerste zin van dit artikel, werd aangesloten bij een grondwettelijke traditie in ons land, anderzijds – daarvan is de tweede zin de vrucht – werd ingehaakt op het vrijheids- en met name het gelijkheidsdenken van de zestiger en zeventiger jaren: de strijd tegen 'taboes', zoals ze genoemd werden, aangaande de traditionele positie van de vrouw in het maatschappelijk leven, tegen de toenmaals geldende sexuele moraal, maar ook de strijd tegen rascisme, tegen de tot dan toe als vrij vanzelfsprekend aanvaarde maatschappelijke consequenties van godsdienstige opvattingen. Kortom, het emancipatie-denken in de breedste zin des woords.
Nu bood de nieuwe Grondwet ook weer in die zin niet iets nieuws, al geruime tijd vóór 1983 via verdragen, waarbij Nederland partij was, en Europese wetgeving, het gelijkheidsidee (-dogma?) in onze gewone wetgeving, in bestuur en rechtspraak was doorgedrongen. In zoverre bevatte de Grondwet niet méér dan de grondwettelijke verankering van een praktijk die in 1983 reeds was gegroeid. Toch gaat het, denk ik, niet te ver om te stellen dat de Grondwet een stuk dynamiet bevatte. Het denken in de eerder aangegeven richting had zich gedurende het proces van grondwetsherziening voortgezet en was geradicaliseerd. Onder het kabinet-Den Uyl was de grootscheepse aanpak van de gelijkstelling van mannen en vrouwen in de steigers gezet. In 1981, onder verantwoordelijkheid van het kabinet Van Agt-Wiegel, bracht, daartoe gestimuleerd door de krachtige lobby van belangenorganisaties van homosexuelen en Emancipatie-commissie, de staatssecretaris voor emancipatiezaken, mevrouw Kraayeveld-Wouters (CDA), een voorontwerp van wet gelijke behandeling uit. Sindsdien bleef het streven naar een algemene wet gelijke behandeling hoog op de politieke agenda staan.
Het genoemde voorontwerp deed een schok door orthodox-christelijk Nederland en met name door de onderscheiden confessionele organisaties gaan. Vrijheden, die tot dan toe altijd min of meer als vanzelfsprekendheden waren beschouwd, dreigden ernstig in de knel te komen. Men schrok wakker uit de dommel: bedenkingen werden ontwikkeld en bezwaren geuit. De na 1981 optredende CDA/VVD-kabinetten maakten geen haast met wetgeving ter uitvoering van artikel 1 van de inmiddels van kracht geworden Grondwet. Interne strijd was daaraan niet vreemd. Intussen bleef incidentele wetgeving, daarbij inbegrepen goedkeuring van verdragen, zij het in soms langzaam tempo, doorgaan. Anderzijds kwamen door regerings-verwante liberalen en oppositionele socialisten gelanceerde initiatieven vanuit het parlement, bedoeld om de regering onder druk te zetten, hoegenaamd niet van de grond. We mogen er wel van uitgaan dat het in het bijzonder de confessionele coalitiepartner is geweest, die zich rekenschap heeft gegeven van de eerder bedoelde bedenkingen en bezwaren. Dat kon echter ook deze coalitiepartner er niet van weerhouden om aan het streven naar een brede, algemene wet gelijke behandeling vast te houden, zij het dat de meest ingrijpende kanten van eerdere voorstellen wat afgeslepen werden.
En zo komt dan in 1988 het eerste regeringsvoorstel voor een brede anti-discriminatiewet van de pers, ondanks een uitgesproken negatief advies van de Raad van State, het belangrijkste adviesorgaan van het kabinet. Een kabinetscrisis maakt in mei 1989 een einde aan het tweede kabinet-Lubbers en bij de kabinetsformatie van het (derde) kabinet Lubbers-Kok wordt overeengekomen dat het voorstel van '88 zal worden aangepast en vervangen door een (ver-)nieuw(d) voorstel, dat op 22 februari 1991 bij de Tweede Kamer wordt ingediend. (Op 9 augustus jl. verscheen het verslag van de eerste, voorlopige reacties van de zijde van de kamerfracties op het regeringsvoorstel.)
Een nieuw wetsvoorstel
Artikel 1 van de Grondwet behoort tot de grondrechten van de burger. Die grondrechten – grotendeelds vrijheidsrechten – hebben vooral betekenis naar de overheid toe, op het publieke terrein derhalve; de overheid heeft zich van inmenging in die burgerlijke vrijheden te onthouden. De vraag bij de wetgeving ter uitwerking van artikel 1 is nu in hoeverre de ene burger (of organisatie) zich op het private terrein tegenover de andere burger op de grondrechten – dus óók op het verbod van discriminatie – kan beroepen zoals dat tegenover de overheid mogelijk is. Daarenboven gaat bij de uitwerking in een wet van een grondrecht altijd de vraag spelen hoe het ene grondrecht (vrijheid) van de één zich verhoudt tot het andere grondrecht (vrijheid van de ander). Hoe meer terreinen een algemene wet gelijke behandeling bestrijkt, hoe meer het erop aan komt dat naar een evenwichtig stelsel van rechten, plichten en vrijheden gezocht wordt.
Het wetsvoorstel is in tweeërlei zin breed in z'n uitwerking.
Aan de ene kant doordat het acht verschillende vormen van discriminatie wil bestrijden; niet alleen onderscheid op de vijf gronden met zoveel woorden genoemd in artikel 1 Grondwet, maar, gebruik makend van de woorden 'of op welke grond dan ook', zijn toegevoegd: hetero- of homosexuele gerichtheid, burgerlijke staat (al dan niet gehuwd zijn). Aan de andere kant strekt het voorstel van wet zich ook in die zin breed uit dat het betrekking heeft op alle handelingen in het rechtsverkeer betreffende aanbieding van goederen en diensten, het aannemen en ontslaan van personeel, arbeid in dienstverband en binnen het vrije beroep. Bij het aanbieden van goederen en diensten (o.a. toelating) worden in het bijzonder genoemd de terreinen van volkshuisvesting, welzijn, gezondheidszorg; cultuur en onderwijs.
Op al deze terreinen en voor al deze verhoudingen wordt niet discriminatie verboden, maar het maken van direct en indirect onderscheid, enkele uitzonderingssituaties daargelaten.
Toch wil de wet ook weer niet uitputtend zijn; de conclusie dat alles wat niet nadrukkelijk verboden is dus toegestaan zou zijn, zou op een misvatting berusten. De rechter maakt in concrete gevallen uit of niet door wet verboden onderscheid misschien toch verboden moet worden. Gepleit wordt bijvoorbeeld voor een verbod van discriminatie wegens leeftijd.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 2 januari 1992
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 2 januari 1992
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's