Kerk in de crisis (2)
Analyse en uitzicht
Het zou te goedkoop zijn als we alleen de kerk in den brede in gebreke stellen. We hebben dat al zoveel jaren gedaan, op bepaalde punten. Maar als we zelf buiten schot zouden blijven zou het niet kloppen. De kerk, dat zijn we zelf. De Nederlandse Hervormde Kerk, dat zijn ook wij, zoals we hier als hervormd-gereformeerden aanwezig zijn, ook als aanstaande dienaren van het Woord. En zelf maken we ook deel uit van de grote nood en de grote schuld van onze kerk. Daar kunnen we nooit onderuit. We kunnen wel zeggen tegen mensen, die deze kerk verlaten hebben: 'u bent onder de schuld uitgelopen', maar als we dat zeggen betekent dat ook, dat we zelf de nood en de schuld van die kerk zullen inleven en zullen meebeleven. De vraag, die wij ons zelf mogen stellen – en ik bedoel dan de hervormd-gereformeerde sector, hoe breed of hoe smal men die ook nemen wil – is, of we nog meelijden aan de kerk; aan de kerk als geheel. Dat wil ik niet als een rhetorische vraag stellen, maar ook concreet onszelf voorhouden.
Wij zien vandaag, dat de gereformeerde gezindheid ook binnen de Hervormde kerk zich verbizondert in tal van instituties. Dat geschiedt dan in het geheel van een steeds verder verpulverende Gereformeerde Gezindte. Is dat de kerk nog? Dreigen we hierdoor niet de verantwoordelijkheid voor de kerk zelf vaak prijs te geven, omdat we ook vluchten in die instituties, die op tal van vlakken van de grond getild worden? Moeten we niet eerlijk zeggen, dat we ook in het geheel van de hervormd-gereformeerde sector verminderd zicht hebben gekregen op het geheel van de concrete Nederlandse Hervormde Kerk, waarvan een predikant eens op de preekstoel in Huizen zei: 'ik wil met de Hervormde Kerk door de modder gaan, want ik maak deel uit van haar nood en van haar schuld'.
Congregationalisme
Zien we ook onder ons niet allerlei congregationalistische tendenzen? Als je het maar goed hebt in je gemeente of in een groep! Moeten we dan niet zeggen, dat ook daarin het individualisme zich breed maakt en dat dat ten koste gaat van het zicht òp en het meedragen vàn de hele kerk. Durven we altijd de ontmoeting nog aan, de confrontatie mijnentwege, ook met wat zich theologisch voordoet? Of kiezen we voor het isolement?
Intussen – en dat is het meest ingrijpende – is er vaak zelfs al geen zicht meer op de gemeente. Ook de kerk zelf maakt het daarnaar. We hebben recent meegemaakt, dat de hotelkerk gesanctioneerd is. De perforatie van gemeentegrenzen is een feit, wordt wet. Dat mag, dat kan. Ik moet eerlijk zeggen – en dat kan me betwist worden – dat ik dit de meest ingrijpende beslissing acht, die de Hervormde Kerk in de na-oorlogse jaren heeft genomen. Daar bedoel ik niet mee te zeggen, dat het niet mogelijk moet zijn, dat mensen met allerlei dispensaties ergens anders moeten kunnen meeleven als het persé niet anders kan. Maar met de perforatie van de gemeentegrenzen hebben we wezenlijk het zicht op de gemeente in de Nederlandse Hervormde Kerk prijsgegeven. Ik acht dat uitermate ingrijpend. Het individualisme viert triomfen en krijgt kracht van wet; in de kèrk maar ook onder ons. Ook onder ons is en wordt 'hoera' geroepen over de perforatie. En wat we overhouden is 'volk in de kerk'. En niet meer de gemeente. Wat we overhouden is volk – jong en oud – dat maar ergens bij elkaar komt, of het de geméénte dient of niet. 'Volk in de kerk' is echter iets anders dan de gemeente. Dit alles grijpt diep in. Ik beleef zelf existentieel, dat dit heel diep ingrijpt in het geheel van de kerk, waartoe we behoren.
Gemeenschap en belijdenis
Dat dit individualisme zelfs of juist ook een verschijnsel is, dat dáár voorkomt, waar men trouw heet te zijn en wil zijn aan de confessie, is het meest ingrijpend. Misschien zijn wij in ons verzet tegen 'gemeenschap met de belijdenis der vaderen' – want daar hebben we tegen gestreden in het verleden; dat moest 'in overeenstemming' zijn – wel heel wezenlijke elementen van de bijbelse gemeenschap zèlf kwijtgeraakt. Waar is de rechte koinonia? Die moet toch juist dáár functioneren, waar de belijdenis in tel is en waar we dan zeggen dat de belijdenis een akkoord is van kerkelijke gemeenschap? Maar juist ook binnen de hervormd-gereformeerde gezindheid, om het woord van Groen van Prinsterer maar te gebruiken, wordt over en weer geroepen: 'kom over'. Niet: 'kom over en help ons', maar gewoon: 'kom maar over'.
Ook in de ambtelijke sfeer wordt de gemeenschap maar al te gemakkelijk verbroken, de collegialiteit ook. Als ik me niet vergis zijn beginnende tendenzen daarvan soms ook al in het studentenleven aanwijsbaar. Ik acht het breken van de gemeenschap dè grote nood, de grote crisis, óók onder ons. Ik wil dat eerlijk zeggen. Daar kan geen zegen op rusten. Als ik het scherp mag zeggen: we hebben eerst de gemeenschap der kerk prijsgegeven, en vervolgens geven we de gemeenschap der gemeente prijs.
We zijn bij dit alles wellicht orthodoxer geworden maar misschien ook wel minder bevindelijk. Orthodoxer geworden en de koinonia verspeeld? Dat is één aspect, dunkt mij, van de crisis, ook onder ons. In het geheel van de kerk, maar óók onder ons.
Apostolaat
Toch wil ik nu ook wat anders zeggen. Ook een ander aspect mag niet ongenoemd blijven. Ik kom dan toch weer terug op het apostolaat. Ook maar in alle eerlijkheid gezegd: het zou kunnen zijn, dat we in hervormd-gereformeerde kring vandaag het gevaar lopen het faillisement van het apostolaat nog eens een keer te gaan herhalen. In de kring van Kontextueel is het apostolaat ook nogal aan de orde; pro en contra, kritisch en meegaand aan de orde. Ik kan me soms niet aan de gedachte onttrekken, dat hier en daar vertwijfelde pogingen worden gedaan om het oude apostolaat, liever de apostolaatstheologie van net na de oorlog, weer nieuw leven in te blazen of op de been te houden.
Ik hoop dat duidelijk is wat ik ook positief ten aanzien van het apostolaat heb willen zeggen. Maar we staan ook voor het faillisement ervan. Ik sluit mij aan bij wat drs. W. Dekker zegt in het Open Boek. Hij spreekt over een positie tussen isolement en aanpassing. En dan zegt hij:
'De een heeft het gevoel met de tijd mee te moeten, de ander heeft juist het gevoel tegen de tijd in te moeten. Het risico van de eerste is, dat hij uiteindelijk de boodschap die hij wil overdragen, kwijtraakt doordat hij steeds weer opnieuw aangepast wordt aan de eigentijdse tijd en opvattingen. Dat risico is niet denkbeeldig. Je ziet het telkens weer gebeuren in de linker vleugel van de kerken. Links brokkelt af omdat men juist door de pogingen de wereld te winnen steeds meer terrein aan de wereld kwijt raakt. Dat is bij voorbeeld de tragiek van de apostolaatstheologie van de Nederlandse Hervormde Kerk in de na-oorlogse jaren. Het eens met het oog op binnenlandse zending opgerichte instituut Kerk en Wereld is een algemeen vormingsinstituut geworden, waar men steeds weer met modieuze en soms ook wel met zinnige onderwerpen bezig is, maar het eigene van Kerk en Evangelie valt er nauwelijks in te herkennen.
Het risico van de tweede houding, die van het isolement, is dat men niet zozeer de boodschap kwijt raakt, alswel de mensen aan wie men de boodschap wil overdragen.'
Ik denk dat Dekker hier op zichzelf een juiste analyse geeft. Hij kiest dan voor begrippen als confrontatie met de cultuur, penetratie in de huidige cultuur. Hij gebruikt het woord inculturatie: een nieuwe inculturatie van het Evangelie. Ik begrijp dit, gezien de grote afkalving, die we zich juist in de grote steden zien voltrekken. Dekker zegt terecht: 'voor we het weten hebben we God opgesloten in een bepaalde tijd. Maar Hij is net zo goed in staat te werken in de twintigste als in de zestiende eeuw'. Het zal dus ook inderdaad de apostolaire roeping van de kerk vandáág zijn, om juist ook in de steden, daar waar het kerkelijk leven zeer gesmaldeeld is, met het Evangelie een weg te vinden in het geheel van het volk.
Ik ben het – nogmaals gezegd – eens met deze analyse als we de geweldige kaalslag zien, die zich voltrekt. Op een goede wijze móét de kerk ook apostolair bezig zijn. Maar de vraag is: hóé? En dan heb ik ook – dat wil ik in alle eerlijkheid zeggen – bepaalde dingen met vréés en béven gelezen de laatste tijd. Als we dan apostolair bezig zullen zijn, ook in eigen kring, dan zal dat in ootmoed moeten, zonder enige triomfantelijkheid en gericht op de opbouw van de gemeente 'tot een woonstede Gods in de Geest'. Dan mogen we inderdaad bevreesd zijn, niet in dezelfde fouten te vervallen van het recente verleden.
Dynamisch?
Dan moet ik nu ook één ding eerlijk zeggen: ik heb grote moeite met de bijdrage in dat opzicht in het Open Boek waarin wordt gepleit voor een dynamisch waarheidsbegrip (drs. H. de Leede en ds. C.G. Geluk). De waarheid is dynamisch, zo wordt gezegd. Nu kun je daar natuurlijk een heleboel spielerei om heenweven. Wat bedoelen we met dynamisch? Dat is dunamis, dat is kracht. En het Evangelie is toch een kracht? Een kracht Gods tot zaligheid! Ik denk echter dat zij méér bedoelen, als ik hun bijdrage goed heb verstaan.
Eerlijk gezegd verzet ik mij tegen de gedachte van een dynamisch waarheidsbegrip. In de tijd van de opkomst van de apostolaatstheologie zijn we afgestapt in de Hervormde Kerk van de zelfstandige naamwoorden en zijn we overgestapt op de werkwoorden. Het ging niet meer om de belijdenis. Dat was te statisch. Nee, belijden-dynamisch. Het ging om dynamisch belijden in plaats van een statische belijdenis, alsof je dat zo tegenover elkaar kunt zetten. Later ging men ook in de Gereformeerde Kerken spreken over de 'dynamische binding aan de belijdenis'. Steeds dat woord dynamisch, bewegelijk. De vraag is: waar kom je er mee uit? We zijn met die kwalificatie dynamisch – want dat is niet alleen maar een woord, dat krijgt ook een inhoud – in de kerken vaak het wezenlijke van onze belijdenis kwijtgeraakt. En wie van de geschiedenis niet leert, moet haar opnieuw beleven. Ik houd mijn hart vast als we dit dynamische waarheidsbegrip ook onder ons hier en daar zien opduiken. Dat brengt, dunkt mij, geen wezenlijke vernieuwing. We hebben het profetische Woord, dat zeer vast is. We doen wel daarop acht te geven als op een licht, schijnende in een duistere plaats.
En onze belijdenis zullen we, willen we althans staan in onze hervormd-gereformeerde traditie, ook heel duidelijk zien als een akkoord van kerkelijke gemeenschap. Daarvoor heeft ook het gereforméérde voorgeslacht, ook het hervormd-gereforméérde voorgeslacht, gestáán. Mij dunkt, dat stemmen onder ons, die alles zetten op de noemer van de dynamiek, van het dynamische, toch óók de gemeenschap op spanning zetten. Dan sluit ik liever en volgaarne aan bij de bijdrage van dr. G.F. Immink in het Open Boek. Ook hem wil ik wat uitvoerig citeren. Hij zegt:
'We hebben reeds aangegeven dat de Schriftuitleg een belangrijke rol speelt in de gereformeerde prediking. Waarom eigenlijk? Op deze plaats gaat het ons niet om een leer aangaande de Heilige Schrift. Het gaat om de plaats van de Schrift voorzover het de prediking betreft: welke rol speelt de Schrift in de verkondiging? We hebben er al op gewezen dat naar gereformeerde opvatting God Zelf in de prediking van Zijn Woord Zich tot ons richt. Welnu, het gepredikte Woord staat nooit los van het geschreven Woord. Waarom niet? Omdat het onze diepste overtuiging is, dat in de Schrift de levende God Zichzelf uitspreekt. Hij maakt bekend. Wie Hij is en hoe Hij met ons mensen omgaat. Er is nog meer te zeggen: in de Schrift ontdekken we niet alleen wie de Heere is, maar we ontdekken ook wie de mens is. We ontdekken dat er wezenlijke dingen gezegd worden over onze nood en over de bestemming van de mens.
Ook zonder de Bijbel valt er heel wat over de mens te zeggen, ook over de moderne mens. Er zijn ontwikkelingen in de geschiedenis van de mensheid die ten tijde van de Bijbel ondenkbaar waren. Bovendien beleeft de mens zichzelf waarschijnlijk heel anders dan in vroegere perioden. Toch geloven we dat de Bijbel een uniek licht werpt over het leven van mensen in de ontmoeting met God, zaken die we zonder de Schrift niet op het spoor zouden komen. Luisteren naar de Schrift is daarom steeds een luisteren naar wie God en wie de mens is, luisteren naar iets, dat wij uit onszelf niet op het spoor komen'.
En dan gaat het me om het volgende speciaal.
'Ik waag het erop te zeggen, dat de gereformeerde prediking lijdt onder de verschuiving naar subjectivisme. Is het gevaar niet groot, dat we in de prediking teveel stilstaan bij de zoekende mens, zodat we helemaal niet meer toekomen aan de verkondiging van de grote daden Gods? Moet ook nu niet het heil in Christus verkondigd worden als enig houvast? Ik zie het als een verarming wanneer in de gereformeerde prediking het zoeken van onderaf in de plaats komt van een duidelijke verkondiging van het heil, dat God gewerkt heeft en ook nu werkt. Dat neemt niet weg dat in de prediking volle aandacht gegeven wordt aan de mens. Hoe zou het anders kunnen? Maar ik zie het gevaar, dat uiteindelijk de vorme mens weer op de troon gezet wordt, en dan schieten we net weer aan ons doel voorbij.
Dat bewaart ons voor overgeestelijke verwachtingen en bewaart de predikant ervoor dat hij de "profetische" roeping te zeer naar zichzelf trekt. Immers de predikant hoeft het Evangelie niet waar te maken in de verkondiging. Er kan zelfs een zekere beknelling uitgaan van een preek, waarin de bewogenheid van de prediker om mensen tot het geloof te brengen zo sterk op de voorgrond treedt dat de prediker a.h.w. tussen het Woord en de hoorders schuift'.
Samengevoegd
Tenslotte nog één keer: de gemeente, woonstede Gods in de Geest. Dat betekent dat er wel bewogenheid zal zijn om de kerk. En dat er bewogenheid zal zijn om de gemeente. Maar dan ook zó, dat het daarin ook gaat om de rechte prediking. In Efeze 2, waarin gesproken wordt over het opgebouwd worden van de gemeente tòt een woonstede Gods in de Geest, wordt eerst gezegd, dat de gemeente gebóúwd is op het fundament van apostelen en profeten, waarvan Jezus Christus de uiterste Hoeksteen is. De vastheid van het gebouw van de gemeente – niet van een groep, niet van volk in de kerk – maar van de gemeente, ligt hierin, dat ze is gebouwd op het fundament van apostelen en profeten. En dan staat er, dat het hele gebouw opwast tot een tempel in de Heere. Samen gevóégd. Dat is een mooi woord eigenlijk. Samen gevoegd. Voegen doet men met specie, om stenen aan elkaar te hechten.
Samen gevoegd! Zo samen een hecht huis. En dan wordt gezegd, aan het slot: 'op welke ook gij mede gebouwd wordt tot een woonstede Gods in de Geest'. Calvijn zegt ervan: 'Want God woont alzo in een iegelijk van ons'. Hij bedoelt, dat ook het lichaam een tempel is van de Heilige Geest. 'God woont alzo in een iegelijk van ons, dat Hij ons allen te zamen met een heilige enigheid wil omvangen en alzo uit velen één wil maken. Zo dan die op zichzelf een tempel is, die wordt, tot de anderen verzameld zijnde, een steen van de tempel, wat gezegd wordt om de enigheid te prijzen'.
Waarop gij ook méde gebouwd wordt, 'want naar mijn oordeel', aldus Calvijn, 'vermaant de apostel de Efeziërs dat zij meer en meer in het geloof opwassen nadat zij eenmaal daarin gefundeerd zijn en dat ze alzo samen een stuk van de nieuwe tempel zijn, die toen alom in de ganse wereld Gode door het Evangelie gebouwd werd'.
Welke rechte dienaar van het Woord zou niet bewogen zijn, begaan zijn met deze opbouw van de gemeente, van Zijn gemeente? Dan is, dunkt mij, altijd weer kenmerkend voor het gereformeerde, dat we gaan van het objectieve naar het subjectieve en niet omgekeerd, van God uit naar de mens toe. Vanuit het vaste fundament naar de vragende, klagende, twijfelende en aangevochten mens.
Persoonlijk
Dan wil ik afsluiten met een wat persoonlijk getint slot. Een klein beetje kom ik dan misschien op het terrein van ds. Verboom, omdat hij zeker ook één en ander over de prediking zal zeggen. Toen ik vorig jaar zelf op de Open Brief kritisch heb gereageerd – dat wordt ook gememoreerd in het Open Boek – heb ik ook gesproken over het 'recht Gods' en de kerf, die dat geeft in een mensenziel. Ik denk dat men elkaar ook gemakkelijk op dit punt kunt misverstaan. Wat bedoel je daar dan precies mee? Ik moet zeggen, dat ik in de loop van de tijd grote liefde heb gekregen, juist ook in de omgang ermee, voor de Dordtse Leerregels. Ik weet dat de Dordtse Leerregels vaak het meest van de confessies onder spanning staan, binnen de gereformeerde theologie ook. Deze zijn niet zonder aanvechtingen geweest en ik heb daar in zekere zin ook wel op bepaalde momenten begrip voor, gezien de menselijke verwoording van het geheimenis der verkiezing. Maar toch, ik heb dezer dagen nog eens voor mijzelf Aus einem Gusz gelezen hoofdstuk 2 van de Dordtse Leerregels, waarboven staat: 'van de dood van Christus en de verlossing van de mens'. Als men al die artikelen dan op een rij zet, waar gaat het dan om?
Het eerste artikel: wij mensen kunnen de straf niet ontgaan, tenzij aan de gerechtigheid Gods genoeg geschiede. Dat zet in bij de gerechtigheid van God. Bij het recht van God. En wat we belijden vraagt ook om beleving. Dat heb ik bedoeld met die kerf in de mensenziel. Wat we belijden vraagt om beleving. Wij mensen kunnen de straf niet ontgaan, tenzij aan Gods gerechtigheid genoeg geschiede.
Tweede artikel: dat kunnen we zelf niet. Daarom gaf God uit oneindige barmhartigheid Zijn Zoon, ons tot een Borg.
Dan het derde artikel: het offer van Christus is genoeg voor de verzoening van de hele wereld;
En het volgende artikel: Die Zoon, Christus, samen met de Vader en de Geest, God! In de Heidelbergse Catechismus staat het net andersom: de Heilige Geest samen met de Vader en de Zoon eeuwig God.
En het volgende artikel: het is de belofte van het Evangelie dat een ieder die in de gekruisigde Christus gelooft het eeuwige leven hebbe. 'Welke belofte aan alle volken en mensen, tot welke God naar Zijn welbehagen Zijn Evangelie zendt, zonder onderscheid moet verkondigd worden en voorgesteld worden met bevel van bekering en geloof.' Daar heeft men het apostolaat in een notedop.
Dat velen niet geloven, zo vervolgen de Leerregels, is eigen schuld maar dat velen geloven is pure genade.
En zo wordt afgesloten met de belijdenis van de genadige verkiezing vanwege de verkiezende God.
Hier ligt dunkt me het grondstramien voor de gereformeerde prediking. Deze leer vraagt om beleving. Het coloriet van deze gereformeerde belijdenis zal ook het coloriet van de gereformeerde prediking bepalen. Om de gemeente te bouwen op het vaste fundament van apostelen en profeten tot een woonstede Gtods in de Geest.
P.S. In mijn oudejaarsartikel verzuimde ik helaas de promotie te vermelden van dr. B.J. Wiegeraad te De Bilt over prof. dr. Hugo Visscher.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 9 januari 1992
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 9 januari 1992
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's