Een wet anti-discriminatie of discriminatie bij wet? (2)
Dogmatisch uitgangspunt
Het kan niet de bedoeling zijn in de artikelen de gehele inhoud en al de gevolgen van het wetsvoorstel te bespreken. Men zie daarvoor de stukken zelf, die bij de Staatsuitgeverij verkrijgbaar zijn (nr. 22014).
Het zal hierna in het bijzonder gaan over de kerken en de confessionele organisaties. Over de doelstelling en het motief achter dit wetsvoorstel hoeven we niet in het duister te tasten, al is de regering niet altijd consistent daarin. De allereerste zinnen van de memorie van toelichting zijn duidelijk: 'Het onderhavige wetsvoorstel strekt ertoe bescherming te bieden tegen aantasting van de menselijke waardigheid. Het grondrecht op gelijke behandeling en nondiscriminatie vloeit voort uit de persoonlijke waardigheid van ieder mens. In een democratische rechtsstaat brengt de daadwerkelijke erkenning van die waardigheid mee, dat een persoon vrijelijk zijn rechten en vrijheden moet kunnen uitoefenen en zich in het maatschappelijk leven moet kunnen bewegen, zonder dat hij wegens persoonlijke kenmerken en eigenschappen, bijvoorbeeld op grond van vooroordelen of gevoeligheden van anderen, wordt achtergesteld (...). Het beoogt op een aantal terreinen die voor de mogelijkheden van het individu om deel te nemen aan het maatschappelijk leven van groot belang zijn, die deelneming te bevorderen, althans belemmeringen (gelegen in discriminatoir handelen) weg te nemen'.
Deze zinnen laten duidelijk het vertrekpunt zien: het individu en zijn rechten, met — in principe — voorbijgaan aan de rechten en vrijheden van gemeenschappen en ongeacht binnen die gemeenschappen algemeen aanvaarde ethische normen en vormen ('vooroordelen', 'gevoeligheden').
Zoals met de meeste uitgangspunten, die op zichzelf iets radicaals en ongenuanceerds in zich hebben het geval is, moeten bepaalde concessies gedaan worden als het principe in het licht van een bestaande werkelijkheid moet worden uitgewerkt en — nog weer later — moet worden toegepast. Zulke concessies komen in het wetsvoorstel — gelukkig — voor, al kan niet vergeten worden dat deze concessies uit pragmatische overwegingen (o.a. haalbaarheid in het parlement) voortkomen. In feite is hierover in de afgelopen jaren de politieke strijd gevoerd: Hoe ver moeten wij — regering, parlement — gaan bij het toestaan van concessies? Ook bij de verdere behandeling van het wetsvoorstel zal het hierover gaan. Het uitgangspunt staat niet ter discussie, maar heeft iets van een dogma, een axioma.
Van een compromis van even-waardige uitgangspunten, bijvoorbeeld de vrijheid en gelijkheid, is mijns inziens geen sprake. Van kennis van en respect voor het wezen van de kerk en haar opdracht evenmin.
Hierboven mocht ik er reeds op wijzen dat de uitwerking en concretisering van het ene grondrecht kan botsen met andere grondrechten. De verboden discriminatiegronden treffen facetten van iemands persoonlijkheid die door andere grondrechten worden beschermd: godsdienst (en levensovertuiging) door artikel 6 en wat het onderwijs betreft, door artikel 23, derde lid (in het openbaar onderwijs) en vijfde lid (de vrijheid van richting van het bijzonder onderwijs); politieke gezindheid onder meer door artikel 4 (kiesrecht en verkiesbaarheid), artikel 7 (vrijheid van meningsuiting) en de artikelen 8 en 9 (recht tot vereniging, vergadering en betoging); hetero- of homosexuele gerichtheid en burgerlijke staat behoren tot de persoonlijke levenssfeer die bescherming vindt in artikel 10 van de Grondwet.
In het bijzonder zijn in het verband van dit artikel van belang de vrijheid van godsdienst, van onderwijs en van vereniging van vergadering.
Vrijheid van de kerk
De vrijheid van godsdienst houdt naar algemene opvatting niet alleen de vrijheid in om een godsdienstige opvatting te hebben, maar ook de vrijheid om zich overeenkomstig die overtuiging te gedragen.
Uit dit grondrecht vloeit voort de bepaling in het wetsvoorstel, die de wet niet van toepassing verklaart op rechtsverhoudingen binnen kerkgenootschappen en op geestelijke ambten. Dat betekent bijvoorbeeld dat de kerk vrij is om ambten alleen voor mannen open te stellen, homosexuelen van het avondmaal te weren, e.d. Wie zich binnen de kerk of in een ambt gediscrimineerd voelt, kan dus geen bescherming ontlenen aan de algemene wet gelijke behandeling. Dat klinkt de argeloze lezer wellicht heel royaal en geruststellend in de oren. Men zou zelf tot de, helaas al te vlotte, slotsom kunnen komen, dat de kerk in strikte zin genomen niets te duchten heeft.
Zo simpel is het echter niet. In de eerste plaats moet men doordrongen blijven van het feit dat anti-discriminatie-wetgeving, die thans reeds bestaat en waarin geen expliciete uitzondering voor de kerken is opgenomen, in beginsel gewoon blijft gelden voor de kerken (zie o.a. zaak van de Chr. Geref. Kerk te Ede, febr. 1989).
In de tweede plaats, lettende op het nu voorliggende wetsvoorstel, moet opgemerkt worden dat de uitzonderingen, die zoëven werden genoemd, niet gelden wanneer de kerken op gelijke voet met anderen aan het maatschappelijk verkeer deelnemen. Zoiets doet zich voor als de kerk ruimten voor verhuur beschikbaar stelt, gronden verpacht of medewerkers in dienst heeft, die geen geestelijk ambt bekleden (organisten, kosters, personeel op zendingsen diakonale bureaus, etc). Er zijn op dit vlak ook twijfelgevallen mogelijk. Men denke bijvoorbeeld aan kerkvoogden, die geen ouderling zijn, evangelisatie-arbeiders enz.
De kern van de bezwaren tegen de toepasselijkheid van de wet op deze situaties moet zijn, dat de wet een wig kan drijven tussen leer en leven, indien de kerk er in leer en leven van pleegt uit te gaan dat het maken van onderscheid op één of meer van de in de wet genoemde criteria niet alleen gerechtvaardigd maar ook plicht is, niet om te discrimineren doch om te behouden. Het is toch merkwaardig, dat ingeval reden voor tuchtoefening aanwezig is en daartoe ook daadwerkelijk wordt overgegaan — dit belet de wet niet —, de wet verhindert dat burgerrechtelijke consequenties aan zulk een tuchtoefening kunnen worden verbonden.
Vrijheid van confessionele organisaties
Vergelijkbare bezwaren als hierboven tegen het wetsvoorstel geuit wat betreft de kerken en geestelijke ambten, kunnen, zij het in sommige gevallen in ietwat afgezwakte vorm, aangevoerd worden als het om scholen, ziekenhuizen, verpleeghuizen, welzijnsinstellingen etc. gaat. Echter, het grote verschil met de kerken is dat op deze instellingen de wet wel van toepassing is, en slechts enkele nauw geclausuleerde uitzonderingen in het voorstel zijn opgenomen. Of een instelling op enkele punten, bijvoorbeeld voor de personele invulling van bepaalde functies, onderscheid mag maken, hangt er van af of men weet te voldoen aan de vrij zware bewijslast omtrent de noodzakelijkheid van die uitzonderingen. De onderwijsorganisaties hebben zich dan ook reeds laten horen over de voorstellen.
Van de botsing tussen het recht op gelijke behandeling (van mannen en vrouwen met name) en het recht op vrije vereniging en vergadering hebben bijvoorbeeld de (kerkelijke) vrouwen- en mannenverenigingen, die immers onderscheid maken naar geslacht, weinig te duchten.
Hun vrijheid wordt niet bedreigd, zelfs niet geregeld in het voorliggende wetsvoorstel. De toegankelijkheid van dit soort verenigingen wordt beheerst door het onlangs goedgekeurde internationaal verdrag tot uitbanning van alle vormen van vrouwendiscriminatie.
Dit verdrag hangt wel als een donkere wolk boven de enige politieke partij in ons land die geen vrouwen als lid toelaat! Maar dit terzijde.
Maatschappelijke oorlog?
Tot slot van deze beschouwing over het voorstel voor een algemene wet gelijke behandeling moet nog op een processueel aspect worden gewezen.
De algemene wet wil dienen ter bescherming van de rechten en belangen van burgers. Zij kunnen dus actie ondernemen als zij menen gediscrimineerd te worden. Maar zij niet alleen! Ook belangenorganisaties die zich het behartigen van de belangen van diegenen die een beroep zouden kunnen doen op de voorgestelde wet, kunnen een rechtsvordering instellen. Daarnaast is er dan nog de Commissie gelijke behandeling, die bevoegdheden bezit om zelfstandig onderzoek te doen, maar tevens om een vordering bij de rechter in te stellen.
Vooral de mogelijkheid van belangenorganisaties om naast of in plaats van (maar wel met toestemming) degene die meent gediscrimineerd te worden, namens een maatschappelijke groepering de rechter of de Commissie in te schakelen, kan een forse deuk toebrengen aan de in onze maatschappij, vanwege de steeds toenemende levensbeschouwelijke en culturele pluriformiteit, zo onmisbare tolerantie. Daar nu zit ten diepste de tweeslachtigheid van het wetsvoorstel: als anti-discriminatie wet zou men verwachten dat zij de tolerantie wil bevorderen en waarborgen. Het effect zou echter wel eens averechts kunnen zijn. Men zou toch geleerd moeten hebben dat afgedwongen tolerantie geen stand houdt, evenmin als afgedwongen solidariteit. Daar komt dan bij dat dit wetsvoorstel, met name door de wijze waarop de handhaving is geregeld, niet de tolerantie van overheidswege waarborgt maar maatschappelijke groeperingen aanmoedigt om met andere groeperingen de strijd aan te binden, die dan tenslotte door de rechter beslist zal worden.
De innerlijke tegenstrijdigheid zit 'm ook daarin dat de wet vanuit de idee van de gelijkheid, althans de gelijkwaardigheid, een aantal in de loop van de tijd ontstane maatschappelijke, godsdienstige en culturele verschillen wil wegpoetsen, terwijl het uitgangspunt van de huidige democratische rechtsstaat is de van overheidswege geponeerde neutraliteit van de staatsorganen ten opzichte van godsdienst, levensovertuiging enz. Pluriformiteit is een hard en onaantastbaar gegeven. Gelijkschakeling en honorering van de pluriformiteit — dat wringt. Met Groen van Prinsterer kan men niet anders dan concluderen dat de zogenaamde neutrale democratische staat op zijn tijd dictatoriale, onverdraagzame trekken aanneemt.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 9 januari 1992
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 9 januari 1992
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's