Uit de Pers
Terugblik op de tijd
Veel persorganen besteden grondig aandacht bij een jaarwisseling aan gebeurtenissen van het voorbije jaar. Vaak juist dan ontdek je wat een ingrijpend jaar ook 1991 is geweest in de geschiedenis van mens en wereld. Wij belijden: een jaar onzes Heeren. Een jaar waarin de Godsregering voortging, ook al is de relatie met de mensenbeweging vaak moeilijk te ontwaren. Een jaar vol ontzettende gruwelijkheden immers en nog is het einde niet. In De Wekker van 20 december 1991 schreef redactielid D. Koole een artikel als bovenbedoeld onder het opschrift 'Een boeiende tijd?'. Iemand had tegen hem opgemerkt: wat is onze tijd toch boeiend, hij zou in geen andere tijd hebben willen leven. Het feit dat Koole een vraagteken plaatst achter het opschrift van zijn verhaal, geeft aan dat hij wat problemen heeft met zo'n opmerking. Koole vraagt zich af: hoe kijken we als christenen aan tegen de dingen. Bestaat er zoiets als een christelijke visie op wat er in onze wereld omgaat. Hij gaat dan allereerst in op wat heet de Golfoorlog.
Het begin van 1991 werd gemarkeerd door een oorlog van een geheel nieuwe soort, de Golfoorlog. Irak moest uit Kuwait worden verdreven en de agressie van Saddam Hussein tegenover de Koerden moest worden beteugeld. Het heette een technologische oorlog te zijn, een oorlog waarbij de vijanden elkaar niet meer zagen, maar waarbij de techniek op afstand met grote nauwkeurigheid en alles omvattendheid haar vreselijke werk deed. Nog altijd is niet helemaal duidelijk hoe deze oorlog aan westerse kant is gevoerd. Als waar is dat de Irakezen met duizenden tegelijk in één grote schoonveegactie levend onder het zand bedolven zijn, zal de geschiedenis moeten uitmaken of dit nog wel een oorlog was waarin de codes en regels van de conventie van Genève volledig werden gerespecteerd. De kerken hebben — overigens met grote nuancering wat toonzetting en inhoudelijkheid betreft — gebeden om en gedankt voor de voorspoedige acties en snelle overwinning aan geallieerde kant. Kon men anders doen, kan men vragen. Het ging toch om de beteugeling van een ongeremd agressief bewind? Dat is niet te ontkennen, maar wie zich enigermate verdiepte in de vraag hoe (door wie en waardoor) de machtspositie van Irak door de jaren heen kon groeien tot wat ze op het moment van de inval in Kuwait was, zal behoedzaam hebben gebeden, met een sterk accent op de noodzaak van belijdenis van schuld aan westerse zijde. Misschien met onvoldoende zicht op de machtsverhoudingen in het Midden-Oosten, maar we hebben daar zelf helpen bewerkstelligen wat we later moesten opruimen. En dat is uiteindelijk nog maar zeer ten dele gelukt, want intussen zijn al weer honderdduizenden Koerden voor het regime in Bagdad op de vlucht. In werkelijkheid kan het bidden van de kerk in situaties als deze niet veel méér omvatten dan de erkenning, dat wat aan het begin van de menselijke geschiedenis door ons toedoen niet goed is gegaan, in zijn gevolgen allerverschrikkelijkst is geweest, met de smeekbede of God Zijn oordeel in die gevolgen wil temperen, vooral in die delen van de wereld waar die gevolgen zich het sterkst laten voelen. En voor wie het werkelijke resultaat van deze oorlog enigermate wist te meten, kon het danken voor de korte duur en de goede afloop niet verder reiken dan de gelovige erkenning dat het inderdaad God is, die oorlogen doet ophouden; met eraan vast de bede om ontferming over al de nabestaanden van de honderdduizenden, die in enkele weken tijds over de grens van tijd en eeuwigheid werden gejaagd.
Koole noemt in zijn stuk niet de positie van Israël. Wie enigszins positief over de Golfoorlog wil spreken en er ook het gebed van de kerken in wil betrekken, zal m.i. met name aan de altijd bedreigde positie van Israël moeten denken. Het valt niet te tolereren, dat dit volk in haar bestaan opnieuw ten dode toe vernietigd wordt. Maar geldt dit eigenlijk niet van alle volkeren? Waarom is terecht Saddam Hoessein afgestraft, maar waarom wordt er niet ingegrepen in de afschuwelijke slachtpartij op de Balkan?
Nooit meer oorlog in Europa, hebben we wel eens gedacht.
Kroatië en Servië hebben ons die illusie ontnomen. En het is nog niet te zeggen waartoe de politieke en economische instabiliteit in de gewezen Sovjet-staten zal leiden. Het monster van de honger bedreigt hier en daar Oost-Europa en daarin schuilt een vreselijk groot gevaar. Een volk dat honger heeft, is onbeheersbaar en onberekenbaar. Gelovend dat het Godsbestuur door het gebed van zijn volk op deze aarde beïnvloedbaar is, is er zeer dringend reden op te wekken tot het gebed dat wat zich in Oost-Europa voltrekt in goede banen mag worden geleid. Wat daar gaande is, bergt zeer grote risico's in zich. 1992 zou — als God het niet verhoedt — wel eens een catastrofaal jaar kunnen worden.
Koole vraagt in zijn artikel verder aandacht voor de plaats van de kerk in een zich verenigend Europa, schrijft over de start van een vredesconferentie over het Midden-Oosten in Madrid, uit zijn zorg over de opkomst van rechts radicalisme in Duitsland en België en onderstreept terecht de noodzaak van een snelle integratie-politiek. De kerk zal haar jongeren de religieuze aspecten daarvan reeds nu duidelijk dienen te maken. Zij zullen er immers als de komende generatie alles mee te maken krijgen.
Tijd en voorzienigheid
Bestaat er zoiets als een christelijke visie op wat er is gebeurd en op wat er steeds gebeurt? Daarover lezen we in Koole's artikel het volgende.
In ons goede land werd de traditie van de jaarlijkse dankdag voor maatschappelijke zegeningen ook in 1991 in ere gehouden. Buiten de kerk grote sociale onrust rond WAO en ziektekosten, binnen de kerk dankbaarheid voor persoonlijke voorspoed en gemeenschappelijke welvaart, ver weg ontstellende rampen door natuurgeweld. Daags ná dankdagdiensten, met als afsluiting de voorlezing van artikel Xlll van de Nederlandse geloofsbelijdenis, zoals in mijn kerk, spoelden 6000 Filippijnen door een grote vloedgolf de eeuwigheid in. Zo'n gebeurtenis plaatst de dankdag in een heel bijzonder licht. Zou de belijdenis van artikel XIII ook het geestelijk eigendom kunnen zijn van bewoners van gebieden in de wereld, waar evenement op evenement duizenden slachtoffers tegelijk maken? Of kan deze belijdenis alleen geldingskracht hebben in gebieden waar de gevolgen van onze zonde, voor wat het leven naar zijn materiële kant betreft, nog het draaglijkst zijn? Met de hele wereld binnen onze directe waarneming, komen vragen als deze in verhevigde mate op ons af.
Hoe wegen we vanuit deze belijdenis de waarde van al die miljoenen levens, jong of oud, abrupt omgekomen door aardbevingen, aids, honger, vloedgolven en geweld, in het licht van wat Gods Woord over de waarde van het enkele mensenleven zegt? Niet curieuselijk onderzoeken, meer dan ons begrip verdragen kan, maar met alle ootmoedigheid en eerbied de rechtvaardige oordelen Gods, die ons verborgen zijn, aanbidden, zo houdt ons diezelfde belijdenis voor. Wordt er in de prediking èn in de persoonlijke geloofsbeleving, als op het grote wereldgebeuren wordt gelet, nog wel iets van deze aanbidding beleefd? Of is op dit punt de belijdenis van de kerk vervangen door de gedachte dat met name natuur- en andere rampen inherent zijn aan de schepping en daardoor weliswaar niet minder verdrietig, maar wel beter verklaarbaar zijn? Weten we als kerk waarom het in de aanbidding van Gods oordelen gaat? Zouden u, lezer, en ik daarop antwoord weten?
Misschien zouden we met die vraag meer bezig moeten zijn. En minder met allerlei kerkelijke problemen, waarvan de betekenis verbleekt bij wat in de wereld van nu aan de gang is. Waar zijn we mee bezig...?
Inderdaad, waar zijn we vaak mee bezig in ons kleine landje? Een land waar de weelde de mensen de oren en de neus uitkomt. Waar, zeker in orthodoxe kring, de kerken zijn van goud. Wie ligt er bij alle gekrakeel weleens wakker vanwege de ellende in de Derde wereld, de honger waaraan per dag duizenden mensen omkomen, het vluchtelingenprobleem wereldwijd, om nog niet eens te noemen de grote geestelijke nood van mens en wereld om ons heen? Hebben onze interne discussies niet vaak een elitair karakter gelet op de wereldnood? Zijn het geen weeldetwisten in een rijk en verzadigd land? Zou het voor ons Veluwse en Betuwse dominees en ouderlingen mezelf ingesloten niet eens heilzaam zijn eenjaar in Lima te gaan werken en vooral ook wonen, om maar één voorbeeld te noemen?
God en de geschiedenis
Koole sluit zijn lezenswaardige artikel af met de vraag: hoe lopen de lijnen tussen wat hier beneden gebeurt en wat in Gods Raad besloten ligt?
Aan degene die mij vertelde dat hij onze tijd zo boeiend vindt, vroeg ik of hij in de gang der dingen werkelijk enig patroon en enige samenhang kon ontdekken. Zijn antwoord was dat oorzaken en gevolgen soms duidelijk aanwijsbaar zijn, dat sommige dingen voor wie goed let op verhoudingen en verbanden, voorspelbaar zijn. In wat zich, bij alle ellende zoals het milieu-vraagstuk, in onze wereld ontwikkelt, zitten trends, die mij op een betere wereld doen hopen, merkte hij op. Als het meest bemoedigende teken noemde hij de weggevallen tegenstellingen tussen oost en west en het toegenomen besef dat men samen verantwoordelijkheid moet nemen voor het welzijn van mens en wereld. Bij de gedachte dat achter de voor ons waarneembare werkelijkheid God de geschiedenis schrijft, dat het door alle turbulente gebeurtenissen en tragedies heen, aangaat op de vernieuwing van hemel en aarde, kon hij zich niets voorstellen. Ik ook niet, heb ik moeten erkennen. Het is ook onvoorstelbaar, maar terugkijkend op 1991 en vooruit kijkend naar 1992, blijven we als christenen geloven in en ons vasthouden aan het visioen van Micha 4, waarin wordt gezegd dat het God is die zal richten tussen vele volkeren en recht zal spreken over machtige natiën tot in verre landen; dat zwaarden tot ploegscharen zullen worden omgesmeed en speren tot snoeimessen; dat geen volk meer het zwaard tegen het andere volk zal opheffen en dat de oorlog niet meer zal worden geleerd. Waarom daarop zo lang moet worden gewacht, ontgaat ons. Tot het moment waarop de laatste zondaar is toegebracht, wordt in preken gezegd. Omdat het proces van dit aardse leven nog niet volkomen gerijpt, nog niet voldragen is, denken anderen. Omdat de gemeente van Christus, die nu haar plaats in de wereld heeft, te weinig bidt om de vervulling van de belofte van vernieuwing te verhaasten, zou men kunnen vermoeden. In alles zal waarheid steken; in het laatste misschien nog het meest.
In hetzelfde nummer van De Wekker geeft ds. K. Boersma een kerkelijk overzicht over het jaar 1991. Het grootste deel van zijn verhaal is begrijpelijk afgestemd op zijn eigen kerken, de Christelijke Gereformeerde Kerken. Hij wijst erop hoe wij vaak gefilterd kennis nemen van wat er gebeurt in kerk en wereld. Wij ondergaan allemaal de invloed van wat er om ons heen gebeurt. Maar lang niet altijd zijn we ons dat bewust. Tòch is er de invloed van de wereld om ons heen. Hij geeft daarvan in zijn artikel het volgende aan voorbeelden van wat hij bedoelt.
Voor ons betekent het nu, dat velen van ons niet rechtstreeks maar via via te maken hebben met alle gebeurtenissen. Niet iedereen bemoeit zich even sterk met alles. Als kerkmensen lezen en zien en horen we niet alles. Als kerken doen we niet aan alles mee. Niet iedereen heeft ook evenveel tijd en interesse om zich met heel veel bezig te houden. Onze omgeving en onze traditie zorgen ervoor, dat niet alles even sterk tot ons doordringt. We zijn ons ook niet van alles bewust. En toch gaat de beïnvloeding door, bewust of onbewust. We zijn allemaal kinderen van onze tijd. We raken aan zoveel dingen gewend. We schrikken niet zo gauw meer. Een mens moet toch leven. Wij hebben het nog niet zo slecht. We verstaan de kunst om ons af te schermen. Soms willen we de werkelijkheid niet onder ogen zien.
Een tijd van doorgaande verwereldlijking.
Een tijd van doorgaande individualisering: je leeft voor jezelf.
Een tijd van een nieuw soort godsdienst: voor alles is wel iets te zeggen.
Een tijd van toenemend racisme en nationalisme. Vreemd: tolerantie maakt het leven in de westerse wereld alleen maar mogelijk, en tegelijk neemt de onverdraagzaamheid toe.
Een tijd van meer asielzoekers.
Een tijd van toenemende veroudering.
Een tijd van toeneming van bezorgdheid over de ouderenzorg.
Een tijd van toenemende onbetaalbaarheid van sociale zorg.
Een tijd van toenemende verslapping in het kerkbezoek.
Een tijd van toenemende gevaren voor het leefmilieu.
Ik denk dat ds. Boersma daarmee helder een tijdsbeeld en tijdsbeleving verwoordt, dat voor velen herkenbaar is. We hebben vaak meer van de tijd in ons dan we vermoeden.
God en de volkeren
In Theologia Reformata, december 1991, verzorgt dr. F.G. Immink de rubriek Reflexen. Ook hij blikt terug op het voorbije jaar. Hem schieten daarbij de bekende regels uit Psalm 2 te binnen, zo schrijft hij. 'Waarom woelen de volken en zinnen de natiën op ijdelheid?'. De Psalmdichter is verbijsterd en die verbijstering is herkenbaar voor wie het wereldtoneel heden overziet, aldus dr. Immink.
Het woelen van de volkeren en het samenspannen van de machthebbers kunnen we niet verklaren. Dat 'waarom' van verbijstering blijft staan. Maar Psalm 2 bergt nog iets 'onbegrijpelijks' in zich: een ontzaglijke en ontstellende zekerheid. We worden opmerkzaam gemaakt op Gods heerschappij.
Ik heb immers mijn koning gesteld over Sion, mijn heilige berg.
En bijna in één adem wordt er gesproken over de Here en Zijn Gezalfde. Er is sprake van een onwrikbaar besluit: 'Mijn Zoon zijt gij. Ik heb u heden verwekt'. Je krijgt zo ongeveer de indruk: je kunt hoog en laag springen, volkerenwereld, maar daar ontkom je niet aan. Gelukkig niet! Met de grootst mogelijke stelligheid staat dat midden in de psalm.
Het lijken wel twee werelden. Enerzijds het gewoel van de volken en het zinnen van de natiën op ijdelheid, en anderzijds de werkelijkheid van Gods onkreukbare besluitvaardigheid. Tussen die twee is geen vreedzame coëxistentie, maar ze botsen op elkaar in een geweldige dynamiek. Maar één ding staat vast: het besluit des Heren is niet te keren, zelfs de einden der aarde zullen delen in de heerschappij van de Gezalfde.
Dat geeft hoop en verwachting op de drempel van een bewogen 1991. Gods werkelijkheid is niet ijdel en wie Zijn Stem vernomen heeft, kan niet langer scharen in de weg van de ijdele dingen, want die brengen geen vrede, geen gerechtigheid, geen heil! De omgang met God brengt grote vreugde, daarom kan de psalmist besluiten met deze woorden: 'Welzalig allen die bij Hem schuilen'.
Er is toch houvast, zeker. Maar dan wel een laatste houvast. Schuilen doe je als er geen andere keus meer is. Als je geen woorden ter verklaring meer kunt vinden of spreken. Het is noodweer om ons heen. Dat zal in 1992 wel niet over gaan! Is het eigenlijk ooit anders geweest? Dichters kunnen je soms helpen vat te krijgen op wat er om je heen gebeurt en op wat er zich in je eigen innerlijk afspeelt. Men zegt wel dat dichters het wezen van dingen onthullen. Constantijn Huygens (1596-1687) schreef een gedicht waarboven hij 'Nieuwjaar' plaatste. Het is te vinden in de bundel Rad van onrust, in 1987 uitgegeven bij uitg. Van Oorschot, Amsterdam. We citeren dat prachtig stuk poëzie ter afsluiting om ons ervoor te behoeden niet al te verkrampt 1992 binnen te treden.
Nieuwjaar
Ik zoek het hier, ik zoek het daar,
ik vind niet nieuws aan het nieuwe jaar
dan dat men het nieuw heeft willen noemen.
Waar het nieuwe tijd met nieuwe bloemen,
waar het nieuwe maan, waar het nieuwe zon,
die ons nieuwe jaar begon,
dan waar het een nieuwjaar bij mij te achten,
maar het jaar is oud en uit zijn krachten.
Het gras is in slaap, het hout is dood,
het gevogelt stom, de bomen bloot,
het is in de middernacht der dagen,
die ons, en die wij voor ons jagen.
Waarom is het jaar dan nieuw, en waar?
Is het morgen zo niet weer nieuwjaar,
en overmorgen zo en weder,
met alle wind en alle weder,
en alleszins en alle dag?
Het was als het is, onze nieuwe jaren
zijn even als haar oude waren.
De zon en ziet niet nieuws, en onder
die zon en wacht ik naar dat wonder,
dat wonder, niet van het recht nieuwjaar,
maar dat het tijd waar dat ik waar.
De Prediker schreef het ook al in zijn dagen: Hetgeen er geweest is, hetzelve zal er zijn en hetgeen er gedaan is, hetzelve zal gedaan worden; zodat er niets nieuws is onder de zon (Pred. 1 : 9).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 9 januari 1992
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 9 januari 1992
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's