De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Ambt en Vreemdelingschap

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Ambt en Vreemdelingschap

15 minuten leestijd

Openingswoord op de predikantenconferentie van de Gereformeerde Bond op 8 januari 1991 te Woudschoten, Zeist

Het ambtelijk tegenover
Hoewel God zich een enkele maal bediend heeft van engelen om Zich op aarde zichtbaar en hoorbaar te vertegenwoordigen — en wie denkt dan zo kort na de kerstdagen niet aan de dienst der engelen vóór en rondom de geboorte van Christus — heeft het Hem behaagd zich doorgaans van mensen te bedienen. Onder het Oude Verbond deed God dit door middel van profeten, priesters en koningen en in het Nieuwe Verbond door apostelen en evangelisten, nu door de ambten van predikant, diaken en ouderling. Calvijn noemt in zijn Institutie een aantal redenen, waarom God mensen daartoe gebruikt. Het is een bewijs van Gods goedgunstigheid jegens ons, wanneer Hij uit de mensen enigen neemt, om in de wereld het gezantschap waar te nemen om Zijn persoon te vertegenwoordigen. Hij eert daarin Zijn eigen schepping. Zo oefent Hij in nederigheid, wanneer Hij er ons aan gewent om Zijn Woord te gehoorzamen, ook al wordt het gepredikt door mensen, die aan ons gelijk zijn en soms in waardigheid onze mindere.
Zij, die in deze dienst staan, staan als ambassadeurs met een hemels mandaat en met een geloofsbrief, die getekend is door hun Zender. Dat komt uit in de roeping, het uit-geroepen zijn uit andere mensen. De roepingsvisioenen van de profeten laten overduidelijk zien, dat niemand zichzelf deze eer kan aandoen, zo het hem niet van boven gegeven ware. Zo vertegenwoordigen nietige mensen, uit het stof opgedoken, de God van hemel en aarde zichtbaar en hoorbaar op aarde. Zij staan voor het aangezicht van de Allerhoogste Majesteit. Zij staan aan Gods kant. Door hun roeping heeft God hen naar Zich toegehaald om Hem te dienen. Dat is het 'tegenover' van het volk, de gemeente. Zij zijn Gods mond en hand. Zij spreken de woorden Gods. Zij doen de werken Gods. Het valse van de valse profeten was, dat zij stonden aan de kant van het volk en deden wat het volk wilde. Zij stonden tegenover God. Zij spraken wat het volk graag wilde horen en deden wat het volk graag zag.


Het geroepen zijn door God betekent ook: uit-geroepen uit een vorig bestaan. Zo riep God Mozes uit zijn herderswerk, Jeremia uit zijn bestemming priester te worden en Amos vanachter de ossen. Zo riep Christus de ene discipel vanaf het schip van zijn vader, de ander vanachter zijn tollenaarsbureau.
Uit-geroepen betekent ook, dat men tot op zekere hoogte uitgetild werd boven het familieverband, zoals Abram geroepen werd uit Ur. De uit-geroepenen dragen allen iets mee van wat de Heere Jezus zegt: 'Wie is Mijn broeder en wie is Mijn moeder? Zo wie de wil Mijns Vaders doet. Die in de hemelen is, dezelve is Mijn broeder en zuster en moeder.'
Apart gezet om God zichtbaar en hoorbaar te vertegenwoordigen op aarde. Wie zo zijn geloofsbrief met zich draagt mag en moet weten: 'Wie u hoort, hoort Mij, zegt de Heere'.
Dit staan aan Gods zijde, in het 'tegenover' tot het volk, de gemeente, geeft geen recht om te heersen, maar betekent voluit roeping om te dienen. Het tegenover betekent: gaan tot het volk, tot de gemeente voor het aangezicht des Heeren, met het Woord Gods en het recht en de liefde Gods; tot dienst bereid om de gemeente te leren de kennis der zaligheid tot vergeving der zonden. Zo stond de profeet vóór het volk als de mond Gods. Zo stond de priester onder het volk als de hand Gods. Zo stond de koning over het volk als het hoofd Gods. Alleen Christus droeg het drievoudig ambt. We weten, dat de ambten in de kerk, een weerspiegeling zijn van de genoemde ambten. Dit brengt ook met zich mee het vreemdelingschap, dat aan deze ambten verbonden was.

Vreemdelingschap in de Bijbel
Hoewel het kerkelijk ambt geen verbijzondering is van het ambt aller gelovigen, klinkt daarin wel door de echo van het vreemdelingschap, dat inherent is aan het ambt aller gelovigen. Petrus wijst nadrukkelijk op dat vreemdelingschap. 'Gij zijt een uitverkoren geslacht, een koninklijk priesterdom, een heilig volk, een verkregen volk, opdat gij zoudt verkondigen de deugden Desgenen, Die u uit de duisternis geroepen heeft tot Zijn wonderbaar licht. Ik vermaan u als bijwoners en vreemdelingen'.
De gedachte, dat de gemeente van Christus de vreemdelingschap in de wereld an sich heeft, heeft Petrus niet van een vreemde. Het was al voorgeleefd door Abraham, de vader aller gelovigen en de andere patriarchen. Zij waren pelgrims, die een beter vaderland verwachtten. Als teken daarvan woonden zij in tenten. In Hebreeën 11 wordt het getuigenis over hun leven des geloofs onderbroken door een beschrijving van hun vreemdelingschap om dit te benadrukken. Deze allen hebben beleden, dat zij gasten en vreemdelingen op aarde waren.
Hoewel de nadruk valt op de verwachting van het hemels vaderland, de stad die God bereid had, is dit niet los te maken van hun houding als vreemdeling ten opzichte van hun omgeving. Het staat niet los van datgene wat de dichter van Psalm 119 zegt: 'Doe wel bij Uw knecht, dat ik leve en Uw Woord beware. Ik ben een vreemdeling op aarde, verberg uw geboden niet voor mij'. Het is Gods wijsheid en trouwe zorg voor Zijn knechten en Zijn gemeente, dat Hij dit vreemdelingschap geeft. Men moet zich losmaken uit het vorige leven, waarin allerlei tendenzen werkten, die de mens tot zelfzucht brachten. Ze brachten de mens op het verkeerde spoor. Ze zogen weg van God, naar de wereld toe. Ze gingen in tegen het nieuwe leven, de nieuwe roeping. Nu is het: wel in de wereld, maar niet van de wereld. Niet als een kreet, maar als de beoefening van het geloof in de overwinning van Christus op deze wereld. Als het tegenover van: Satan is de overste van deze wereld. Vreemdelingschap. In deze enkele uitdrukking is heel het leven van de patriarchen samen gevat. Jacob tekent het leven van zijn vaderen en van zichzelf als de da­gen der jaren van vreemdelingschap. Die levensbeschrijving is tegelijk zijn levensbeschouwing. Ook Mozes' leven getuigde daarvan. Reeds als kind te vondeling gelegd, bleef hij vreemdeling aan het hof van Farao's dochter en in Midian. Hij leidde het volk in de vreemdelingschap in de woestijn als teken van het pelgrimsleven van Gods volk aller tijden. Dat volk zal alleen wonen. Het zal onder de heidenen niet gerekend worden. Hoewel dit allereerst een profetie is voor het volk van Israël door de eeuwen heen tot op deze dag, is het niet minder een teken voor de kerk aller tijden. Toch een teken, dat kerk en wereld nooit zullen kunnen assimileren. Wel in de wereld, niet van de wereld. Dat is iets anders dan wereldvreemd, afgesloten van het openbare leven.

Niet wereldvreemd
Als er één apostel geweest is, die op de hoogte was van wat er zich in de wereld afspeelde en wat er te koop was onder de mensen, dan is dat Paulus geweest. Op de Areopagus gaf hij blijk van zijn kennis van de Griekse wijsgeren van zijn tijd. Hij had niet alleen gezeten aan de voeten van Gamaliël, maar ook leren luisteren naar de filosofen onder het volk. Hij sprak de mensen er op aan. Hij is ook de apostel geweest, die door God gezonden werd om het Evangelie van de Heere Jezus Christus te brengen naar de wereldcentra, zoals Athene en Rome. God had er zijn wijze bedoeling mee juist Paulus daarheen te zenden en niet Petrus of Thomas. Niet ieder, die geroepen wordt het Evangelie te Verkondigen, heeft de talenten en het vermogen de wereld met al haar bruisende elementen tegemoet te treden. Het zal u genoeg bekend zijn, dat de 'oudvaders' niet alleen Gods Woord kenden — zeker, dat allereerst en allermeest! — maar ook op de hoogte waren van de geschriften van rabbijnen en filosofen.
Gedachtig aan de bede van Christus, de Heere der Kerk en de Heiland der wereld, 'Ik bid niet dat Gij hen uit de wereld wegneemt', heeft de kerk te zijn in deze wereld een lichtend licht en een zoutend zout. Niet voor niets heeft de kerk der Reformatie het kloosterideaal afgewezen. Christus zond zijn schapen temidden der wolven. Zo alleen kunnen wolven schapen worden en voor Christus worden gewonnen. Petrus roept de gemeente op bereid te zijn tot verantwoording van de hoop, die in haar is aan een ieder, die dat van haar eiste. Hij voegt er zelfs aan toe: met zachtmoedigheid en vreze.
Hoe zullen wij dit kunnen doen als wij ons altijd verdekt opstellen alsof we in een heilig huisje wonen? Men zal toch moeten weten wat er buiten de veilige muren van de kerk leeft onder het volk. Trouwens, welke muren zijn nog veilig? Altijd heeft de wereld willen infiltreren binnen de geestelijke muren van de kerk. Nooit is er zo'n invloed van buitenaf uitgegaan op het gezin en de gemeente, bijzonder ook op ide jeugd, dan in onze tijd met alle communicatiemiddelen. Wij kunnen niet spreken en preken alsof wij in de Middeleeuwen leven, ook al is de 'rechtvaardiging van de goddeloze' niet anders dan in Christus' dagen en in de tijd van de Reformatie. Maar hoe doorbreken we de ban, waarin jongeren en ouderen leven; de ban, waarin de hedendaagse cultuur hen gevangen houdt, anders dan door te laten zien, waaruit deze ban bestaat? Zeker, dan ook gedachtig aan het vervolg van de bede van Christus: 'Maar dat Gij hen bewaart van de boze'. Hoe zullen wij die boze en dat boze ontmaskeren indien we daar zelf geen inzicht in hebben. Nu is eigentijds preken niet, dat we al dat boze breed uitmeten en daar alleen maar tegen ageren. Eigentijds preken is niet anders dan de heerlijkheid van Christus en de waarheid van Gods getuigenis uitdragen voor de gemeente en omdragen in de gemeente. Laten horen en zien wat Christus betekent temidden van de afgoden van deze tijd. Zo alleen worden die afgoden ontmaskerd en de zonden van deze tijd aan de kaak gesteld. Vanuit de volheid van Christus genadegaven komt de leegte van alles wat er door de moderne communicatiemiddelen het leven van de gemeenteleden wordt ingedragen, ontdekt.


Prof. dr. H. Jonker zegt in het vraaggesprek met dr. E.S. Klein Kranenburg in het boek 'Bijbel en Ervaring': 'Als practicus wil ik er op wijzen, dat veel prediking in de lucht blijft hangen of als een zeepbel boven de hoofden van de gemeente uiteen spat als daarin niet een brug wordt geslagen naar de vragen waar de mensen werkelijk mee bezig zijn. Het 'plus' van het Evangelie is, dat op die vragen een licht valt vanuit de eeuwigheid... Door het Evangelie van Jezus Christus worden zij dan aangesproken door een werkelijk: Tegenover; het heil is niet in ons eigen hart opgekomen maar klinkt ons als een lied van bevrijding tegemoet.'
Eigentijds preken en spreken wil ook zeggen: in de taal van deze tijd, de taal die ook de jeugd verstaat. Dat daarbij niet alle bijbelse woorden en begrippen met behoud van hun wezenlijke waarde omgezet kunnen worden in moderne begrippen, zal duidelijk zijn. Maar dan moeten ze wel uitgelegd worden in de taal van deze tijd. Zo was Paulus de joden een jood en de Grieken een Griek.
Laten we daarbij ook alle gewichtigheid en theatrale spreektrant vermijden om het gewicht van Gods getuigenis het volle pond te geven en de verhevenheid van Christus' woorden de boventoon te laten houden. Alles wat een extra barrière kan opwerpen voor het overdragen van Christus' getuigenis moeten we vermijden. Dat geldt trouwens ook voor onze houding en ons gedrag waarmee wij onze medemens tegemoet treden. Vreemdelingschap is heel iets anders dan vreemd zijn of vreemd doén. Ambtsdragers zijn ook maar gewone mensjes, uit het stof opgedoken. De Heere Jezus was ook mens onder de mensen. Hoewel Johannes de Doper opviel door zijn kemelsharen mantel, lezen wij dit niet van de Heere Jezus. Het enige dat wij van Zijn kleding weten is dat Zijn mooie rok, die van bovenaf geheel geweven was, zonder naad, verloot werd onder het kruis. Wel lezen wij van Hem, dat Hij leefde naar al Gods geboden en inzettingen. De enige uitstraling, die er van ons moet uitgaan en waarmee wij onze medemens tegemoet treden, is het gracieuze kleed der ootmoed. Eenvoud is het kenmerk van het ware. We gedragen ons en kleden ons niet naar de snit en de smaak van de wereld, pok niet van de vrome wereld. Naar Gods opdracht en gave gaat het om het kleed der godsvrucht. Bekleed, o hoogste Majesteit, Uw priesters met gerechtigheid. Dat maakt indruk en trekt een spoor.
Zeker, de echte godsvrucht wekt weerstand op. Daarom zullen ambt en vreemdelingschap samen gaan in het leven van ieder, die bereid is zichzelf weg te cijferen om der wille van het Evangelie, om zo te delen in de versmaadheid van Christus.

De versmaadheid van Christus
De dienstknecht is niet meerder dan zijn Meester. Zoals Christus versmaad werd vanwege Zijn trouw aan Zijn hemelse Vader, zo zal ieder, die trouw is aan zijn hemelse Zender, delen in diezelfde versmaadheid. Laat ons dan uitgaan buiten de legerplaats. Zijn smaadheid dragende. Dat schreef de apostel aan de gelovigen onder de Hebreeën. Dit geldt nog voor de gemeente van Christus. Dat is het dragen van het kruis om Christus' wil, zoals Hij dit Zelf zei: 'Indien iemand achter Mij wil komen, die verloochene zichzelf en neme dagelijks zijn kruis op, en volge Mij'. Herkennen wij dit nog? Zijn wij ook bereid dat kruis te dragen? Want dat is onlosmakelijk verbonden aan het ambt en inherent aan het vreemdelingschap'. Wanneer de gemeente niet leeft onder de schaduw van het kruis, wanneer smaadheid, vervolging, nood en tegenstand niet haar deel zijn, dan is er van haar geen Boodschap tot de wereld uitgegaan, (dr. H. v. Oyen).


Mozes deelde al die versmaadheid van Christus toen hij weigerde een zoon van Farao's dochter genaamd te worden; toen hij Gode meer gehoorzaam wilde zijn dan de mensen. Hij achtte de versmaadheid van Christus meerdere rijkdom dan de genieting der wereld. Hij werd versmaad om dat wat hij deed en dat wat hij niet-deed. Het geloof in de Onzienlijke maakte hem anders dan andere. Zijn leven stond haaks op zijn omgeving. Daarom was hij niet meer in trek. Zo was hij vreemdeling op aarde. Die versmaadheid werd nog feller en groter toen hij geroepen was bij de brandende braambos. Toen vielen vreemdelingschap en ambt samen.
Dat geldt nog. Het één is inherent aan het ander. Als het vreemdelingschap devalueert, in discrediet komt, heeft dit onmiskenbaar gevolgen voor het ambt. Het gevaar is groot, dat het ambt dan gaat devalueren tot een burgerlijk ambt, een functie. Het ambt raakt dan zijn 'tegenover' kwijt. Het 'tegenover' van Godswege wordt er uit weggenomen. We bemerken dit heel duidelijk in onze tijd. We gaan steeds meer de kant op van de democratisering van het ambt. De nadruk van de verkiezing en roeping tot het ambt komt meer en meer bij de gemeenteleden te liggen, bij de mens. Nu weet ik heel goed, dat het ook tot dusver niet zo eenvoudig was ja te zeggen op de vraag: 'Of gij in uw hart overtuigd zijt, dat gij wettig door Gods gemeente, en mitsdien door God Zelf tot deze heilige dienst geroepen zijt?' Zal echter in de toekomst niet zo'n grote nadruk gaan vallen op de gemeente, dat het 'van Godswege' nauwelijks meer iets zegt? Niet de roeping van Godswege opent de weg naar het ambt, maar de gunst van de kiezer. Hoewel aan elke wijze van verkiezing bezwaren zijn, worden die bezwaren wel levensgroot als de gemeenteleden het alleenrecht krijgen om ambtsdragers te verkiezen, zonder enige inspraak van de kerkeraad. Gaat het dan niet veeleer om een volksvertegenwoordiger dan om een ambassadeur van Godswege? In het meest gunstige geval gaat het dan in het kerkelijk ambt om de verbijzondering van het algemeen priesterambt der gelovigen. Maar is dat toch ook niet een devaluering van het ambt? Raakt men dan toch niet het ambtelijk gezag kwijt? En àls dan voor de gekozenen de goddelijke roeping voorop blijft staan, als het 'tegenover' van het ambt in de praktijk gebracht wordt, doordat men niet meer naar de stem van hen luistert, maar naar de stem van God, dan zal dit de versmaadheid alleen maar doen toenemen: de versmaadheid van Christus, Die trouw bleef aan Zijn hemelse Zender; voor Wie het hosanna geroep omsloeg in het: Kruis Hem. Die versmaadheid zal dan niet alleen komen uit het kamp van hen, die niet van de kerk zijn, maar juist van binnenuit de gemeente. Tenslotte kwam daar ook voor de Heere Jezus de felste smaad vandaan. Het zal dan ook zeker genade zijn die smaadheid, dat kruis, te dragen als ambtsdrager en vreemdeling op aarde. Het zal ook mogelijk zijn, ziende op de Overste Leidsman en Voleinder van het geloof, Jezus Christus, Dewelke, voor de vreugde, die Hem voorgesteld was, het kruis heeft verdragen, en schande veracht, en is gezeten aan de rechterhand van de troon van God.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 16 januari 1992

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

Ambt en Vreemdelingschap

Bekijk de hele uitgave van donderdag 16 januari 1992

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's