De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

De gemeente in de crisis (1)

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

De gemeente in de crisis (1)

9 minuten leestijd

Op 11 december vond in Putten de jaarlijkse ontmoetingsdag plaats van het hoofdbestuur van de Gereformeerde Bond met studenten in de theologie. Het thema van de dag was 'De geloofscrisis in onze tijd - analyse en uitzicht'. Dr. W. Verboom refereerde over 'Gemeente in de crisis'. Zijn referaat plaatsen we in 4 afleveringen.

Inleiding
Stelt u zich voor: een catechisatieuur in een Veluwse gemeente. Een gemeente behorend tot de modaliteit van de Gereformeerde Bond. Het gaat om een groep van 10 jongeren. De predikant vraagt wie van hen er de afgelopen zondag in de kerk geweest zijn. Twee jongeren zeggen 's morgens naar de kerk geweest te zijn, de acht anderen zijn niet naar de kerk geweest.
Dan vraagt de predikant of de twee die naar de kerk geweest zijn nog weten waarover het in de preek ging. De twee weten zich daar echter niets meer van te herinneren.
Er ontstaat een gesprek, waarin een meisje zegt: 'Dominee, ik kan het best begrijpen dat die twee niet meer weten waarover het in de preek ging. Dat heb ik ook heel vaak. Alleen als ik voel dat het over mij gaat dan onthoud ik het. Maar anders ben ik het ook zo weer kwijt.'
Ik denk dat dit gebeuren een duidelijk voorbeeld is van het verlies van relevantie van de prediking voor het leven van elke dag. Bij jongeren treedt dat het scherpst aan de dag. Ik zou dit voorbeeld met veel andere kunnen vermeerderen. Dan gaat het om dingen die we heel gewoon zijn gaan vinden en haast overal gebeuren.
Zoals de terugloop van het aantal kerkgangers, met name in de tweede dienst. Het gebrek aan bijbelkennis. Verschuivingen op ethisch gebied, zoals door samenwonen enz. Maar ook de verstarring en verwettelijking van gedragscodes in de gemeente.
Wat wij in de gemeenten op het platteland meemaken, en zeker op de Veluwe, is de omslag van de volkskerk naar een gemeente die een minderheid is en die de greep op het volksleven, op het dorpsleven is kwijtgeraakt.
Daar zitten we als gemeenten midden in. Dat geeft de titel van ons onderwerp ook aan. De gemeente is een gemeente in de crisis.
Van Dale's Groot woordenboek der Nederlandse taal geeft vier betekenissen van het woord crisis. Twee daarvan zijn vooral van toepassing op ons onderwerp. Van Dale zegt namelijk dat crisis kan betekenen: een periode van ernstige stoornis en ook: een wending, een keerpunt.
Inderdaad, wij maken een periode van ernstige stoornis mee, niet alleen in de cultuur, maar ook in het geestelijke leven, het geloofleven en dus in het gemeenteleven. Een stoornis die ons er toe noopt er over na te denken of er niet sprake is van een wending, een keerpunt in het gemeenteleven. Graag zou ik vooraf nog iets willen opmerken. Dat is dat we moeten oppassen dat we niet depressief worden van al dat gediscussieer over de secularisatie en de godsverduistering.
We kunnen met onze eindeloze gesprekken demonen oproepen, die ons boven het hoofd groeien, zodat we er onderdoor gaan.
Dat is heel demotiverend, met name voor aanstaande predikanten. En ook voor de jongeren in de gemeente, van wie er één tegen me zei: u moet er eens een keer over ophouden. Nu weten we het wel hoe slecht alles gaat. En hoe goed het vroeger allemaal was.
Daarom: laten we met een zekere wijsheid en met mate bezig zijn met de crisis. Anders zijn we net als iemand die ziek is en hij praat nergens anders meer over dan over zijn ziekte en de mensen blijven tenslotte allemaal weg. En de onderhavige persoon voelt zich een eenzame, zielige stakker. Wij zijn toch niet als degenen die geen hoop hebben. We hebben toch een levende God, die de trouw bewaart van geslacht tot geslacht. Het is toch wis en waarachtig advent geworden. Advent betekent toch: Hij komt. Dat geloven we toch ook nog eens een keer. Tot zover enkele opmerkingen vooraf.

De gemeente
De gemeente in de crisis. Vanmorgen (11 december, red.) ging het om de kerk in de crisis. In de lezing van ir. v.d. Graaf ging het er om welke koers de kerk dient te varen in de crisis. Nu gaat het er om hoe we in de plaatselijke gemeente met de crisis om gaan. Mijn inleiding heeft daarom een praktische spits.
Bij het woord gemeente denken we in de hervormde kerk van ouds aan de geografisch bepaalde gemeente, ter onderscheiding van de landelijke kerk. De plaatselijke gemeente heeft bepaalde grenzen, een bepaald aantal zielen, van wie de namen op een kaartsysteem zijn opgeschreven.
De laatste jaren is deze opvatting van de gemeente doorkruist door een andere, waarbij de gemeente niet zozeer door geografische, als wel door mentale factoren wordt bepaald. De buitengewone wijkgemeente, de deelgemeente en nu sinds kort de geperforeerde gemeente.
Het verband tussen het geografische, dat is het natuurlijke, en het kerkelijke, dat is het geestelijke, komt hierbij steeds meer onder spanning te staan.
Toch hebben beide opvattingen van de gemeente nog zoveel overeenkomst dat we elkaar wel begrijpen als we het over de gemeente hebben. Dat hoeven we nu niet verder uit te diepen. Een ander punt is wel hoe je de gemeente ziet. Daar is nogal wat verschil van mening over.
Voor de helderheid van de bezinning lijkt het me daarom gewenst ons nu eerst af te vragen wat we onder het gemeente zijn hebben te verstaan en ons daarvoor te wenden tot de Schrift en om ons vervolgens af te vragen wat het hart van die gemeente naar bijbelse maatstaven is. Dan kunnen we verder gaan en ons bezig gaan houden met de crisis in de gemeente nu.

Bijbelse gegevens
Het woord 'gemeente' is de vertaling van het Griekse ekklesia, dat op zijn beurt weer afgeleid is. van het Hebreeuwse, oudtestamentische kahal of kehala. Het werkwoord kahal betekent vergaderen, bijeenroepen. Het zelfstandig naamwoord kahal: vergadering. Het woord kan in algemene zin worden gebruikt en duidt dan een vergadering van mensen aan en slaat dan meestal op het volk Israël. In Deut. 31 : 30 wordt kahal in die zin gebruikt: 'Toen sprak Mozes voor de oren van de ganse gemeente van Israël'. Vaak wordt het woord gebruikt voor het bijeenvergaderde volk in godsdienstige zin, zoals in Psalm 22 : 23, waar David zegt: 'In het midden van de gemeente zal ik U prijzen'. Bij de pregnante betekenis van kahal, de godsdienstige, mogen we dus denken aan mensen die door de Heere als een Herder bijeenvergaderd zijn.
Het begrip ekklesia sluit hier bij aan. Het gaat dan om het volk van de Messias Jezus. H. Ridderbos zegt over het gebruik van het woord ekklesia in de Evangeliën: 'Het is een aanduiding van degenen die door de verkondiging van het Evangelie tot een éénheid zijn vergaderd in het kader van Jezus' prediking van het koninkrijk.' Kittel benadrukt in het artikel over ekklesia dat het dan over de handelende God gaat. Ekklesia is 'Der Versammlung Gottes in Christus'. Bij ekklesia gaat het dus om een term die zich aansluit bij de gemeente van Israël. Daarin wordt het nauwe verband tussen beide zichtbaar. Ekklesia mag niet als een vervanging van de kahal van Israël worden gezien.
In ekklesia klinkt dus door het vergaderen door Gods roepen. God roept mensen bijeen. Zo wordt de gemeente te Korinthe genoemd: de geroepen heiligen. (1. Kor. 1 : 2). Daarbij roept het partikel 'ek' nog de gedachte op dat mensen ergens uit geroepen worden, namelijk uit de wereld van ongeloof en zonde (1 Petr. 2 : 9) en wel tot Gods wonderbaar licht. Het Woord waarmee God roept is een scheppend Woord. Zo ontstaat de gemeente des Heeren als een wonder uit Gods hand. Het gaat bij die gemeente om enkelingen, maar tegelijk om het geheel van de gemeenschap. De gemeente staat niet los van de natuurlijke verbanden. In de praktijk worden er vaak gezinnen geroepen en opgenomen in de gemeente.
In Handelingen 2 liggen de dingen ook zo. De Heilige Geest wordt uitgestort. De Geest gebruikt de prediking van de apostel Petrus en door dat scheppend Woord worden mensen tot geloof in Jezus Christus gebracht. Op één dag 3000, alles bij elkaar, klein en groot en deze mensen vormen de gemeente. De bijeenvergaderde kudde van de Goede Herder. Wanneer we dus het wezen van onze gemeente willen weergeven, dan gaat het ook nu om een gemeenschap van mensen die door het scheppende Woord geroepen zijn tot het heil in Jezus Christus. Dat is het geheim van de gemeente.

Het hart
Het is een bijbelse voorstelling om de gemeente met een lichaam te vergelijken. Zoals bijvoorbeeld gebeurt in 1 Cor. 12 : 27: 'En gij zijt het lichaam van Christus en leden in het bijzonder'.
Welnu, zoals een lichaam een hart heeft, zonder welke het lichaam niet kan leven, zo is het ook met het lichaam van de christelijke gemeente. Een hart dat het bloed door alle leden van het lichaam stuwt en het tot een levend organisme maakt.
Over dat hart gaat het in Hand. 2 : 42. Voor onze visie op het gemeente zijn een kardinale tekst. Een hart bestaat uit vier delen, als ik het goed heb. Twee kamers en twee boezems. Zo is het ook met dit hart van de gemeente. Die vier delen van het hart zijn: e leer van de apostelen, de gemeenschap, de breking van het brood en de gebeden. Elk van deze vier delen is onmisbaar, anders is het hart onvolledig en kan het niet functioneren. Het eerste deel van het hart van de gemeente is de leer der apostelen.
Wat hiermee bedoeld wordt is duidelijk. De apostelen hadden zelf drie jaar lang met Jezus geleefd, waren zijn leerlingen geweest en hadden geleerd wat het betekent Jezus te volgen.
Nu zijn zij apostelen geworden, gezondenen en nu leren zij op hun beurt in Jezus naam weer andere mensen. En straks zullen die andere mensen weer anderen gaan leren en zo ontstaat een leertraditie tot op de dag van vandaag. Inhoudelijk cirkelt hetgeen de apostelen leren rondom de persoon en het werk van Jezus de Messias. Zoals Paulus ook deed in Rome, waar hij leerde van de Heere Jezus Christus (Hand. 28 : 31).
Calvijn spreekt over de didachè als de reine stem van het Evangelie. Wat de apostelen leren heeft gezag. Het is het gezag van Jezus zelf dat in hun didache doorklinkt. Leren en verkondigen worden in één adem genoemd (Hand. 5 : 42). Noordegraaf zegt het zo: 'Het heil dat in de verkondiging geproclameerd wordt, wordt in de didache voorwerp van nadere en verdiepte uiteenzetting, gericht op innerlijke versterking en groei in de kennis van het geloof.'
Het eerste deel van het hart van het gemeenteleven veronderstelt dus een aktiviteit van de apostelen maar ook van de gemeenteleden. Deze laatste leren als leerlingen. Behalve het leren van de apostelen als 'to teach' is er dus het leren van de gemeenteleden als 'to learn'. Dit leren is op bekering, levensverandering gericht. Het gaat er om dat mensen leren Jezus te volgen. Zij zoeken naar de implicaties van zijn woorden en daden voor het leven van elke dag. Door dit leren wordt het leven van de gemeente bepaald.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 23 januari 1992

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

De gemeente in de crisis (1)

Bekijk de hele uitgave van donderdag 23 januari 1992

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's