De gemeente in de crisis (2)
Het tweede onderdeel van het hart van de gemeente is de gemeenschap, de koinonia. Dat is de consequentie van het ekklesia-zijn. De Herder maakt de schapen tot één kudde. Ze komen samen, zoals Israël in tempel en synagoge. Volgeling zijn van Jezus ben je dus niet puur individueel, maar samen met anderen. De gemeente is één van hart en één van ziel, lezen we in Hand. 4 : 32. Dat is geen éénheid die voortkomt uit mensen, maar die in de relatie met Jezus Christus ligt. De gekruisigde en opgestane Heiland bindt hen allen samen. Christenen zijn geen kopieën van elkaar, maar een gevarieerd gezelschap, die toch een diepe éénheid kennen door de band met dezelfde Christus. Die koinonia krijgt ook handen en voeten in sociale zin. Er is niet alleen een éénheid in geloof, maar ook in de vrucht ervan. De mensen die bij de gemeente behoren leven in gemeenschap van goederen (Hand. 2 : 44). Gemeenteleden die bezit hebben, stellen dat ter beschikking van de gemeenschap. Zodat niemand te kort komt. De gemeente is de familia Deï. Om jaloers op te worden.
Het derde deel van het hart is de breking des broods. Klasis tou artou. Het is een onderdeel dat voortvloeit uit het vorige: 'de koinonia'. Het breken van het brood slaat op een handeling aan het begin van een maaltijd in die tijd. We behoeven hierbij niet speciaal aan het avondmaal te denken. Het gaat om de liefdemaaltijd (de agapè), die trouwens wel met het avondmaal verbonden kon zijn, zoals in Korinthe (1 Cor. 11). Stählin ziet deze maaltijd in het verlengde liggen van de tafelgemeenschap met Jezus zelf toen Hij nog op aarde was. Zoals bijvoorbeeld met de Emmaüsgangers met wie en voor wie Hij toen zelf het brood brak (Luk. 24 : 35). Er zit ook een stukje anticipatie op het eschaton in. Het uitzien naar en de voorsmaak van de eeuwige vreugdemaaltijd in het koninkrijk van God. In Hand. 2 : 46 lezen we dat zij van huis tot huis brood braken. Men stelde dus zijn huis voor elkaar open. Ook zijn gezin. Er was dus sprake van huiskringen, waarbij de gastheer voor de gasten het brood brak en uitdeelde. Het lijkt wonderlijk dat nu juist dit breken van het brood een hartezaak is. Toch is het zo. Zijn wij dat niet al te veel kwijtgeraakt, individualisten als we zijn?
Het vierde of laatste onderdeel van het hart van de gemeente wordt gevormd door de gebeden. De proseuchai. Een verzamelbegrip voor diverse soorten gebeden. Kittel zegt: 'Das Gebet im umfassendsten Sinne'. Vermoedelijk in aansluiting aan de gebedstijden van het joodse volk.
De ekklesia is dus een gebedsgemeenschap bij uitstek. Het gehele gemeenteleven wordt gedragen door de gebeden. In Hand. 1 : 14 is er al een kleine gemeente biddend en smekend bijeen in de opperzaal. In Hand. 12 : 5 wordt een gedurig gebed door de gemeente opgezonden tot God als Petrus in de gevangenis zit. Paulus zegt: Bidt zonder ophouden (1. Thess. 5 : 17). Jezus zelf had zijn volgelingen het bidden geleerd. Ook het bidden in zijn Naam. Dat is het kenmerkende van het gebed van de ekklesia. Het bidden in Jezus Naam. De gebeden zijn het antwoord van de gemeente op het Woord van God. Ze zijn een belijdenis van afhankelijkheid van de Heere God en tegelijk een vorm van dankbaarheid, culminerend in de lofprijzing. De handen worden geheven, maar ook de knieën buigen zich neer in aanbidding. Biddend en dankend pelgrimeert de gemeente naar het koninkrijk dat komt.
Deze vier onderdelen van het hart: de leer, de gemeenschap, de breking des broods en de gebeden kunnen we wel onderscheiden, maar niet scheiden. Samen vormen ze het orgaan dat het leven, het bloed door het lichaam van de gemeente pompt. Als er een of meer onderdelen van het hart zouden worden aangetast wordt het lichaam ziek en kan de situatie van de gemeente kritiek worden, in de crisis terecht komen.
Om dat te voorkomen moeten de leden van de ekklesia volharden in deze vier onderdelen. Zij bewaken zo het hart van het lichaam. Volharden (proskarterein) betekent: ze houden zich er trouw aan, ze blijven er bij. Ze trainen zich er in. Noordegraaf spreekt over duurzaamheid en continuïteit. Er is een aanhoudend, voortgaand proces van leren, van koinonia-beoefening, van breken van brood en van bidden. Alleen zo kan de gemeente gemeente zijn. En anders is het spoedig gebeurd. Dan sterft het lichaam aan een hartaanval.
De crisis
De vraag waarvoor we komen te staan is of er nu wat het hart van de gemeente betreft in onze tijd sprake is van een crisis. Is er een ernstige stoornis in het gemeente-zijn om met Van Dale te spreken?
We moeten dan bereid zijn ons gemeenteleven te toetsen aan de vier delen waarin het hart van de gemeente in de Schrift klopt. Laten we aan eerlijk zelfonderzoek doen.
De leer
We kunnen niet zeggen dat er niets geleerd wordt in onze gemeente. In de kerkdienst staat de prediking centraal, er zijn allerlei vormen van catechese, er is een breed aanbod van cursussen en leergangen.
Dat is er gelukkig. We zijn er dankbaar voor.
Alleen... als we de kwaliteit van het leren eens gaan analyseren, hoe komt het beeld er dan uit te zien? Laten we maar bij onszelf beginnen. Zijn de leraars werkelijk apostelen, gezondenen, die zelf aan de voeten van Jezus hebben gezeten. En zijn de gemeenteleden leergierige leerlingen? Moeten we niet zeggen dat het leren niet bepaald hoog genoteerd staat. Velen denken met tegenzin aan leren. De catechismusdienst scoort de laagste waardering en wordt door de meeste gemeenteleden niet bijgewoond. Ik weet wel, dat zal ook best liggen aan de leerinhoud en de wijze waarop er geleerd wordt. Maar velen voelen wel, dat leren inspanning vereist en dat het consequenties heeft. En daar hebben ze geen zin in. Bart Robbers schreef een boekje over basiscatechese. Hij schrijft: er zijn steeds meer gemeenten, waar geen catechisanten meer zijn. En ik citeer: we schamen ons dood. Ja, zeggen we dan, dat is de gereformeerde kerk. Dat is bij ons gelukkig niet zo. Nee, in Hierden zijn nog 300 catechisanten. Maar hoe staat het met hun kennis? Met hun leerling zijn?
Gemeenschap
Is er koinonia in onze gemeenten? Jazeker. We ervaren die in de kerkdienst als Christus in het gewaad van zijn woord beslag legt op onze harten. Als we samen rondom doopvont en avondmaalstafel bijeen zijn. Als we in kringen in de gemeente samenkomen.
Maar staat daar niet tegenover dat er sprake is van een taai, hardnekkig individualisme. Veel gemeenteleden hebben geen of weinig gemeentebewustzijn. Ze hebben geen behoefte aan een gemeenschappelijke beleving van het geloof. Bovendien groeit de polarisatie nog steeds. Mensen en groepen in de gemeenten en gemeenten onderling worden uit elkaar gescheurd door een heilloos scheiden en delen, terwijl er zoveel is dat ons bindt.
Breking des broods
Dit onderdeel van het hart kennen wij niet of nauwelijks. Nu is dat op zich niet zo erg, als de bedoeling ervan er maar is. De diepere bedoeling is toch een diakonale instelling tegenover elkaar, een habitus van dienstbetoon. Het beschikbaar zijn voor elkaar. Het brood breken is delen wat je bent en wat je hebt. Hoe is dat in de gemeente? Moeten niet steeds minder mensen steeds meer brood breken? Het is mijn ervaring, dat ondanks ontroerende voorbeelden van liefde en offer voor elkaar, er op dit punt een stuk lauwheid en luiheid is. Voor veel gemeenteleden betekent bij de kerk behoren op hun wenken bediend worden, maar iets geven is er niet bij.
Gebeden
In onze gemeenten heeft het gebed een vaste plaats. We bidden in de kerkdienst, op de catechisatie, in clubs, thuis, enz. De vraag is alleen welke inhoud ons bidden heeft. Er zijn voorbeelden te noemen dat het gebed van de gemeente in haar samenkomst een geweldig gebeuren is. Maar is het gebed niet vaak maar een vorm die er bij hoort — stel je voor datje een vergadering niet met gebed zou beginnen — dan dat het echt inhoud heeft?
Is er ook in onze gemeenten geen sprake van gebedsverschraling? Niet weten wat je eigenlijk doet als je bidt. Verzwakt door twijfel, enz. En als dan als reactie op de gebedsloosheid gebedsgroepjes bijeenkomen, zijn er weer anderen die zeggen: om zo te bidden, dat is toch even overdreven? Wanneer we ons gemeenteleven tegen het licht van Hand. 2 : 42 houden dan moeten we eerlijk zeggen dat het er met het hart niet zo rooskleurig uitziet. Het klopt wel, maar onregelmatig. Wij zijn als gemeente een hartpatiënt.
Ja, zeggen dan meteen weer allerlei mensen: maar was het vroeger dan zoveel beter? Denk eens aan de vorige eeuw. Waren er toen ook geen dieptepunten in het gemeenteleven? Dat is wel waar, maar laten we ons niet vergissen. De mate, de omvang, de radicaliteit, en daarmee de ernst van de hartafwijking is veel groter dan voorheen. Er is haast geen gezin meer in de gereformeerde gezindte, waar geen sprake is van het afhaken van een of meer gezinsleden. Nu is een hartkwaal haast altijd het gevolg van een verkeerde levenswijze. Is het zo ook niet met de gemeente? Er zijn waarschuwingen genoeg geweest aan ons adres. Maar we dachten misschien dat dat meer gold voor andere sectoren van de kerk, maar bij ons was alles toch wel optimaal. We vonden dat we er toch nog wel gezond uitzagen. Veel kerkgangers, veel inkomsten. Maar hebben we ons er niet op verkeken? Begrijp me goed, ik steek geen beschuldigende vinger uit. Wie ben ik dat ik dat zou doen. Ik steek liever de hand in eigen boezem.
Het is mijn overtuiging dat onze hartkwaal een oordeel van God is. Een oordeel is altijd een antwoord op wat wij doen of nalaten... Hier zouden heel veel dingen te noemen zijn. Maar ik noem één ding. Het slijtageproces inzake de zonde. Zijn we wel concreet genoeg, als het gaat om de zonde van afgoden, gesneden beelden, de ontheiliging van de naam en de dag des Heeren? Zijn we niet veel meer geïnfecteerd door de gezagscrisis dan we willen weten? Willen we niet veel meer zelf over ons leven beschikken dan we denken? Zijn relaties niet veel meer ontwricht dan het lijkt? Bezit ons eigendom ons niet veel meer dan we doen voorkomen? Zijn onze waarheden niet vaak veel meer schijn dan werkelijkheid? Steekt de duivel van de begeerte niet veel meer de kop op dan we toegeven?
Laat het tot ons doordringen. De gemeente is hartpatiënt. Maar dan willen we meteen wat gaan doen. De één komt aandragen met basiscatechese (Robbers), de andere met betere communicatie (Hendriks, de Vitale gemeente), weer een ander met een evangelisatiestrategie (Schwarz, Praxis des Gemeindeaufbaus). En we worden er nog meer moe van. We verhogen het risico door zoveel aktivisme.
Anderen denken: helemaal geen beweging dat is de oplossing. Een statisch blijven bij de status quo. Maar zo slibben de kransslagaders dicht.
We moeten ons zorgen maken. We zijn verantwoordelijk. Dat is voor mij ook de intentie van de Open brief en het Open Boek, en de reden waarom ik daaraan meedeed. We kunnen niet doen alsof er niets aan de hand is.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 30 januari 1992
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 30 januari 1992
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's