De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Globaal bekeken

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Globaal bekeken

4 minuten leestijd

Uit Klankkleur (infobulletin van de Gereformeerde Omroep Vereniging) knipten we het volgende over Bunschoten, boeren aan de Zuiderzee':

'Bunschoten, eens een Zuiderzeegemeente, ligt midden in het uitgestrekte Eemland. Zo'n tien kilometer ten noorden van Amersfoort ontstond tegen het einde van de 12e eeuw de enclave Bunschoten-Spakenburg-Eemdijk. Zo'n vier eeuwen later bereikte de Reformatie de Zuiderzeekust. De eerste gereformeerde predikant, Jacob Mooij, overleed omstreeks 1613.
Na ruim twee eeuwen – waarin de Nadere Reformatie het geloofsleven van de Bunschoters diepgaand beïnvloedde – scheidden zich 42 zielen van het hervormde kerkgenootschap af. Onder leiding van dominee H.J. Budding werd 26 juni 1836 een gemeente geïnstitueerd die aan de wortel staat van vijf gereformeerde kerken die nu samen zo'n 5700 zielen tellen. Vier jaar na de Afscheiding maakte Bunschoten een opwekking door, te vergelijken met de "Nijkerkse beroering". Velen kwamen plotseling tot volle zekerheid van het geloof, kinderen begonnen te profeteren. Wonderlijk genoeg uitte de opgewektheid zich in een "zwarte tijd": kleurig porselein en andere versierselen waren uit den boze, meubels werden zwart geschilderd. (...)'


In de Gereformeerde Kerkbode (geref. vrijg.) troffen we onderstaand gedicht van J. Tamminga over Zondag 1 van de Heidelbergse Catechismus:

Mijn een'ge troost in leven en in sterven
is, dat ik niet mijzelf, maar Jezus toebehoor,
met lichaam en met ziel. Hij kon verwerven
wat ik in den beginne hopeloos verloor.

Want Hij heeft met Zijn bloed voor al mijn zonden
volledig en volkomen alle schuld betaald.
De macht des duivels is nu ingebonden
daar God de overwinning op hem heeft behaald.

Als Vader wil Hij voor mijn welzijn waken.
Geen haar kan zonder Hem nog vallen van mijn hoofd.
Hij zal van harte mij bereid gaan maken
te leven steeds voor Hem als vuur dat nimmer dooft.

Ook zekerheid omtrent het eeuwig leven
wil Hij mij steeds weer geven door Zijn Geest.
Daarbij kan Hij mij de bereidheid geven
te leven als een kind dat God zijn Vader vreest.

Maar dan moet ik wel eerst mijn zonden kennen
en de ellende, waar ik in verkeer.
Vervolgens weten hoe verlost ik ben
en tenslotte ook te kunnen zeggen: 'Dank U, Heer!!!'


In Centraal Weekblad stond een interessant artikel van E.J. Demoed over 'De koster als stovenzetter'. Hier volgt het slot:

'Dat het eenvoudige werk van stovenzetten nog eens onderwerp van gesprek zou zijn in de Tweede Kamer is haast niet te begrijpen. Toen echter in 1853 het wetsontwerp tot regeling van de kerkelijke bedieningen in de Kamer in behandeling was, werd dooreen kamerlid een amendement voorgesteld, welke inhield dat geen vreemdeling zonder toestemming van de koning, een kerkelijke bediening mocht waarnemen. Een ander kamerlid (een grapjas) vroeg toen of het zetten van stoven als een kerkelijke bediening moest worden aangemerkt, in welk geval een stovenzetter toestemming van de koning nodig zou hebben. Althans wanneer hij een vreemdeling was. Toen deze discussie meer algemeen bekend werd, kwam er daarna in de pers een gedicht van een stovenzetster, die van geboorte afkomstig was uit Kleef en als zodanig een vreemdelinge. Van dit uit vier coupletten bestaande gedicht wil ik u hier als slot van dit artikel de eerste twee citeren:

Ik wist nog van den Prins geen kwaad,
Ik bracht, tevreden met mijn staat,
Mijn stoofjes aan de Dames rond,
Ik gaf tot klachten nimmer grond
en oogstte met gerusten zin,
Op Nieuwejaar mijn fooitjes in
En oefende, door niets gestuit,
Mijn kerkelijke bediening uit.

Maar ach, toen mij't amendement
Van 't Lid uit Gorkum werd bekend,
Toen ik vernam het naar bericht
En waar de Wet mij toe verplicht,
Toen werd ik beurt'lings paars en bleek
En ik ben geheel nu van mijn streek.
Ik heb geen rust, ik tril en beef;
Want ach, ik ben een vreemdling,...
'k ben uit Kleef.'

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 30 januari 1992

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

Globaal bekeken

Bekijk de hele uitgave van donderdag 30 januari 1992

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's