Open Boek doet boekje open
Nadere uitwerking van de Open Brief
Vlak voor Pinksteren 1990 liet een groep van negen hervormd gereformeerden een Open Brief uitgaan naar kerkeraden en naar instellingen, die bij het jeugd- en evangelisatiewerk waren betrokken. De brief handelde over noodzakelijke vernieuwing in hervormd-gereformeerde gemeenten. Die brief maakte, zoals ook de bedoeling was, tongen en pennen los. Ook in deze kolommen is door ondergetekende één en andermaal ingegaan op de Open Brief, waarbij, naast instemming mèt en het verlangen náár een wezenlijke vernieuwing, toch een kritische grondtoon domineerde. Daarvan bleef in het algemeen, met name na perspublicaties, soms alleen hangen, dat gesteld was, dat de brief niet diep genoeg spitte.
'Laten wij samen de spade nog wat dieper steken.' Met deze zinsnede sluit het eerste hoofdstuk af van het Open Boek, dat in September 1991 verscheen. In twaalf hoofdstukken wordt een poging gedaan nog eens te verduidelijken en inhoudelijk te verbreden en te verdiepen wat de Open Brief beoogde.
Op de Open Brief reageerden we in deze kolommen snel. Dat bracht (ook) kritische vragen teweeg. Aan dit Open Boek besteden we pas nú aandacht. Ook dat riep vragen op. Eerlijk gezegd heb ik het boek om en om gekeerd. Niet omdat bespreking ervan gevoelig zou liggen. Maar, eerlijk gezegd, omdat ik er weinig vat op kreeg.
Het loutere feit, dat in de Open Brief en het Open Boek het thema vernieuwing aan de orde is, leverde support op van kanten, waar men niet ànders wil dan vernieuwen. Dat is ook nu gebleken bij recensies van het Open Boek buiten 'eigen kring'.
Het plaatsen van kritische noties levert daartentegen al spoedig de betiteling van conservatief op. Als conservatief echter 'behoudend' betekent, in de bewárende zin van het woord, moet dit risico genomen worden. Terwille van de vernieuwing, die echt nodig is, mag immers toch ook de vraag worden gesteld of bewaard wordt wat echt beproefd is gebleken. Ook als, bij alle weerstand daartegen van het natuurlijke hart, de tijdgeest tégen is.
Het hart
Vernieuwing van de gemeente zal moeten geschieden vanuit het hart van het gemeente-zijn, dat wil zeggen vanuit de prediking. Welnu, als zodanig vormt het hart van dit boek het meest aansprekende deel. Ik bedoel de twee bijdragen over de prediking, namelijk van dr. F.G. Immink 'Over preken gesproken' en van dr. J. Hoek, Preken moeten landen, niet zweven'.
Eerder reeds ging ik op de bijdrage van dr. Immink nader in, namelijk tijdens de ontmoeting met studenten in de theologie in december l.l. (zie Whvr. d.d. 9 jan. l.l.) Tijdens die ontmoeting heb ik ook gesproken over het coloriet van onze belijdenis, dat ook het coloriet van de gereformeerde prediking zal bepalen. Het gaat dan behalve om de totáál-inhoud ook om een taalveld, dat inhoudelijk is bepaald. Woorden èn zaken zijn op elkaar betrokken en bepalen samen de inhoud der belijdenis.
Ik zou willen zeggen, dat de bijdragen van Immink en Hoek als zodanig ook het kenmerkende van dit eigene èn tááleigene van de confessie.
Immink zegt o.a., dat de Schrift een levend en krachtig Godswoord is. 'Ondanks de tijdsafstand tussen toen en nu is er ook sprake van gelijktijdigheid, wanneer de Schrift opengaat. De samenkomst van de gemeente is de plaats, waar wij God ontmoeten, waar Christus present gesteld wordt, waar de Geest tegenwoordig is.' Luisteren naar de Schrift is, zo benadrukt hij, luisteren naar wie God is en wie de mens is. Gereformeerde prediking is dan ook doortrokken van de laatste ernst, dat wil zeggen: gericht op het eeuwig behoud van de mens.
Immink komt verder krachtig op voor de objectieve betrouwbaarheid van het Woord Gods en is beducht voor elke vorm van subjectiviteit, die de objectiviteit verdringt; alsook voor elke bewogenheid, die zich tussen het Woord en de mens in schuift. Maar zonde en genade zijn de woorden, die samen de omgang tussen God en mens bepalen.
Immink beaamt – en wij beamen mèt hem – dat de prediking mislukt als ze over de hoofden van de mensen heengaat. Maar hij vraagt zich af of het nog wel altijd in de preek gaat over God Zelf. 'Staan Vader, Zoon en Heilige Geest centraal in de verkondiging, of staat de mens in het middelpunt?'
Ook stelt hij, dat de prediking alleen dàn een goede boodschap kan zijn, wanneer deze zich voltrekt door de kracht van de Heilige Geest.
Welnu, om deze dingen gaat het wanneer ik in kritiek op de Open Brief heb gesteld, dat in de prediking het recht Gods aan de orde zal komen. Prediking van God uit naarde mensen! God rechtvaardigt goddelozen! Calvijn zegt dat prediking de mensen daagt voor de rechterstoel van God. Het gaat zo, en daarin om de laatste ernst.
Ook ds. A.J. Zoutendijk spreekt in zijn bijdrage in het Open Boek (over Gemeente-zijn) over de laatste ernst, maar concentreert deze op de laatste ernst van de genade, waarmee God ons tegemoet treedt. Mij dunkt: oordeel èn vrijspraak, gericht èn genade.
Dr. Hoek gaat, in het verlengde van de bijdrage van dr. Immink, in op 'bevindelijke prediking.'
'Wie van zondag tot zondag de hele gereformeerde dogmatiek of een geschematiseerde heilsweg met vele stationnetjes aan de tekst ophangt, doet de tekst geweld aan en ontkracht deze', zo zet hij in. Maar hij signaleert intussen, dat bij velen koudwatervrees voor het bevindelijke element in de prediking is te bespeuren. Midden in onze Bijbel staat echter het Psalmboek. Daar kijken we Gods heiligen in het hart. Heel concreet zegt Hoek dan, mèt Calvijn, dat de weldaden van Christus alleen door de verborgen werking van Gods Geest ons worden toegeëigend.
'Geloof is een persoonlijke zaak. Wedergeboorte en bekering zijn voor iedereen nodig. In het Koninkrijk Gods gaat niets automatisch toe en er is ook geen sprake van lopende handwerk. Ook kinderen van het verbond hebben de inwerking van de Geest nodig om van dood levend gemaakt te worden. Tussen wieg en graf dient het grote wonder te gebeuren, dat de geestelijk dode zondaar met Christus opgewekt wordt tot een nieuw leven. Het is niet genoeg kind van het verbond te zijn en netjes te wandelen in de weg van het verbond. De Heere vraagt om ons hart en dat dient ingewonnen en ingenomen te worden door de onweerstaanbare werking van de Heilige Geest. Is hiervoor de nodige aandacht in de prediking of wordt zomaar voetstoots aangenomen, dat de kerkdienst door louter wedergeboren mensen wordt bezocht?'
Dr. Hoek stelt terecht de vraag naar het zelfonderzoek in de prediking. Maar dan — zo zegt hij — mag ook méér meeklinken: hoogtepunten en dieptepunten in het geloofsleven, geestelijke verrukkingen en geestelijke verlatingen.
Hoek reikt verder in zijn bijdrage voldoende stof aan om duidelijk te maken, dat het in de prediking ook om de praktische kant van het leven gaat (dus bijvoorbeeld ook: de prediking van de Heidelberger) en dat prediking dus nooit tot zodanige eenzijdigheid mag vervallen, dat altijd weer op één aambeeld wordt gehamerd. Met ds. T. Poot zegt hij, dat bijbelse prediking behalve diep ook breed is. Maar Hoek raakt wel duidelijk het hart van de zaak aan waarom het gaat. Vanuit het (vernieuwde) hàrt zijn immers de uitgangen van het (nieuwe) leven!
In beide nu genoemde bijdragen komt, in de verwoording van thematiek, ook het coloriet van onze belijdenis door. Het gaat dan uiteraard om woorden èn zaken.
Dezer dagen werd in The Messenger, het blad van de Free Reformed Churches in Canada en Noord-Amerika (de zusterkerken van de Christelijke Gereformeerde Kerken) gezegd, dat het kenmerkende van deze kerken is, dat alleen diegenen naar Christus verlangen, die overtuigd zijn van hun ellende. Dit kenmerk scheidt deze kerken niet, zo wordt gezegd, van andere kerken, want één en ander is conform de Heidelbergse Catechismus en de Dordtse Leerregels. Maar wèl is het zó, dat de nadruk hierop in andere kerken in de Amerikaanse context nauwelijks wordt gehoord. Welnu, zonder hier te willen schematiseren, moet worden gezegd, dat inderdaad zó 'zonde en genade', ook in de beleving van het zondaar worden voor God en het ontvangen van de genade, de scharnierpunten van de Schriftuurlijk bevindelijke prediking zijn. Ook voor de moderne mens geldt de noodzaak van het wederbarende werk van de Heilige Geest. Hier zal ook het accent liggen van de hervormd gereformeerde prediking vandaag. Hier ligt ook vaak in de praktijk het onderscheid met andere prediking, hoe ernstig, actueel, evangelisch, bewogen of rechtzinnig deze ook zijn mag.
De hervormd gereformeerde prediking is vanouds, in het spoor van de gereformeerde vaderen, voorwerpelijk-onderwerpelijk van aard (in deze volgorde). Als zodanig gaat het in de bijdragen van Immink en Hoek ook om het wezenlijke van de hervormd gereformeerde prediking, conform de religie van de belijdenis. Dat geldt ook voor de bijdrage van dr. W. Verboom inzake het overbrengen van de boodschap. Geen methode is goed genoeg om ook vandaag aan jonge mensen het hart van de bijbelse boodschap en van het gereformeerd belijden over te dragen. Als zodanig verricht dr. Verboom daarvoor zeer gewaardeerd graafwerk en spitwerk onder ons. 'Van een goede communicatie tussen jongeren en ouderen worden allen wijzer', zegt hij, niet zonder reden.
Toch moeite
Waarom heb ik intussen toch grosso modo ook moeite met het Open Boek? Wel, omdat andere bijdragen, soms alleen al qua taalveld, hier en daar blijk geven van een andere setting en een andere spits. Men kan tegenwerpen, dat het in die andere bijdragen om andere zaken gaat, met name ook om het gemeentelijk leven en de hele Umwelt van de eredienst. Dat is waar. En als zodanig moet worden gezegd, dat het Open Boek ook andere schone dingen bevat. Ik denk aan de bijbels-evenwichtige bijdrage van dr. A. Noordegraaf over gemeentevernieuwing. Het gaat hem hierin ook om het rechte verstaan van de Schrift door de Heilige Geest.
Beleidsnota's, zo zegt hij, zullen geen vernieuwing brengen als er niet een vernieuwde concentratie is op Christus. En niemand is ermee gediend, als verdeeldheid wordt bemanteld met het woord pluriformiteit (Terzake!). En alleen de Geest van Pinksteren kan onzalige patstellingen doorbreken.
Mijn moeite ligt evenwel voornamelijk daar, waar eigenlijk de suggestie wordt gewekt, dat het allemaal anders moet, omdat veel jongeren van vandaag zich niet meer thuis voelen in veel woorden en vormen van het voorgeslacht. In dit gegeven op zich zit best een kern van waarheid. Maar waar ligt de oorzaak? Die kan ook mede liggen in verschuivingen in de prediking zélf. Zou – om met de woorden van Hoek te spreken – hier en daar 'koudwatervrees' voor bevindelijke prediking kunnen zijn?
Ds. W. Dekker spreekt bijvoorbeeld telkens vanuit die verbondenheid met dat voorgeslacht en toont er respect voor waar die bevindelijkheid (nog) is. Maar toch wordt in feite de (bevindelijke) brug tussen dat voorgeslacht en de huidige generatie niet echt geslagen. Daarvoor blijft de schrijver toch teveel in de probleemstelling zelf steken, namelijk van de overdracht in een moderne cultuur (inculturatie). Dat neemt niet weg, dat ook in zijn bijdrage doorstraalt een worsteling om de gemeente in een dóór en dóór geseculariseerde situatie, zoals hij die ongetwijfeld in de grote stad heeft ontmoet. Maar toch...
Het gaat toch ook vandaag om de gloed van de bijbelse spiritualiteit, om de roep om genade vanuit de verlorenheid van het bestaan? Dat zit niet op woorden vast. Maar verlies van woorden kan ook verlies van zaken betekenen. Het gaat ook vandaag om de zaak van leven of dood, langs de weg van de ontdekking van ons verloren en verzondigde bestaan, bij Geesteslicht. Dat valt niet te beredeneren.
Ds. A.J. Zoutendijk schrijft in zijn bijdrage, dat in de Open Brief de kritische diagnose te uitsluitend gericht was op de behoudende vleugel in hervormd gereformeerde kring. Maar; zegt hij: 'we zijn allemaal, van links tot rechts erg bezig met onze identiteit. We willen graag herkenbaar blijven; we hebben er zorg over dat we iets 'eigens' aan het verliezen zijn.'
De vraag is nu maar: wie verliest wat en wat winnen we erbij? Welnu, het wil mij voorkomen, dat we in bepaalde bijdragen in het Open Boek bezig zijn als hervormd gereformeerden iets van het klassiek eigene te verliezen, met name als het gaat om (het mana van) het Schrituurlijk bevindelijke, ten gunste namelijk van het rationeel geloofsmatige.
Waarheid
In vele toonaarden wordt verder gezegd, dat uitsluitend vernieuwing van de vormen het ook niet doet. Maar intussen worden wel vele bladzijden gewijd aan andere, met name ook liturgische vormen. Scherp gezegd: òns nieuwe activisme lijkt te worden creativiteit.
Eerder heb ik kritisch gesignaleerd de hantering van een dynamisch waarheidsbegrip in deze bundel. Nog iets ter verduidelijking daarover. Het Woord Gods is — dat zegt het Woord zelf— een dunamis, een kracht, een kracht Gods namelijk tot zaligheid. Het verpulvert steenharde zondaarsharten. Maar het is iets anders te zeggen dat de wáárheid dynamisch is dan dat het Woord Gods een kràcht is. Ik kan mij al lezende namelijk niet aan de indruk onttrekken, dat in de bijdragen van ds. C.G. Geluk en drs. H. de Leede met name die terminologie als opstap moet dienen om toch vooral creatief te zijn naar nieuwe vormen toe, naar vormen ook in de liturgie, die overigens elders al eerder hebben gefaald.
De tijd zou wel eens kunnen leren, dat we in de kerken wel veel kunnen investeren in vormgeving maar dat ook dàn weer, zoals zo vaak in het verleden, de gemeente elders zal zijn, namelijk daar waar water is voor een dorstige ziel, brood voor een hongerig hart.
In zijn bekende geschrift De crisis der middenorthodoxie (1952) — waarover volgende week méér — zegt dr. H. Berkhof: 'De Zondagsdienst zal weer een gebeuren moeten worden. Liturgische vernieuwingen helpen daartoe niet, wanneer er geen volmacht in de prediking is. En de volmacht der prediking laat zich niet forceren of organiseren'.
Appèl
Geestelijke vernieuwing zal tot uitdrukking komen in nieuwe geestelijke bevinding. Daar, waar de prediking rationeel of vanzelfsprekend wordt, of dogmatisch afstandelijk, zal het geestelijk leven kwijnen. Beide kanten zijn te signaleren.
Er is vandaag dan ook alle reden tot diepgaand zelfonderzoek in eigen kring. Daartoe geeft het Open Boek ongetwijfeld ook aanzetten. In ieder geval maakt het duidelijk, dat er ook in hervormd gereformeerde kring gisting is, dat er sprake is van botsende visies op de weg, waarlangs echte vernieuwing van de gemeente tot stand komt. Moge uit de smeltkroes nieuw fijn goud tevoorschijn komen!
Ieder zal er intussen van overtuigd zijn, dat open brieven en open boeken en reacties daarop de vernieuwing niet geven. Mogen we daarom inwachten een spade regen des Geestes, die tot uitdrukking komt in diepe verslagenheid en verootmoediging, waaruit oprijst de verrukking van een nieuwe vervulling met de Heilige Geest. 'Och dat Gij de hemelen scheurdet...', aldus de aanhef van Noordegraafs artikel.
In dit verband moet me nog één ding van het hart. Het Open Boek sluit af met een bijdrage van drs. L. van Driel. Zijn korte bijdrage handelt over basiselementen in veranderingsprocessen. Van Driel ziet in het leven van Mozes, David, Paulus en Calvijn een aansluiten bij 'alledaagse inzichten', dat hij vandaag wil doorvertalen naar nuttig gebruik van allerlei hulpwetenschappen, met hun theorieën over veranderingsprocessen. Op zich mag hier de vraag al rijzen of het pleiten voor begeléíding van veranderingsprocessen niet een soort zelfvervullende profetie wordt, in de trant van: er móét veranderd wòrden. Met een diepe zucht heb ik die bijdrage ten einde gelezen. Temeer werd ik kopschuw voor sociologische of welke agogische benadering ook van de gemeente. Ook de bevinding is nota bene al sociologisch in kaart gebracht en daarmee veruitwendigd. En nu óók nog de 'verandering'.
Met deze bijdrage doet helaas het Open Boek het hekje toe.
Gelukkig staat er ook fundamentele(r) kost in het boek.
Hier en daar spit het Open Boek dieper dan de Open Brief. Maar hier en daar komt de tweesporigheid in de Open Brief nog duidelijker aan het licht.
Misschien moeten we samen eens in de leer bij Spurgeon. Hoe komt het toch dat het voorlezen van zijn preken, enkele jaren geleden voor de Engelse BBC, zo'n grote luisterdichtheid kreeg?
In ieder geval: liever in de leer bij de groten in het Koninkrijk Gods dan bij hulpwetenschappen, die als een rietstengel de hand doorboren.
N.a.v. L. van Driel, C.G. Geluk en H. de Leede (red.), Open Boek. Uitgave Boekencentrum, 's-Gravenhage, 177 pag., ƒ 17,–.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 februari 1992
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 februari 1992
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's