Het gevaar van de christendommelijkheid
Vorige week stipten we, bij de bespreking van het Open Boek, even iets aan uit het bekende geschrift van dr. H. Berkhof De crisis der middenorthodoxie. Dit geschrift verscheen in 1952, in de tijd dat — zoals Berkhof zegt — de middenorthodoxie 'nog wel dapper doordraaide', terwijl echter de tijd niet ver meer kon zijn, 'dat de innerlijke voosheid van vele middenorthodoxe uitingen openbaar moe(s)t worden'.
Wat de prediking betreft meende hij — om maar één facet te noemen — dat bijvoorbeeld de aanklagende functie van de wet tekort kwam. En dat ook één symptoom van 'wetsschuwheid' was: 'het feit dat wij de laatste brokken christelijke levensstijl in onze gemeenten (op het gebied van Zondagsviering, gezinsgewoonten, vermaak, enz.) als "wettisch" aan de kaak stellen, zonder in staat te zijn er nieuwe en betere levensvormen voor in de plaats te stellen'. 'Ongemerkt,' zo zegt Berkhof, 'kweken wij een geslacht op, dat van zijn eigen christen-zijn geen last meer hoeft te hebben, omdat het ons leven nergens concreet komt storen'.
Verder ontbreekt ook de toepassing in de preek. 'Juist toen de dingen Gods op hun hart afkwamen en hun leven zouden gaan raken, zei de prediker "amen".'
De middenorthodoxe prediking — aldus nog steeds Berkhof — verkondigt genade zonder gericht, verlossing zonder dankbaarheid, vreugde zonder vrees, voorzienigheid zonder gebod.'
Binnen de Gereformeerde Bond — zo vervolgt hij — wordt met juiste intuïtie het manco der middenorthodoxie aangevoeld. En als Berkhof dan zijnerzijds een heleboel punten van kritiek op de prediking in G.B.-kring aanvoert (bijv. in theologisch opzicht en qua vormgeving), zegt hij nochtans: 'Het moet ons echter juist daarom temeer verbazen, dat deze prediking volle kerken trekt, ook daar waar men de zoveel "frissere" preken van anders ingestelde predikers kan beluisteren.'
Citaat
Als Berkhof zich dan de vraag stelt 'Wat moeten wij doen?' komt hij tot de volgende ontboezeming:
'Toch zal er nog iets meer moeten worden gezegd. Want het is een feit, dat de vormen en het tempo van ons kerkelijk bedrijf van dien aard zijn, dat het ook van de helderzienden een bijna bovenmenselijke geestkracht eist om daarbinnen voor zichzelf en voor hun gemeente een ingrijpende her-oriëntatie te voltrekken. Verscheidene predikanten worden zich in tijden van bezinning (dat is voor de meesten praktisch alleen de zomervakantie), wanneer zij hun werk eens even van buiten af kunnen bezien, scherp bewust, hoezeer ze zich bekommeren om vele dingen, waaronder het éne nodige begraven wordt. Met een nieuwe blik en met vruchtbare voornemens tijgen ze weer aan het werk. Maar wanneer midden september de kerkelijke machinerie opnieuw gaat draaien en ook hen in haar tempo en gareel voortdrijft, is alles spoedig weer vergeten. Want wij, ook de predikanten, zijn zo vergiftigd door de Amerikaanse na-oorlogse sfeer, dat wij "actief" te zijn de hoogste pastorale deugd achten, en uit vrees dat men ons voor lui zal houden, voorthollen in de bedrijvigheid en de jacht naar succes, zonder er zelf in te geloven, en dus in wezen: moedeloos en vreugdeloos. En ook de kerkeraden doen mee. Bij het beroepingswerk zoekt men naar een vlotte spreker, die goed met de jeugd kan omgaan, veel bezoeken aflegt, vele verenigingen en commissies kan leiden en zoveel initiatief heeft, dat hij nog allerlei nieuwe kerkelijke activiteiten kan opzetten. Zulke dominees zijn er nog wel te krijgen. Dat zij op geregelde tijden overspannen zijn, moet men op de koop toe nemen. Maar men moet goed weten, dat wij op deze wijze de doorwerking van de Geest in de harten en levens der gemeente in de weg staan. Alles komt in een sfeer van oppervlakkigheid, waarin van een werkelijke gemeente-opbouw geen sprake kan zijn. Straks zal ons de rekening worden gepresenteerd doordat juist onze beste gemeenteleden geestelijk verkommeren en elders gaan zoeken wat wij hun hebben onthouden.
Heel veel werk kan, zoals het nu gebeurt, evengoed niet gedaan worden, omdat het geen geestelijke zoden aan de dijk zet, maar alleen draait om te draaien. Ja, veel werk kan zelfs beter niet gedaan worden, omdat het voortdraaien er van ons de kans ontneemt om tot ons zelf te komen; het camoufleert onze geestelijke armoede en verhindert de ontdekking er van.'
Inkeer
Ik heb met opzet Berkhof uitvoerig geciteerd om aan zijn pregnante geschrift enigszins recht te doen. Maar wat Berkhof hier zegt naar de toenmalige middenorthodoxie toe, is telkens weer actueel. Mij dunkt, dat we ons ook in de Gereformeerde Gezindte in de bredere zin, dus ook in eigen hervormd gereformeerde kring, hier best ook de spiegel mogen laten voorhouden. Het is te mager als we vandaag Berkhof driftig zouden bijvallen in zijn kritiek op de (toenmalige) middenorthodoxie en intussen zouden doen alsof die kritiek vandaag ook niet bréder toepasbaar zou kunnen zijn en hout zou snijden. Welke kerkelijke kring zou er te goed voor zijn in een situatie te komen verkeren, waarin men nog wel 'dapper doordraait', terwijl toch de 'innerlijke voosheid' al heeft toegeslagen?
Alles staat dan om zo te zeggen in de gemeenten nog in slagorde overeind, maar de tekenen van verval dienen zich her en der aan. Het is toch aangrijpend als we zien hoe het ene na het andere huis, dat ooit een gééstelijk te-huis was, in de afgelopen decennia ineen is gezakt?
Langzaam maar zeker is dan de geestelijke volmacht van de prediking verdwenen, de prediking ontdaan van de scherpte van het dagen van de gemeente voor het gericht Gods, de scherpe Wetsprediking in verachtering geraakt en de genade afgekondigd als een stand van zaken, een generaal pardon.
Langzaam maar zeker is de gemeente er kennelijk dan ook niet meer koud of heet van geworden en is derhalve stilletjes afgedropen, omdat de eeuwigheidsdimensie weg was. En na verloop van tijd restte in sommige kringen per uiterste consequentie nog de doopdienst, de huwelijksdienst en de begrafenisdienst, nadat de oudejaarsdienst ook wel eens een keer was óvergeslagen.
Eerst werd (wordt) nog wel een tijdlang een zekere schijn opgehouden door een overmaat en overdaad aan activiteiten, maar de neergang heeft zich onstuitbaar ingezet.
Met een zekere triomfantelijkheid kan zelfs nog geboogd worden op 'wat wij nog hebben', terwijl de geestelijke adeldom allang heeft plaats gemaakt voor groepscodes en knusheid.
Christendommelijk
Het woord in de titel van dit artikel, namelijk christendommelijkheid, werd in de naoorlogse jaren óók nogal eens gebruikt. Het was met name dr. C.J. Dippel, die deze term placht te gebruiken, namelijk om de vruchteloosheid aan te duiden van organisaties, die doel in zichzelf en knusjes onder elkaar werden, zonder nog énige spirituele uitstraling naar buiten te hebben.
Als zodanig kan het woord christendommelijk echter ook héél wèl van toepassing zijn op het kerkelijke leven. Het is best een rake typering om er verschijnselen binnen een gemeenschap, waar de geestelijke dommel overheerst, mee aan te duiden.
Het kan immers toch ook vandáág zo zijn, dat er heel wat gebeurt in een gemeente, in een kerk, wat net zo goed niet kan gebeuren, omdat de geestelijke slaap er niet door verdwijnt, maar eerder wordt gevoed?
We hebben kerkelijk en gemeentelijk dan bijvoorbeeld, om zo te zeggen, alles wat maar denkbaar is en nuttig lijkt te zijn. Rechtzinnigheid en belijdenistrouw. Ook nog best trouwe opkomsten in de diensten (hoewel, 's middags al wat minder of héél wat minder). Er zijn zelfs heel wat bijbelkringen, dameskransjes, ontmoetingsmiddagen. Het gonst van activiteiten. Ook het koor telt vele leden en de uitvoeringen zijn technisch hoogwaardig. Volle diensten wanneer bij bijzondere gelegenheden het koor zich weer eens laat horen.
Het kan natuurlijk ook ànders. De gemeente houdt zich 'gelukkig' nog verre van alles wat modern is, keert zich integendeel tot alles wat extra oud is. Geschriften van vroeger vinden nog gretig aftrek, althans tot opsiering van de boekenkast. En samen is men nog best sterk. Dat uiten we in nieuwe organisaties en activiteiten. We nemen het zelfs niet gemakkelijk. En dat blijkt nog aan te spreken ook.
Maar intussen: christendommelijkheid! Het gonst van activiteiten, maar de stille inkeer en het godvruchtige leven in de praktijk der godzaligheid lijkt meer en meer te wijken. En het is intussen — zo leert de ervaring — toch niet meer als vroeger. Het líj́kt wel allemaal leven maar het ìs de dood in de pot. Nergens meer, of nog slechts spaarzamelijk, het gesprek over God en goddelijke zaken, of het komen tot de ruimte van de vrijspraak in Christus en het getuigenis daarover. De Marthageest overschaduwt de Mariagestalte. En het wordt stil in de gemeente, zonder dat er èchte stilte is.
Het kan – om het kort te zeggen – in een gemeente ook toegaan als in een bezig bedrijf of als in een gonzende bijenkorf, terwijl zich toch een diepe innerlijke crisis voordoet, want de gemeente groeit niet, maar krimpt in. In doorsnee is toch gezapigheid troef.
Christendommelijkheid, alles staat nog overeind maar er gaat geen echte geur meer van uit. We hebben dan méér een tik van het moderne leven, te pakken, dan soms wordt beseft.
Uitweg
De gezapigheid wordt echter niet gekeerd met het koesteren van het eigene of met druk beweeg op allerlei terrein. Dat kan er juist een symptoom van zijn.
'Ontwaakt, gij die slaapt en staat op uit de doden en Christus zal over u lichten.'
In Johannes 5 wordt gesproken over het (laatste) gericht: 'De ure komt en is nu, wanneer de doden horen zullen de stem des Zoons Gods en die ze gehoord hebben zullen leven' (vs. 25). Maar ook (vs. 24): 'Die Mijn Woord hoort, en gelooft Hem, die Mij gezonden heeft, die heeft het eeuwige leven, en komt niet in de verdoemenis, maar is uit de dood overgegaan in het leven'.
Het tweesnijdende zwaard ontmaskert uiteindelijk alle christendommelijkheid, links en rechts. Dat vraagt ook om afsnijdende, ontdekkende scherpte in de prediking.
De uitweg uit de crisis, die zich ook vandaag dáár manifesteert, waar vroeger geestelijke diepgang kenmerkend was, ligt dan ook uiteindelijk niet in nieuwe creativiteit. in veel activiteit, in veel organisatie maar in de stille inkeer. Dat geldt voor voorgangers en gemeenteleden.
In het exemplaar van het boekje van Berkhof, dat ik vanwege ontstentenis van het mijne, van iemand leende, stond in de kantlijn bijgeschreven, dat, als Alexander Comrie — in vroeger tijd predikant te Woubrugge, vandaag nog sprekend nadat hij gestorven is — twee preken had te maken en ook nog moest catechiseren, hij aan huisbezoek niet meer toekwam. Nu lijkt mij dat wat sterk. Er moet nu eenmaal ook méér gebeuren. Maar de gedachte erachter mag te denken geven: de prediking een gebéúren, waarvoor veel moet wijken!
De geestelijke volmacht van de prediking wordt intussen geschonken door de Heilige Geest, in een wederkerigheid tussen prediker en gemeente, ook als het om inkeer gaat.
Geestelijke vernieuwing alleen langs de weg van geestelijke inkeer! Anders rest de christendommelijkheid.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 februari 1992
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 februari 1992
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's