Boekbespreking
Karel Deurloo, Rochus Zuurmond en Margreet van Apeldoorn, De dagen van Noach, de verhalen rond de vloed in Schrift en oudste traditie. Uitg Ten Have, Baarn 1991, 276 blz., ƒ 34,50.
Dit boek is ontstaan uit een gezamenlijk college-project aan de Universiteit van Amsterdam. Men wilde onderzoek doen naar het verschil in vertel- of denkklimaat tussen de Schrift en de oudste tradities. Als onderwerp koos men de geschiedenis van Noach. Bij de exegese wilde men uitgaan van de door F.H. Breukelman uitgezette lijnen. Hij geldt als één van de leiding gevende figuren van de Amsterdamse School. Volgens Breukelman heeft het opschrift, waarmee Genesis 5 begint, niet slechts betrekking op de lijst van de oudvaders, maar op heel het complex Genesis 5 tot 11: 'Dit is het boek van de verwekkingen van Adam'! Dit opschrift zou zelfs te gebruiken zijn voor héél Genesis, want het gaat in dit bijbelboek om 'de wording, het te voorschijn komen van Israël te midden van de goyim, de naties' (16, zie ook 25, 68).
In het eerste hoofddeel wordt Genesis 5-11 geëxegetiseerd, niet van vers tot vers, maar door het analyseren van een reeks uit de bijbeltekst zelf af te lezen thema's. Diepteboringen dus. Soms leidt dat tot verrassende constateringen. Een voorbeeld: De mannen van naam. Gen. 6 : 4, blijven naamloos, Noach heeft een zoon die 'Naam' (Sem) heet (33).
Het tweede hoofddeel laat ons zien hoe het zondvloedverhaal wordt geïnterpreteerd in het vroege jodendom, het Nieuwe Testament en in de vroeg-christelijke kerk. Dat gebeurt ook nu weer met behulp van thema's: de oorzaak van de vloed, Noach, de ark, de ark vergeleken met de kerk, de vloed o.m. als teken van het laatste oordeel, de berg Ararat en de in het verhaal voorkomende anthropomorfismen (Gods berouw, het wandelen met God en het sluiten van de deur van de ark door God). We maken kennis met tal van geschriften: apocriefen, pseudepigrafen, de apostolische vaders, apologeten en kerkvaders. Bovendien zijn de teksten waarin over Noach en zijn 'dagen' gesproken wordt, in het Nederlands vertaald en van een toelichting voorzien, afzonderlijk opgenomen (119-194). Zo hebben we alle gegevens bij elkaar en kunnen we ook zelf onze conclusies trekken.
Het derde hoofddeel is gewijd aan de vertaling en de interpretatie van het zondvloedverhaal bij Hiëronymus.
Ik heb waardering voor de opzet van dit werk. Zo'n project kan alleen in teamverband worden uitgevoerd. Dat dwingt respect af. Niettemin heb ik ernstige bezwaren van inhoudelijke aard. De schrijvers verwerpen in navolging van Breukelman de klassieke exegese van het begin van het boek Genesis volgens het schema schepping – val van Adam – algemene verlorenheid van de mens. Ze zijn van mening dat dit schema ook niet functioneert bij Paulus. 'Uitgangspunt is voor Paulus niet de 'val' van Adam, maar de nieuwe schepping, d.w.z. Jezus Christus. Adam is daarvan niet inhoudelijk, maar louter formeel (beiden zijn "corporate personalities") een voorteken' (98). Bij Barth treft men dezelfde benadering aan: et verbond de innerlijke grond van de schepping en de schepping de uiterlijke grond van het verbond. De klassieke exegese van Genesis 1-3 neemt in de structuur van Paulus' theologie een veel grotere plaats in dan vaak aangenomen wordt. We moeten dan niet alleen denken aan Romeinen 5 : 12-21, maar ook aan Romeinen 1 : 18-32. De bestudering van het in 1990 verschenen boek van Morna D. Hooker From Adam to Christ, heeft mij daarvan nog weer eens opnieuw overtuigd. Parallellen van dit klassieke schema zijn m.i. ook aan te wijzen bij de pseudepigrafen. De zondeval van Adam doet Abraham in de Apocalyps van Abraham 23 : 14 tot God zeggen: 'Eeuwige, Sterke, Enige, waarom is het Uw wil geweest dat mensen het kwaad zouden begeren in hun harten? Want Gij zijt toornig op wat Gijzelf hebt gewild wanneer een mens achter dingen aangaat, die van geen wezenlijke waarde zijn voor Uw wereld'. Bekend is ook het verwijt aan het adres van Adam uit 2 Baruch 48 : 42: 'O Adam, wat hebt gij aangedaan allen die uit u zijn voortgekomen?! En wat zal tegen Eva gezegd worden, die het eerst heeft geluisterd naar de slang? Want heel deze menigte gaat het verderf tegemoet. Ontelbaar zijn degenen, die het vuur zal verslinden'. In dit verband is ook nog te wijzen op het visioen van de wereldgeschiedenis, 2 Baruch 53-76. Deze bestaat uit twaalf perioden. Om en om een 'zwarte' en een 'lichte' tijd. De eerste, 'zwarte', periode begint met de overtreding van Adam, de eerste mens. Toen verscheen de 'ontijdige' dood en alle andere ellende in de wereld. Deze 'zwarte' tijd heeft weer de andere 'zwarte' tijden voortgebracht, 56 : 9. Wat mij opvalt bij deze en dergelijke teksten is, dat de val van Adam vooral ter sprake wordt gebracht in verband met de vraag van de theodicee. Op de bodem aller vragen ligt der wereld zondeschuld
De interpretatie van Gen. 6 : 1-4 in de zin van een tegennatuurlijke verbintenis tussen de zonen van God (engelen) en de dochters der mensen, wint terrein. Deze opvatting was reeds in brede kring verbreid in de eerste eeuwen v. Chr. Dat valt op te maken uit pseudepigrafen als 1 Henoch. Met name in de diaspora is de trend aanwijsbaar, de bijbelse geschiedenis uit te leggen met behulp van mythologische voorstellingen. Philo is daar een meester in. Maar is het juist Gen. 6 : 1-4 te lezen door de bril van 1 Henoch? Gesteld dat Gen. 6:1-4 duidt op de val van engelen, hoe is dan vers 6 te verklaren: En de Heere zag dat de boosheid des mensen menigvuldig was op de aarde? Waarom moet de aarde gestraft worden met de vloed omdat er opstand tegen God is uitgebroken in de hemel? Wat betekent in dit verband de uitspraak van Jezus: 'Gij dwaalt, niet wetende Schriften, noch de kracht Gods. Want in de opstanding nemen zij niet ten huwelijk, noch worden ten huwelijk uitgegeven; maar zij zijn als engelen Gods in de hemel', Matth. 22 : 29? De uitdrukking 'zij namen zich vrouwen'. Gen. 6 : 2, is in het Oude Testament de gangbare formule voor 'trouwen'. Het tekstverband wijst niet op 'escapades zoals wij die van Zeus kennen' (32) maar op duurzame relaties.
Dit boek is een uitdaging voor wie zich wil specialiseren in de Bijbelwetenschap en gespitst is op de historische ontwikkeling van een bepaald thema, zoals b.v. de geschiedenis van de zondvloed.
H.J. de Bie, Huizen
Eberhard Jüngel, Theologie van de aanvechting, Christelijk geloof op het snijpunt van theïsme en atheïsme. Vertaald en ingeleid door drs. J. Augustus. Meinema, Zoetermeer, 1991. 144 blz. ƒ 24,50.
Dit boekje is deel 14 uit de serie Sleutelteksten in Godsdienst en Theologie, en wij hebben er behoefte aan om vóór alles zowel de uitgever als de samenstellers van deze serie, alsook de medewerkers te complimenteren met hun goede hand van kiezen, uitgeven en inleiden op de geboden selecties. Heel veel centrale literatuur van schrijvers of uit stromingen die anders alleen toegankelijk zou zijn via naarstige en vlijtige zelfstudie en na enig zoeken, wordt in deze serie overzichtelijk bijeengebracht. Het is een serie die mogelijkheden biedt voor hen die niet gespecialiseerd zijn op het betreffende gebied, maar er toch graag kennis van nemen. Wij herinneren ons bijvoorbeeld de deeltjes over de proces-theologie, over de confrontatie van theologie en natuurwetenschappen, en over de Amerikaanse, Afrikaanse en Aziatische bevrijdingstheologie.
Dit boekje mikt echter op één theoloog, die altijd wat in de schaduw geleefd heeft van enerzijds de door Barth gevoede voortrekkers, anderzijds de uit Bultmann stammende moderne theologen. De laatsten zijn in invloed bij Jüngel de eersten, via zijn leermeester Fuchs in Berlijn. Eerst in Zürich en later in Tübingen zet zich de invloed van Barth door, met name de grondgedachte van de geloofsanalogie: er is niet zoiets als een goddelijk zijn waarvan het zijn van de mens een afspiegeling zou zijn. Dat wij beelddrager van God zijn is helemaal een in het gelovig gebeuren opgesloten zaak, die gekenmerkt wordt door de ontmoetingsstructuur, door woord en wederwoord. En Jüngel zegt dan nadrukkelijk: dus ook door wording. Zo ontvangen wij, als geschapen mensen, een begin en een toekomst, komen we tot onze bestemming, en grijpen we naar de ware vrijheid.
Sterk is bij Jüngels de band tussen incarnatie en triniteit, zelfs zodanig dat God degene is die in zijn liefde met ons meekomt in dit bevrijdingsproces. Daardoor valt er, om het in theologische termen te zeggen, enerzijds weliswaar nadruk op de oecumenische triniteit, op Gods zijn-in-en-bij-zichzelf, als een beweging, iets dat hij van Barth heeft geleerd; anderzijds is daar de immanente triniteit, de wijze waarop de drie-ene God bij ons woont en in de Zoon met ons mee-lijdt. Om deze openbaring als zelfontsluiting der liefde gaat het in de bijbel. De gedachte dat deze openbaring en het leven daaruit als zodanig het lijden insluiten is een grondmotief uit het existentialisme: Jüngel heeft zichzelf in de loop van de jaren weliswaar verdiept, maar is zichzelf ook trouw gebleven. Zo valt echter o.i. Gods transcendentie, zijn verhevenheid boven ons, geheel weg naar de mate waarin hij zich openbaart en met ons optrekt, en daarin staat Jüngel dicht bij J. Moltmann. God gaat verregaand op in zijn historische openbaring.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 februari 1992
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 februari 1992
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's