De blijde Weldoener (2)
'En Ik zal hun enerlei hart en enerlei weg geven, om Mij te vrezen al de dagen, hun ten goede, mitsgaders hun kinderen na hen.' Jeremia 32 : 39
1. De blijde Weldoener belooft hun te zullen weldoen
De vorige keer zagen we hoe de Heere van Jeremia's nood een deugd maakte. Tegenover zijn vertwijfeling — zelf zat hij gevangen; de val van Jeruzalem was op handen en de wegvoering van Juda was aanstaande — liet de God van Israël Zijn deugden schitteren. De deugden van Zijn trouw en waarheid met name.
Zelf had Hij immers bij monde van Mozes gezegd: 'De Heere heeft geen lust tot u gehad, noch u verkoren, om uw veelheid boven alle andere volken; want gij waart het weinigste van alle volken. Maar omdat de Heere ulieden liefhad, en opdat Hij hield de eed, dien Hij uw vaderen gezworen had, heeft u de Heere met een sterke hand uitgevoerd, en heeft u verlost uit het diensthuis, uit de hand van Farao, koning van Egypte.' (Deut. 7 : 7 en 8).
En al had Juda het ditmaal weer verzondigd; ja zó, dat het evenals Israël in de ban moest; God gaf Jeremia Zijn pand van trouw en Zijn woorden van trouw.
Zijn pand van trouw: 'Koop een akker', luidde 's Heeren bevel. M.a.w. God zag Zijn volk al weer teruggekeerd en velden kopen en bebouwen.
Zijn woorden van trouw. Woorden, want de Heere is te milddadig dan dat Hij het bij een belofte laat. De ene toezegging knoopte Hij aan de andere. En een van die parels is onze tekst.
De tekst begint immers met 'En'. Maak deze edelsteen niet los van de voorafgaande en de daaropvolgende.
'En Ik zal hun enerlei hart en enerlei weg geven', zo beloofde de God van Israël.
'Zal' staat er. Als er van een belofte sprake is in de Schrift, lezen we niet van enige menselijke verdienste. De beledigde Weldoener gaat de belediger, Juda, de genade van de Heilige Geest toezeggen.
'En Ik zal hun enerlei hart en enerlei weg geven'. Hart? Weg? Waar moeten we aan denken bij deze woorden? Bij hart heeft de Heere de bron van Juda's denken, voelen en willen op 't oog. 'En Ik zal hun enerlei hart'. Je zou ook kunnen lezen: 'enerlei wil'.
'Ja, maar', zegt iemand. 'Willen en doen is twee.' Wacht even. De Heere doet geen half werk. Hij voegt bij de eerste genade des Geestes van het enerlei hart (d.i. de wil) een tweede toe, t.w. enerlei weg, d.i. de volbrenging van die wil. God belooft dus, dat bij de wil zich de daad zal voegen door de genade des Geestes. We hebben nl. niet zozeer met een God te doen. Die het moet doen, maar Die het doet. Die het willen en het werken, d.w.z. het uitvoeren van die wil beide werkt (Filipp. 2 : 13).
'En Ik zal hun enerlei hart en enerlei weg geven.' Tot tweemaal toe klinken de woorden 'enerlei'. Wat wil dat zeggen? Wel, allereerst dit, dat Juda geen enerlei hart had. Anders behoefde de Heere het niet te beloven. Zij waren nl. dubbelhartig in al hun wegen. 'Ja maar ze waren toch kinderen van Abram?' werpt u tegen. De Schrift begint toch niet bij Genesis 12 maar bij Genesis 1, 2 en 3.
Ook zij waren in Adam van God afgevallen en heengegaan. Sindsdien waren ook zij dubbelhartig, d.w.z. overspelig en afgodisch. De God van Israël wat en de afgoden wat en tenslotte de afgoden in plaats van de ware God.
U begrijpt 't? God is niet alleen een God der joden, maar ook der heidenen. Gods Geest opende uw ogen voor uw dubbelhartigheid. Dat geeft smart. Dat wij met ons hoerachtige hart het hart van Christus doorstoken hebben (Ezechiël 6 : 9).
En weet u wat zo smartelijk is? Dat niemand zichzelf van dat dubbelhartige kan verlossen. De tekst zegt 't: 'En Ík zal'. In ons is geen goede wil, tenzij de genade van de Heilige Geest voorafgaat. En toch eist de Heere enerlei hart en enerlei weg van een ieder.
Doch weet u, wat zo vertroostend is? Gods Geest opent niet alleen de ogen voor 's mensen onmacht, maar tevens voor Gods vrijmacht. De Heere weet nl. wat van Zijn maaksel zij te wachten: enkel overspel en afgoderij. Daarom stelt Hij tegenover Juda's algehele verdorvenheid Zijn volkomen genade. 'En Ik zal hun enerlei hart'. Dat is de eerste genade. De wortelgenade. 'En enerlei weg geven'. Dat is de tweede genade. Nu zullen er joden en heidenen komen, die willen wat God wil en dóen wat de Heere behaagt — en dat alleen door de onwederstandelijke kracht van Gods Geest.
'Joden', zei ik. Ja, want er staat: 'En Ik zal hún enerlei hart en enerlei weg geven.'
'Hun', d.w.z. denk niet aards, maar hemels van de Belover. Hemels? Ja, niet karig, maar mild en ruim. Deze genade des Geestes wordt nl. niet toegezegd aan enkele individuen, maar zal uiteindelijk de bekering van heel Israël uitwerken.
Zoals Gods bedreigingen steeds dieper vervuld worden, zo ook Gods beloften. De genadige vervulling van deze belofte bij de terugkeer uit Babel en met Pinksteren zullen voorproefjes blijken te zijn van de allerlaatste en allerdiepste vervulling in het laatste der dagen. God in Christus is nl. niet alleen de Bron, maar ook de Borg van deze toezegging. Zelf staat Hij garant voor de vervulling. En dan is 't uit met de zgn. macht en vrijheid van welke jood ook, deze belofte aan te nemen of te verwerpen.
'Hun', d.w.z. elke daartoe door God voorbestemde jood in 't bijzonder zal tot God in Christus bekeerd worden en in Christus tot elkaar. Aanzienlijken en geringen, ouden en jongen zullen in deze genade delen (zie ook Zacharia 12 : 12-14).
'Hun', dus niet alleen persoonlijk, maar ook als volk zullen ze verlost worden van hun dubbelhartigheid en versierd worden met Christus' oprechtheid.
Wat een blijdschap zal dat in de hemel geven. Als een zondaar bekeerd wordt tot God is het hart van God zo vervuld van blijdschap, dat de engelen erin delen (Lucas 14 : 10). Begrijpelijk. Want God heeft Zijn schepsel terug en het schepsel z'n God.
'Hun'. Dat is voor de Heere een gesloten getal, maar voor ons een open. En wat ligt daar een troost in. Want nu kan 't voor een ieder.
Ook voor u, die net als de Judeeërs genoeg hebt aan de uitwendige voorrechten van Gods verbond. U hebt nog kwaliteiten en weet niet dat u maar één ding kunt: overspel en afgoderij voeden. Neemt de toevlucht tot de almachtige en gewillige Geest des Heeren. Want Hij kan, wat u niet kunt: enerlei hart en enerlei weg geven. Geeft Hem de eer en laat Hem Zijn gang gaan in uw leven.
Ook voor u, die moet klagen: 'och, had ik maar een volkomen hart om God te vrezen'. Uw dubbelhartigheid is u tot smart. Luister naar de tekst. U komt deze belofte toe. U komt de Beloofde toe. 't Kunnen is nl. bij uw Koning. Die daar zit aan 's Vaders rechterhand. Hij is vol des Geestes en zegt: 'Bidt en u zult gegeven worden.'
Komt dan zoals ge zijt. En doe uw mond open? Neen; doe uw mond wíjd open, want onze God is geen karig God, maar (ver)geeft menigvuldig en maakt geen verwijten.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 februari 1992
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 februari 1992
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's