De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Uit de Pers

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Uit de Pers

21 minuten leestijd

Predikanten en hun prediking
In het onlangs verschenen januari-nummer van het 'Tijdschrift voor Gereformeerd belijden nu' Kontekstueel is de lezing opgenomen die prof. dr. C. Graafland vorig jaar 1 juni 1991 hield op de ontmoetingsdag van de vereniging 'Ph.J. Hoedemaker' in Nijkerk. Het thema van deze studiedag was 'Gods gemeente en Godsverduistering'. Samen met de bijbelstudie van drs. W.G. Rietkerk en de lezing van dr. G.G. de Kruijf eveneens op genoemde dag gehouden is prof. Graaflands verhaal integraal opgenomen. Hij geeft aan voor de laatste keer over dit onderwerp te hebben gesproken. Reden daarvoor is: je kunt zeggen en schrijven wat je wilt over dit op zich aangrijpende thema, maar na enige beroering neemt ieder de eigen posities weer in en er verandert niets. Dat lijkt op de bekende regel van weleer, toen er zoveel vergaderd werd: ze dronken een glas en ze deden een plas en alles bleef zoals het was. Prof. Graaflands verhaal is heel erg in mineur gesteld. Met name in de richting van de top van de Hervormde Kerk en haar kostbare ambtenarenapparaat. Geldverslindend maar nauwelijks zegenrijk voor het grondvlak van de kerk. Men blijkt nauwelijks iets geleerd te hebben van wat er in de afgelopen decennia is gebeurd. Prof. Graafland signaleert tevens hervormde zelfgenoegzaamheid. We zoeken de oorzaak van het verval eigenlijk niet in ons eigen kerk-zijn. Het scherpst is prof. Graaflands kritiek echter in de richting van de predikanten en hun prediking. Hij was dat al in zijn boek 'Gereformeerden op zoek naar God' (Kampen, 1990). Daarin gaf hij aan de traditioneel-gereformeerde prediking mede schuldig te achten aan de bevordering van wat heet de Godsverduistering (blz. 34). Oorzaak: de prediking sluit niet aan bij de realiteit van het bestaan van de hoorders. We preken, levensvreemd, afgetrokken van de dagelijkse werkelijkheid. Keurig rechtzinnig maar los van het dagelijks bestaan. In de gemeente wordt dat scherp aangevoeld.

'Ik zou willen beginnen met bij herhaling erop te wijzen, dat er in de gemeente, en dan vooral bij jongeren maar heus niet alleen bij hen, een vrij algemene en niet zelden grote onvrede over de prediking bestaat. Dat hebben de predikanten zelf niet in de gaten, zo ga ik steeds meer merken. Ze hebben blijkbaar in het minst geen benul ervan hoe er over hun prediking onderling wordt gemopperd, geklaagd, niet zelden geschamperd, en niet serieus erover wordt gedacht. Ze denken zelf, dat zij het goed doen. Je kunt het vaak merken in het gebed na de preek. De dank, die zij aan God brengen voor hun prediking. Of de gemeente mee-dankt, mee wil danken en mee kan danken? Die vraag komt niet eens bij hen op.'

Dat liegt er niet om. Al eerder in zijn lezing had prof. Graafland aangegeven met opzet eenzijdig te willen zijn. Hij is ervan beschuldigd negatief en critisch te zijn. Ik ben dat ook, aldus Graafland. Het is heel hard nodig. Als ik hem goed versta, wil hij expres schokken met zijn uitspraken om wakker te schudden.

Predikanten en verburgerlijking
Waar kan de oorzaak van een en ander liggen? Hoe komen predikanten zo? Is daar iets ter verklaring over te zeggen?

'Hoe komt het, dat dat zo is? Ik denk, dat dit onder andere komt door een sluipend maar diepgaand proces van verburgerlijking onder de predikanten. In hun levenswandel, in hun gezindheid, in hun denkniveau.
Je kunt je dan opnieuw afvragen, hoe dat dan weer komt. Mij dunkt, dit heeft met vele oorzaken te maken. Onder andere dat veel predikanten afkomstig zijn uit een godsdienstig-burgerlijk milieu. De sfeer van de kerkelijke knusheid, welgemeend overigens, maar toch een niveau verradend, dat tot gevolg heeft, dat een predikantschap in het verlengde ligt, dat door eenzelfde burgerlijkheid wordt gekenmerkt.
Wat bedoel ik eigenlijk met dat woord "burgerlijkheid"? En: is burgerlijkheid dan af te keuren, is ze zonde, is ze een kwaad? Dat niet, denk ik. Het is zelfs in zekere zin een goed, maar niet binnen het Koninkrijk van God. Je zou kunnen zeggen: het is niet zwart en het is niet wit, het is grijs. Het is de grijsheid van de middelmatigheid. De predikant en zijn prediking kenmerkt zich veelal door deze grijsheid. Maar grijs is een weinig sprekende kleur en daarom ook moeilijk te definiëren. Zo is het precies ook met de bestaande burgerlijkheid van de predikanten. Zij is moeilijk te grijpen en toch beheerst zij het klimaat.
Ik zou kunnen proberen om dit in enkele varianten te concretiseren. In mijn eerste concept van dit verhaal heb ik dat ook gedaan. Maar ik heb het later geschrapt, omdat ik het eigenlijk te pijnlijk vond. Zeker op dit gebied geldt, dat elke concretisering ook een persoonlijke kant heeft. En ik wil zeker niemand persoonlijk aanvallen of grieven. Dat ligt ver van mij. En toch gaat het om onze persoonlijke houding als predikers. Laat ik het daarom algemeen houden en het zo formuleren. In de hoop dat u en ik het ons toch persoonlijk aantrekken. Onder die burgerlijkheid versta ik de huisje, tuintje, beestje mentaliteit, toegepast op het pastorie- en domineesbestaan. Dat hele gewone, nette, burgerlijke, maar in feite daarin toch op eigen welzijn en eigen goede naam gerichte bestaan van een predikant en zijn hele hebben en houden. Dàt beheerst voor een groot deel zijn zijn en zijn werken. Het mist de radicaliteit van het Koninkrijk van God. Het mist de radicaliteit van het geroepen zijn tot een taak, die ons voor een profetische zelfverloochening en inzet opeist. Het is een aparte domineescultuur, die een eigen burgerlijk stempel draagt en het gevaar loopt om onbevattelijk te maken voor het volstrekt van de andere kant komende ònburgerlijke van het burgerschap van Gods rijk.'

Veel van wat prof. Graafland hier zegt, valt niet of nauwelijks te ontkennen. Wie zoekt naar een mogelijke verklaring, kan denken aan de profetische woorden: Zo het volk, alzo zal de priester zijn (Jes. 24 : 2 en Hosea 4 : 9). Sociologisch gezien heeft de kerk in onze samenleving nog de meeste aanhang onder de middenklassen, de 'burgerij' van het volk. Verder, bij een dalende werkgelegenheid voor predikanten dreigt tevens het gevaar van een aanpassing aan het vaak traditionalistish gevoelen in veel gemeenten en zeker onder nogal wat kerkeraden. Wil de prediking weer werkelijk profetisch geladen worden zodat er bediening mag zijn van de Heilige Geest, dan zal er onder ons een radicale geestelijke vernieuwing dienen te geschieden. Niet alleen onder de predikanten, maar niet minder ook in de gemeenten en onder haar kerkeraden. Bovendien zullen onze gemeenten minder 'domineesgemeenten' moeten worden. Want de te geringe aandacht voor de preek en zijn voorbereiding heeft ook alles te maken met de werksituatie van de meeste predikanten. Wie soms of geregeld voor twee preken heeft te zorgen en daarnaast een grote en daarom drukke ambtspraktijk heeft, loopt geregeld vast. We zullen daarom af moeten van de dominee die zoveel doet en overal bij moet zijn. We zullen veel meer elkanders hoeder moeten worden. Dat vraagt om een radicale mentaliteitsverandering, niet minder dan een bekering wat betreft onze visie op de gemeente en haar bearbeiding. Maar prof. Graafland heeft inzoverre gelijk: je mag het ons dominees aanrekenen dat we zo vaak niet de geestelijke moed van de apostel bezitten die tot de Galaten zei: 'Want predik ik nu de mensen of God? Of zoek ik mensen te behagen? Want indien ik nog mensen behaagde, zo ware ik geen dienstknecht van Christus?' (1 : 10).
Wat voor gevolgen heeft dit alles voor de prediking volgens prof. Graafland?

'Daarmee krijgen we onder andere dit beeld, ik blijf nu dicht bij huis, dat we wel veel keurig-orthodoxe preken te horen krijgen, met een keurige tekstuitleg, soms ook nog keurig verzorgd, en toch is het een afgezaagde bedoening, niet alle gevolgen daarvan.
Een dominee daarover lastig vallen, is niet eenvoudig. Je kunt trouwens moeilijk aangeven, waar het precies aan schort. En de dominee kan zich makkelijk verdedigen. Wat doet hij verkeerd? En hij worstelt er echt wel mee. Wat wil je nog meer? Zodoende is de critische comminicatie tussen gemeente en predikant tot vrijwel het absolute minimum gedaald, en blijft de berusting over, of anderszins: de verlating van de gemeente, met hoeveel pijn ook, om het elders te zoeken. Dat proces is intussen wel in volle gang. De predikanten weigeren echter daar de reële conclusies uit te trekken.'

Hoe moet het dan anders worden? Hoe kan er verandering komen? Prof. Graafland zegt dan o.a. dit:

'Nu begrijp ik wel, dat er onder u zijn, die denken: ach, moet dat nu weer zo...? Geef dan eens aan, in welke richting een vernieuwing kan plaatsvinden? Nu, ik vind het echt vervelend om dit nog eens te zeggen, maar het moet blijkbaar. Ik wil zeggen: zolang wij predikanten zo rijk en verrijkt zijn met onze eigen prediking, zie ik geen weg van vernieuwing mogelijk. Want onmisbare voorwaarde daarvoor is ons open staan daarvoor. En die ontstaat pas, wanneer wij oog ervoor gekregen hebben, dat die vernieuwing hard, heel hard nodig is. Maar dat besef hebben wij (nog) niet. Zo eerlijk moeten wij toch wel zijn. Wèl als het gaat over de preken van een ander. Maar daar is het nu juist niet om begonnen. Over mijn prediking gaat het. Die is hard aan vernieuwing toe.
Maar wat is die vernieuwing dan? Dat is ook weer zo moeilijk te zeggen. Want ik ben ervan overtuigd, dat als wij in onze armoede leren open te staan voor deze vernieuwing, wij dan niet van te voren al weten, hoe die vernieuwing eruit gaat zien. Ze zal immers te maken hebben met een nieuw vervuld worden door en met de Geest van Pinksteren, en dat is altijd een volslagen verrassing.'

Wij moeten als predikers, aldus prof. Graafland, kanalen willen zijn voor de Heilige Geest. Hij neemt als voorbeeld de preek van Petrus op de Pinksterdag (Hand. 2). Petrus' preek was heel gewoon, zouden wij zeggen. Hij citeert een aantal bijbelplaatsen. Onze preken zijn daarbij vergeleken veel beter, inhoudsvoller. En toch gebeurt er veel minder door dan onder en tengevolge van Petrus' preek.

'Ja dat geeft toch wel te denken. Wat ik erdoor ben gaan denken, is, dat het dus kennelijk ervan afhangt, of wij als predikers met onze prediking helemaal beschikbaar staan voor de Geest; niets anders zijn dan kanaal van de Geest, zodat de Geest onze woorden vult met zijn kracht, met zijn aanwezigheid. Daar gaat het dunkt mij om. Waar dat gebeurt, daar gebeurt een wonder. Daar ervaart de gemeente de prediking als een wonder. Dan is het: hier is God zelf present. Hier spreekt God zelf tot mij. Hier is de gemeente bij God, hier is God in het midden.
Inderdaad... ik geloof, dat we het in die richting moeten zoeken. Hier ligt ten diepste ons gebrek èn onze vervulling. Het zou daarom goed zijn om op dit punt dieper in te gaan in de komende tijd. Want kennelijk schort het daaraan bij ons: aan dat zich radicaal beschikbaar stellen aan de Geest als zijn doorvoerkanaal. Als dat wezenlijk verandert, dat wil zeggen tot in het wezen van onze ziel en onze predikanten-houding, dan zal het dood tij keren tot een levende stroom. Dan hebben wij het niet meer óver de Geest, maar dan worden onze woorden: Geest en leven.'

Prediking en voorbereiding
Op twee praktische punten legt prof. Graafland dan nog de nadruk. Hij noemt het memoriseren van de preek in plaats van het de preek van het papier voorlezen. En het tegenovergestelde: het preken van een schets waardoor nogal wat predikanten in hun preek aan het zweven en zwerven gaan.

'Ik noem twee opvallende zaken. Er zijn veel predikanten, die wel werk maken van de inhoud van hun preek, maar deze zo slecht memoriseren, dat zij op de kansel de indruk geven aan de gemeente, dat zij hun lesje aan het aflezen zijn. Daardoor verliezen zij het contact met de gemeente. Daardoor is hun prediking een abstract gebeuren, geen toe-spreken tòt de gemeente. De preek boeit niet en gaat teloor. Ontzettend jammer is dat. En ik denk dan: stommeling dat je er bent. Geef nu een paar uur eraan, om je preek zo te memoriseren, zo in je hoofd en daarmee tegelijk in je hart in te prenten, dat de gemeente het besef heeft, dat die preek van jou behalve direct uit het Woord ook direct uit je hart komt. Waarom doe je dat nu niet? Of kun je de discipline niet opbrengen om, als je preek af is, dan ook nog eens je tijd en je energie in te zetten om je preek ook verantwoord te kunnen houden.
Mijn tweede waarneming betreft het feit, dat kennelijk veel predikanten preken van een schets. De gelukkige uitzonderingen daargelaten, is mijn doorgaande constatering, dat dit schade doet aan de preek. Van een schets preken blijkt een aanleiding of een oorzaak te zijn om de gerichtheid en helderheid en aansprekendheid en nauwkeurige trefzekerheid van de prediking te verwaarlozen. Het is wel een stuk makkelijker en het kost veel minder tijd om een schets te maken in plaats van een preek, maar al dient dit gemak de prediker, het dient niet de gemeente. De meesten missen de gave om van een schets te preken en toch bovengenoemde noodzakelijke eigenschappen in hun preken te behouden. Het gevolg is, dat zij òf verward preken óf een heleboel erbij zeggen, dat niet direct uit het behandelde Schriftwoord opkomt en door de gemeente als hinderlijke uitweiding wordt ervaren (Hij wandelt door de hele Bijbel heen); òf de predikanten hebben daardoor niet voldoende concentratie om de woorden heel nauwkeurig te richten tot de gemeente; of de gedachtengang is brokkelig, zodat de gemeente al luisterend telkens zich moet afvragen, hoe de hoofdlijn van het betoog in elkaar zit. Maar omdat dit laatste een vermoeiende bezigheid is die bijna niemand lang volhoudt, haken velen halverwege af. Kortom, het resultaat is: je draagt er weinig van mee, je voelt je niet per­soonlijk aangesproken, en ook niet als gemeente. Het is geen inspirerend en indringend gebeuren geweest. Nu ja, dat lijkt een heel andere kant te zijn dan de eerder genoemde, maar dat is toch in feite niet zo. Want de Geest werkt middellijk. Laat dat heel diep tot ons doordringen.'

Beperkte prediking
Tenslotte citeren we nog een laatste fragment uit Graaflands lezing die te maken heeft met de nogal eens gehoorde klacht dat de prediking zo vaak blijft steken in de oproep tot bekering en veelal zo weinig ingaat op het leven vanuit de bekering.

'Ik wil nog wel opmerken, dat het inderdaad een groot bijbels tekort is, dat vele preken onder ons nog vrijwel helemaal opgaan in wat Hebreeën 6 noemt: de eerste beginselen van de bekering. Ik zeg niet, dat de bekering preken niet nodig zou zijn. Maar de prediker, die de volheid van de Schrift in zijn prediking laat doorkomen, weet, dat het hier wel om een beslissend begin gaat, maar toch om een begin, en dat de gemeente pas werkelijk gebouwd wordt, als het héle heil ter sprake komt. Nogmaals, dat heil heeft wel zijn inzet in de goddelijke aanraking en vernieuwing van de wedergeboorte, maar krijgt zijn inhoud pas goed, wanneer het leven uit Christus wordt ontvouwd. De weg tót Christus is er voor om te komen tot het leven uit Christus, uit zijn volheid door de Geest.
Dat dat zo weinig gebeurt, komt, naar mijn overtuiging, omdat de ogen en het hart van de prediker zelf er nog niet voor open gegaan zijn. Met andere woorden hij is zelf nog, om in de trant van 1 Cor. 3 te spreken, een zuigeling in de genade, die zelf zich met de melk van het evangelie voedt door druk te zijn met zijn eigen zoeken naar God. Dat dit zo is, komt doorgaans omdat hij zelf is opgegroeid in een geestelijk klimaat, waarin de toeleiding tot de kennis van Christus het gehele geloofsleven beheerst. Hoe zou het dan anders te verwachten zijn? Hij is op zijn manier een gereformeerde op zoek naar God, die nog niet leeft uit het volle heil van het door God in Christus gevonden zijn, en door de Geest toegerust zijn om tot Zijn eer en in Zijn dienst in ootmoedige vrijheid, vrijmoedigheid en vreugde te leven. Dat is overigens geen schande. Want beter een kleinspreker in echte Godsvreze dan een grootspreker, die het hart dat God vreest, mist. Maar het krijgt een schadelijke en onbijbelse uitwerking, wanneer men dit kleine geloof gaat cultiveren tot het enige echte en vanwege eigen zwakheid een grotere zekerheid en vrijmoedigheid in het geloof bij anderen gaat verdacht maken. Dat lijkt soms heel erg degelijk te zijn, maar dat is in feite een bedroeven van de Geest van Pinksteren. Want dan ontkent men, dat het Pinksteren geweest is. Men leeft nog in een geestelijke toestand van voor Pinksteren, en men vindt het goed zo, ja men vindt dit als de geldende norm ook voor anderen. Mij dunkt is dit ook de diepste reden, waarom zovele juist orthodox bevindelijke predikanten zich zo bedreigd voelen als het gaat over wat in evangelicale groepen en stromingen binnen de gemeente naar voren wordt gebracht. Men schildert dit maar al te graag af als een vals geloof maar in feite zijn ze bezig om eigen geestelijk gebrek daarmee te legitimeren. Dat is dan ook de reden, waarom dit verweer zo weinig overtuigend overkomt, met name bij de jongeren. Die proeven de armoedige afweerhouding er feilloos goed doorheen.'

Het is een vriend die je je feilen toont, zo luidt een bekend gezegde. Zo mogen we deze kritische opmerkingen ook lezen en verstaan. Met opzet ben ik eenzijdig, aldus prof. Graafland. Het gevaar van generaliseren is in zo'n kader altijd aanwezig. Eigenlijk geeft hij zelf aan dat er exegetisch en homiletisch veelal goed werk geleverd wordt door menig predikant. En toch...! Met hem hopen we op een èchte stroomversnelling waardoor de verstopte kanalen van de Geest open mogen breken. Graafland schrijft vanuit een groot verdriet over de geestelijke duisternis waarin zoveel mensen onder ons volk, maar ook onder hen die aan of op de rand van de kerk en er zelfs nog in zijn, zich bevinden. Wie moet hem dat niet nazeggen die werkelijk bewogen is geraakt gelijk Christus het was toen Hij de schare zag als een kudde zonder herder? We mogen niet negativistisch oordelen en veroordelen. We mogen elkaar ook geen moedeloosheid aanpraten. Daar is de situatie van onze tijd te aangrijpend voor. We hebben elkaar veeleer te bemoedigen als kerkeraden en predikanten. Maar we mogen tevens niet ontkennen of verdringen dat er veel aan ontbreekt onder ons in doorbrekend werk van Gods Geest, alle verontrustende brochures van bezwaarde predikanten en open brieven en boeken van weer anderen ten spijt. Och, dat Gij de hemelen opnieuw scheurde en tot ons nederkwam in de volheid van Uw Geest!

Prediking en jongeren
Het Reformatorisch opinieblad 'Koers' van 7 februari 1992 heeft een kort gesprek met de heer J. Graveland, jeugdwerkadviseur van de HGJB in de provincie Gelderland over de preek en de jongeren in de kerk. Graveland begint zijn gesprek met het volgende voorbeeld. Een hervormd predikant wilde weleens weten wat de jeugd in de kerk van zijn preken begreep. Hij liet enkele catechisanten een preek lezen en vroeg hen aan te strepen wat niet duidelijk was. Twee meisjes gaven de preek terug en zeiden: Streep alles maar door. We snappen er niks van. Graveland vindt terecht dat daar iets aan moet gebeuren. De HGJB houdt zich steeds met deze vragen bezig.

'We kwamen als HGJB steeds meer tot de ontdekking dat we met ons werk slechts een klein deel van de hervormde jeugd bereiken, terwijl 's zondags in de kerk veel meer jongeren zitten. Dan is het van ontzettend groot belang dat ze iets van de kerkdienst oppikken. Ik hoor van jongeren dat dat niet altijd zo is. Soms raakt het hen helemaal niet wat er in de kerk gebeurt. Dat moet bijna wel tot gevolg hebben dat ze er ongeïnteresseerd bij gaan zitten. Als jongeren er wekelijks zijn, maar ze nemen er niets van mee, dan vraagje erom dat ze op den duur de kerk verlaten. Velen zijn al weggegaan. Anderen zitten er nog wel, maar hoe lang nog? En dan ga je nadenken of daar iets aan te doen is.'

Een verandering van elementen in de eredienst acht Graveland niet de oplossing voor meer betrokkenheid van jongeren bij de kerkdienst.

Graveland is niet in de eerste plaats bezig met liturgische vernieuwingen, maar met de vraag: Hoe kan het Woord de jongeren raken? 'Ik merk dan jongeren niet met de boodschap uit de voeten kunnen. Dat is het punt waar het vooral om gaat. Ik geloof niet dat er meer jeugd naar de kerk komt als we een facelift geven aan de erediensten. Maar het kan wel zo zijn dat er dingen gaan veranderen als ouderen en jongeren open en eerlijk met elkaar over de eredienst praten. Dan wegen de argumenten van jongeren net zo goed mee. De jeugd is niet alleen de kerk van de toekomst, maar behoort ook tot de kerk van nu.'

Ook Graveland komt onder jongeren de klacht tegen dat veler prediking in het toeleidende werk van de Geest blijft steken.

Volgens Graveland leggen sommige predikanten wel eens te veel nadruk op de oproep tot geloof en bekering, terwijl ze niet aangeven wat een leven met de Heere in de praktijk betekent. 'Ik denk dat je elkaar eerlijk moet bevragen of dat laatste voldoende aan de orde komt. Het moet niet zo zijn zoals een meisje na een preek eens tegen mij zei: "We moeten ons nog steeds bekeren. Ik weet nog niet hoe ik deze week moet leven voor Gods aangezicht. Maar we gaan zondag weer naar de kerk om te horen dat we ons in ieder geval moeten bekeren".
Er zullen natuurlijk best heel wat mensen in kerk zijn die geen levende relatie met God hebben. Maar het moet niet zo zijn dat een predikant zijn preek vooral op hen afstemt. Dan ga je voorbij aan het werk dat God in de gemeente gedaan heeft. Velen mogen gelukkig ook wel een relatie met Hem kennen, en zij vragen: Bemoedig me, vertroost me. Wijs me vanuit het Woord van God de weg die ik moet gaan om Hem de komende week te dienen.'

Om te weten wat er onder jongeren leeft, is veel persoonlijk contact nodig.

'Persoonlijke gesprekken met jongeren zijn belangrijk voor iedereen in de kerk die met jongeren werkt. Het gaat om de ontmoeting. Daarmee maak je een begin om de boodschap op jongeren af te stemmen. Een dominee kan bijvoorbeeld eens per maand aan een catechisatiegroep een tekst voorleggen waarover hij wil preken. Als hij met hen praat over wat die tekst bij hen oproept, krijgt hij veel materiaal aangereikt voor de preek, waaraan hij anders misschien nooit gedacht zou hebben.
Een predikant moet zich ook echt willen verdiepen in de leefwereld van de jeugd.'

Tenslotte bepleit Graveland openheid in de gemeente onder elkaar als ouderen en jongeren. Kinderen en jongeren dienen daarbij vooruit serieus genomen te worden door ouderen. We moeten af van, het beeld van 'die lastige jongeren' en van 'ouderen die nooit iets willen'.

Volgens Graveland ervaren sommige jongeren hun geloof op een andere manier dan ouderen. 'Een meisje zei eens heel ontdekkend: "Weet u, de ouderen nemen ons niet serieus. Ze denken dat wij niet echt geloven, dat wij er maar wat oppervlakkig mee bezig zijn. Maar ze weten niet hoe wij er soms tot in de kleine uurtjes met elkaar over praten. Ze zouden er eens bij moeten zijn en gewoon naar ons moeten luisteren". Het is zo heel belangrijk dat mensen elkaar in een open gesprek treffen. Dat geldt voor de hele gemeente. Als je met elkaar praat, vallen vooroordelen weg. Ik denk dat we in onze grote hervormde gemeenten aan bloedarmoede lijden als de leden van het lichaam elkaar niet meer ontmoeten. Als je elkaar niet kent kun je elkaar niet bemoedigen en vermanen, maar ook niet voor elkaar bidden. Dan gaat het fout. Mijn lijftekst is: Overwin het kwade door het goede. God geeft veel goede dingen. Versterk dat goede maar en laat het ook zien. Dat geeft God nog! Zo kunnen we in de gemeente samen op weg.'

Dat was het weer voor dit keer. Genoeg stof tot bezinning en overleg. Schrijven en praten over deze zaak is echter niet genoeg. Laat er onder ons veel gebed mogen zijn tot Hem Die de dwaasheid der prediking verkiest om Zijn wijsheid bekend te maken voor jong en oud. Er is hoop voor de kerk en haar dienaren omdat het Woord levend en krachtig is dat ons is toevertrouwd.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 20 februari 1992

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

Uit de Pers

Bekijk de hele uitgave van donderdag 20 februari 1992

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's