De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Boekbespreking

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Boekbespreking

4 minuten leestijd

Eugen Drewermann, Dieptepsychologie en exegese. Droom, mythe, sprookje, sage en legende. Vertaald door Ton van der Stap. 324 blz. Meinema, Zoetermeer.
Men kan het werk van E. Drewermann — zijn boek verscheen in 1984 — zien als één doorlopend protest tegen de historisch-kritische methode van exegetiseren. Niet dat hij deze niet als methode aanvaardt, maar hij wil er heel iets anders mee doen. Zijn grote bezwaar ertegen is dat men op deze wijze altijd heeft geprobeerd om via een soort aftrekmethode tot het 'eigenlijke' te komen dat bedoeld wordt in al die bijbelgedeelten, die dusdanig aan tijd, plaats en cultuur gebonden zijn, dat we ze niet meer kunnen transponeren naar onze tijd. En dit 'eigenlijke' moet dan voor ons verstand grijpbaar zijn. Altijd zijn we zo immers bezig met iets uit het verleden waar we dan het tijdloze uit proberen te pellen. Dit kàn zo niet.
Drewermann wil het blijvende op andere wijze op het spoor komen. Niet door te breken met de historisch-kritische methode, maar door zich juist op datgene te richten wat moderne exegeten als mythe of legende, als aankleding of tijdgebonden uitbeelding, dus als bijzaak, terzijde stellen. Hij doet dit door de dieptepsychologie te hulp te roepen. Deze heeft ons wetenschappelijk instrumentarium aangereikt dat ons helpt dromen te interpreteren, niet alleen die van de menselijke ziel — psyche — van nu, maar ook van die van de bijbelschrijvers. En de droom is de oervorm van de uitbeelding, ook in de bijbel.
Wij laten de methoden die Drewermann hiervoor ontworpen heeft even terzijde: het zou ons te ver voeren. We noteren hier dat zowel het persoonlijk menswordingsproces als het godsdienstig proces worden ingebed in één oergrond van waaruit de mens zichzelf uitdrukt. Dit klinkt danig relativistisch, en het lijkt nu nog moeilijk uit te maken waaraan er een claim op waarheid zou kunnen worden ontleend, wanneer alles wat aan symbolen voorhanden is opkomt uit menselijke zelfexpressie. Wat is het waarheidscriterium? Heeft het christendom een plus boven andere godsdiensten?
Nochtans moet ook gezegd worden dat Drewermann de historisch-kritische kritiek hier tot in de wortel raakt. Stel al dat men via deze aftrekmethode zou kunnen zeggen: wat ik nu in handen heb, zegt mij dit of dat over God, dan blijft toch datgene wat we overhouden het door onszelf gekozene, een produkt waar we van meet af aan op uit waren, dus iets heel subjectiefs. Wat zijn we dan opgeschoten? Met beroep op Kierkegaard stelt Drewermann dan ook terecht, en ik zeg het maar in eigen woorden: zo vind je God niet, maar alleen een verwijzing naar Hem, en de God naar wie verwezen wordt, kun je je van het lijf houden. Je vindt een vals bankbiljet: het heeft een opdruk maar is waardeloos.
Komt Drewermann zelf echter verder? Wij oordelen dat hij in het andere uiterste vervalt, en de tijd, met name ook de heilsgeschiedenis, zo wel móet veronachtzamen. Wie het aanknopen bij de feitelijke omstandigheden verwisselt voor dat bij de innerlijke wereld van de psychische toestanden, ontloopt niet alleen het probleem der geschiedenis, maar ook de geschiedenis zelf. Heel de ontwikkeling van de mensheid en van de religie wordt een uitvergroting van die van een mensenleven, en natuur en geschiedenis spelen er slechts zijdelings een rol in. Bij Drewermann is de mens eerst godsdienstig, en het Woord dat erbij komt, brengt hem tot godsdienstige ontwikkeling, vrij van vergoddelijking van zichzelf en van de natuur.
Wij houden het erop dat Drewermanns kritiek op het historisch-kritische methode ter zake is, maar dat deze niet ingewisseld kan worden voor een in wezen gnostieke visie, een mystiek oergebeuren waarin de mens als een dromend en zo zich uitdrukkend wezen centraal staat. Drewermann maakt op zijn wijze ieder mens aan de ander gelijk, als een zichzelf via dromen ontplooiend wezen, en zo ook aan de ander gelijktijdig. Maar dit is niet wat Kierkegaard met zijn gelijktijdigheidsgedachte bedoelde, en ik denk dat hij, net als ik, bij Drewermann van gnostiek zou spreken.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 20 februari 1992

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

Boekbespreking

Bekijk de hele uitgave van donderdag 20 februari 1992

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's