De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

De 'Broeders' (De Vergadering van Gelovigen) (2)

Bekijk het origineel

De 'Broeders' (De Vergadering van Gelovigen) (2)

9 minuten leestijd

Het allesbeheersende beginsel van de 'Broeders' is, dat de gemeente slechts de ware gelovigen zijn. De Broeders komen samen 'op de grondslag van de eenheid van het lichaam van Christus' en dat lichaam is één, wat mensen er ook van hebben gemaakt. Daarom willen de Broeders niet weten van allerlei kerkstructuren en -organisaties. Die zijn menselijk en werelds. Alle ware broeders en zusters in de Heere in één plaats dienen samen te komen om de eenvoudige reden, dat zij broeders en zusters in de Heere zijn.
Daarbij stellen de Broeders wel hun regels. Men moet ervan overtuigd zijn, dat iemand waarlijk een broeder of zuster in de Heere is. Vandaar dat, voordat men aan het Avondmaal kan deelnemen, onderzoek gedaan wordt naar iemands geloof en levenswandel. En er is ook tucht: is iemands handel en wandel niet in overeenstemming met het leven des geloofs, dan wordt hij of zij door de broedervergadering, volgens Matth. 18 : 17, uitgesloten.

De Gemeente
De Broeders geloven dat er een groot onderscheid is tussen Israël in het Oude Testament en de Gemeente in het Nieuwe Testament. De kerk heeft zich ten onrechte gezien als rechtstreekse voortzetting van Israël, waardoor ze allerlei aardse kenmerken kreeg, zoals fraaie kerkgebouwen, ambtsgewaden, kerkorgels, kerkkoren enz. De Gemeente is echter veel meer de Gemeente die 'in Christus' in de hemel is. De ware gelovigen bevinden zich wel op aarde, maar hun leven is hemels gericht. Er is een wondere eenheid tussen de verheerlijkte Heere in de hemel en de Gemeente op aarde. Vandaar het grote verschil met Israël. Het volk Israël werd bij gehoorzaamheid aan Gods geboden gezegend met stoffelijke zegeningen op aarde, zeggen de Broeders. Maar de Gemeente heeft haar plaats en haar specifieke zegen in de hemel.
Dat heeft ook zijn neerslag in de samenkomsten van de Broeders: dat samenkomen is eenvoudig en het centrale is de aanbidding en lofprijzing en de viering van het Avondmaal.

Geen ambten
De Broeders kennen ook geen ambten. In hun samenkomsten kan iedere broeder spreken. Er is immers grote verscheidenheid van gaven, die aan alle leden zijn gegeven! De reformatorische kerken hebben de 'eenmansbediening' en dat is, volgens de Broeders, niet de lijn van de Schrift. Vandaar dat het in de gevestigde kerken is gekomen tot samenkomsten met een 'sprekende dienaar (de dominee of andere voorganger) tegenover een zwijgende gemeente'. Ik lees (blz. 40): 'Die arme dominee, die alles moet doen: hij moet de Schrift uitleggen en ook het evangelie verkondigen; hij moet leiding geven aan de kerkeraad, maar zich ook herderlijk om de gelovigen bekommeren. En dat terwijl er zich in zijn gemeente misschien zeer begaafde broeders en zusters bevinden. Zeker, zij mogen hem bijstaan in allerlei kerkelijk werk. Maar de sacramenten bedienen en de zegen uitspreken mogen zij niet, en het Woord verkondigen slechts onder uitzonderlijke omstandigheden'.

Vragen
Ik kom in de verleiding enkele opmerkingen te maken. De Broeders onderstrepen terecht dat er in de Gemeente vele gaven zijn. Hebben we in onze kerken deze gaven altijd voldoende onderkend? Wij geloven dat de ambtelijke inzettingen inzettingen van de Heilige Geest zijn. Maar er is ook het ambt aller gelovigen. Misschien dat dat met name in onze tijd meer naar voren moet komen. Teveel zijn onze kerken vaak domineeskerken geweest, waar de dominee met enkele ambtsdragers alles moesten doen.
Daarnaast zijn er echter ook de ambtelijke inzettingen. Zijn die ambtelijke inzettingen niet naar de Schrift? Zien we in de Schrift zelf al niet een groei naar ouderlingen en diakenen en herders en leraars? Niet dat we de orde van de kerk en van de ambtelijke inzettingen als een blauwdruk uit de Schrift kunnen aflezen. Maar we zien wel eerste aanzetten. En we geloven ook dat we in de historie van de kerk, in belijdenisgeschriften en kerkorde, veel hebben meegekregen waar we dankbaar naar willen luisteren.
Is het eerlijk om te stellen: 'Als de apostel Paulus nu zou komen, zou hij in de gevestigde kerken niet mogen preken omdat hij geen kerkrechtelijke aanstelling bezit?' (blz. 35). Ging en gaat het in de kerk alleen om een kerkelijke aanstelling of ook niet om iemands geloof en leven? Is grondige studie niet nodig om de gemeente voor te gaan in de dienst van het Woord, juist omdat we de Bijbel ontvangen hebben in de Hebreeuwse en Griekse taal en van een voorganger kennis van die talen en kennis van de geschiedenis van de kerk mag worden verondersteld? Ik geef de Broeders graag gewonnen dat de aanbidding en lofprijzing in de gevestigde kerken tekort kan komen. Maar er is niet alleen de lofprijzing en aanibdding. Er is ook de belijdenis van schuld, de verootmoediging voor Gods aangezicht, het smeekgebed. Is het centrale van de eredienst het Avondmaal? Is het niet een goede greep van de reformatie geweest, dat de bediening van het Woord en de verkondiging van het evangelie centraal werd gesteld? Zo zijn er rneer vragen te stellen. En vooral: is de Gemeente een Gemeente van alleen wedergeborenen? Zijn er in de Gemeente niet altijd meelopers geweest? Men denke aan de gemeente van Korinthe, of aan de zeven Kleinaziatische gemeenten, waar Christus tot drie gemeenten zegt: 'Ik heb (iets) tegen u' en tot vijf gemeenten: 'Bekeer u'. En hoe functioneert het verbond? Is de gemeente niet de verbondsgemeente en is het daardom niet uiterst gevaarlijk ervan uit te gaan dat de gemeente uit ware gelovigen bestaat, zodat de oproep tot geloof en bekering niet meer gehoord wordt?

Israël
Het merendeel van de Broeders kent een heel aparte plaats toe aan Israël. Daarbij speelt een grote rol hun visie op de zgn. opname van de gelovigen en het duizendjarig rijk. Israël heeft met de wegvoering in de ballingschap tijdelijk afgedaan, zeggen de Broeders. In plaats van Israël is de Gemeente gekomen. De Gemeente is er sinds de komst van Christus en de uitstorting van de Heilige Geest. Maar ze zal er niet altijd zijn. Ze zal worden opgenomen vóór de grote verdrukking (1 Thess. 4 : 14-18). Dan is er op aarde geen Gemeente meer. Na de opname van de Gemeente neemt God op aarde de draad van de geschiedenis met Israël weer op. Israël zal tot bekering komen. Ze zal echter de vreselijke oordelen van de grote verdrukking moeten meemaken. De volkeren zullen zich onder aanvoering van het herstelde romeinse rijk tegen Israël keren. Dan keert de Heere terug. Hij komt Israël te hulp, en het duizendjarig rijk zal aanbreken. Israël zal opnieuw Gods volk zijn en door alle volken erkend worden. De tempel zal worden herbouwd (Ez. 40-46). De offers zullen weer gebracht worden, niet om terug te keren naar de O. Tische bedeling, maar om Christus' Middelaarswerk in gedachtenis te houden. Israël zal ook de taak hebben de naam van Christus bekend te maken aan alle volken. En Jeruzalem zal de hoofdstad van de wereld zijn.

Wederkomst
Is het waar dat 1 Thess. 4 : 14-18 de opname van de gelovigen voorde grote verdrukking leert? Of spreekt Paulus over wat zal gebeuren bij de wederkomst van Christus? M.i. is dat laatste het geval. Overigens geloven niet alle broeders de opname van de gelovigen voor de grote verdrukking. Het is niet een allesbeheersend kenmerk van de Broeders in die zin dat ze scheiding onder christenen zou moeten bewerken, lees ik (blz. 183).

De Doop
Er zijn meer verschillen die volgens de Broeders niet scheidend mogen zijn. Zo spreken zij zich niet uit over de Doop. Naar schatting kent ruim éénderde van de Broeders de praktijk van de kinderdoop, terwijl tweederde de doop van de gelovigen (de volwassenen) voorstaat. In dit opzicht is er een grote mate van verdraagzaamheid. Niemand die als kind gedoopt wordt, zal gevraagd worden zich te laten overdopen. Dit gebeurt alleen als iemand zelf in zijn geweten overtuigd is dat dat moet gebeuren. De Doop heeft echter bij de Broeders een andere inhoud dan wij menen in de Schrift te moeten lezen. De kinderdoop betekent bij hen niet de intrede in het verbond maar 'de deur waardoor gezinnen of individuele gelovigen binnentreden in de Gemeente en op het terrein van het Koninkrijk van God'.

Mijn vraag is wat dat concreet inhoudt. Behoren die kinderen tot de 'vergadering van gelovigen' of behoren ze er niet bij? En heeft dat geen consequenties voor het zicht op de gemeente? Juist als we het verbond van God zien in zijn breedte en diepte, krijgt de prediking zijn ernst en zijn klem. Dan is er aan de ene kant de lofprijzing en aanbidding. Maar aan de andere kant ook de ernst van de oproep tot geloof en bekering omdat er tweeërlei kinderen van het verbond zijn.

Andere vragen
Ook t.a.v. het duizendjarig rijk zijn er vragen te stellen. Komen de Broeders toch niet tot een geforceerde constructie als ze spreken van Rusland als de 'koning van het Noorden' (Ez. 38 en 39), het herstelde romeinse rijk als het beest uit de zee (Openb. 13) en de grote slag van Harmageddon (Openb. 16 : 13-16) in de vlakte van Jizreël?.

Bescheidenheid
Ik moet zeggen dat het boek met grote bescheidenheid geschreven is. Hier en daar kom ik een zich ongenuanceerd afzetten tegen de kerk tegen, vooral als het gaat over de opleiding van predikanten, zoals: 'Zou niet de eerste vraag moeten zijn (niet: wat voor examen heeft deze man afgelegd, maar): hoort hij door wedergeboorte bij de familie van God?' (blz. 33). Alsof niet het een èn het ander belangrijk is. Of: 'Door iemands bediening te binden aan een formele aanstelling, aan een formeel gedefinieerd ambt, treedt men in een bevoegdheid, die aan geen mens toekomt.' (blz. 34). Als gezegd wordt: 'Helaas leert de praktijk dat personen, die onder de Broeders zijn uitgesloten (het gaat hier over de tucht), vaak met open armen in andere geloofsgemeenschappen worden ontvangen' (blz. 237) heeft men waarschijnlijk gelijk. De tucht wordt dood gemaakt als de ene kerk mensen ontvangt die in een andere kerk onder tucht werden gesteld. We mogen dat als kerken onderling ook bedenken! Ik noteer met dankbaarheid dat er staat: 'Omgekeerd laten de Broeders in principe geen personen uit andere geloofsgemeenschappen toe die daar onder gemeentelijke tucht staan'.
Conclusie: een boek dat veel informatie geeft over wie de Broeders zijn en wat hen beweegt. Een boek, dat voor de belangstellende lezer de moeite van het lezen zeer waard is.

N.a.v. 'Eén in de Naam van Jezus', Bijbelse beginselen waar de 'Broeders' voor staan. Onder redactie van o.a. J.G. Fijnvandraat. 270, Uitg. H. Medema.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 20 februari 1992

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

De 'Broeders' (De Vergadering van Gelovigen) (2)

Bekijk de hele uitgave van donderdag 20 februari 1992

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's