De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

De blijde Weldoener (3)

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

De blijde Weldoener (3)

8 minuten leestijd

'En Ik zal hun enerlei hart en enerlei weg geven, om Mij te vrezen al de dagen, hun ten goede, mitsgaders hun kinderen na hen.' Jeremia 32 : 39

2. De blijde Weldoener beoogt hun goed te doen
'En Ik zal hun enerlei hart en enerlei weg geven, om Mij te vrezen al de dagen, hun ten goede.'
'En Ik zal.' Wie is die 'Ik'? Ik zal zijn. Die Ik zijn zal (Exodus 3 : 14). D.w.z. Wie en wat Ik ben, ben en blijf Ik ten goede voor Mijn volk. Dat is immers Gods Wezen (Nahum 1 : 7a). Daar blijft Hij getrouw in. En wat Hij wil – hun goed te doen – kan Hij, want Hij is een alvermogend God.
Zo heeft de God Israëls Zich betoond in het leven van Abram, de vader aller gelovigen. Die wachtte op Zijn komst toen Hij Zijn verbond met hem sloot. En hij is niet beschaamd met Hem uitgekomen, want Hij nam niet alleen het belovende deel voor Zijn rekening, maar ook het verplichtende deel (Genesis 15 : 17 en 18). Hij kwam niet alleen al Zijn beloften heerlijk te vervullen, maar ook al de verplichtingen van Abrahams zijde nam Hij op Zich.
Abram, ja een ieder, is toch gehouden de HEERE alleen aan te hangen, te betrouwen en lief te hebben en met alle krachten de wereld te verlaten, de oude natuur te doden en in een nieuw godzalig leven te wandelen. Kortom een ieder is toch geroepen de HEERE te vrezen.
En wie komt zijn/haar verplichtingen na? Geen jood, noch heiden. Dat weet de Heere. Daarom nam Hij ook dat deel van Abram in Zijn verbond voor Zijn rekening, 't Is met recht een genádeverbond. En wat de HEERE met vader Abram deed, doet Hij met al de geestelijke kinderen van Abram. Hoor maar:
'En Ik zal hun enerlei hart en enerlei weg geven, óm Mij te vrezen.' Er staat niet: om Mij te kunnen vrezen. De HEERE doet geen half werk en Israël, wij de rest. Neen; de God der Schriften doet een volkomen Werk zonder ons, in ons... om Mij metterdaad te vrezen.
Israël hinkte nl. op twee gedachten. Het trachtte tegelijk de enige ware God en de afgoden te vereren.
'En Ik zal hun enerlei hart en enerlei weg geven om Mij te vrezen.' Ik zal maken, dat alle geestelijke kinderen van Abram inwendig en uitwendig, in hart en levenswandel. Mij alléén daadwerkelijk vrezen. Welk een rijke troost ligt er dan toch in deze belofte voor allen die de Heere niet willen en niet kunnen vrezen. En naar de Schrift moet dat van een ieder gezegd worden (Romeinen 3 : 18). Wat erg. Van nature begeert niemand de Heere te vrezen. Doch nu kan het. De getrouwe en almachtige God des Verbonds kan en wil 't begeren werken.
Welk een troost bevat deze toezegging Gods ook voor allen, die door genade begeren de Heere te vrezen, maar niet kunnen (Romeinen 7 : 18).
'En Ik zal... èn zij willen... èn zij kunnen. Wat? Mij vrezen.
En dat is nu juist de begeerte van 't nieuwe leven: de HEERE ootmoedig vrezen, 't Geeft zo'n smart 't niet te kunnen. Maar als de getrouwe God deze Zijn belofte gaat vervullen worden alle geestelijke kinderen van Abram tot de HEERE bekeerd (2 Cor. 3 : 16vv). Dan willen zij èn kunnen zij de Heere vrezen.
Dan worden zij nl. gezalfd met de Geest van Christus. Op Jezus, het Hoofd der kerk, rust de Geest zonder mate. Naar Zijn Goddelijke èn menselijke natuur is Hij nu verzadigd met de Heilige Geest. Het was Zijn spijze Zijn God kinderlijk te vrezen. Op Zijn tijd gaat Christus ook deze belofte heerlijk vervullen. Naar de mate die Jezus Christus schenkt, zal elke geestelijke zoon/dochter van Abram – uit de joden, uit de heidenen – deel krijgen aan Zijn Geest.
Niet zonder reden wordt Christus' Geest de Geest van de vreze des Heeren genoemd (Jesaja 11 : 2). Enerzijds komen alle gelovigen er achter arm van Geest te zijn. Doch ze zijn niet arm aan Geest. Zij worden nl. heerlijk bediend uit Christus. Die geeft ze naast hun kennis van hun nameloze ellende ook kennis, d.i. gemeenschap aan Gods vergevende en vernieuwende genade, 't Is toch de Geest Gods, Die op Zijn tijd de liefde Gods in hun harten zal uitstorten. En uit die liefde Gods wordt de ware vreze des Heeren geboren. Hartelijk krijgen zij lief, wat de Heere lieft. Maar zij leren ook haten, wat God haat, t.w. de zonde.
't Is zo wonderlijk. Hoe meer de Heilige Geest hen op Christus doet zien, des te meer worden zij aan Hem gelijkvormig. En dat is Bijbels (2 Cor. 3 : 18). Die zij in 't geloof zien, worden zij in beginsel gelijk. Springt uw hart van vreugde op, dat heel Israël in 't laatst der dagen die genade ten deel zal vallen? Mag u daar een klein beginsel van kennen? Van dat stervende leven? Sterven aan alles wat van uzelf is? Maar ook dat opstaan tot een nieuw leven? Mag u door genade Christus' beeld vertonen? Daar werkt de Heere toch op aan! Dat de eerste Adam verdwijnt, opdat de tweede Adam hoe langer hoe meer verschijnt. En als wij zelf daar iets van mogen beoefenen door genade, gunnen wij dat aan ieder. Want God-Drieënig wordt er zo door verheerlijkt en de naaste wordt er door gesticht en u zelf wordt er door verzekerd. Verzekerd?
Ja, de tekst zegt het. 'En Ik zal hun enerlei hart en enerlei weg geven om Mij te vrezen al de dagen, hun ten goede.'
'Al de dagen.' Enerzijds wordt het steeds dieper en steeds inniger beleefd arm van Geest te zijn, d.w.z. vleselijk te zijn. Doch anderzijds komt er een teer afhankelijk en aanhankelijk leven van de bediening van de Geest van Christus. Zonder Mij, d.w.z. zonder God de Vader, zonder God de Zoon, maar vooral ook zonder God de Heilige Geest kunnen wij niets doen, maar met Hem alles... tot eer van God. En de Heilige Geest is ook volmaakt, dus onveranderlijk, onberouwelijk. Dat is de vastheid in de onvastheid. Hij zal de Zijnen nimmer begeven noch verlaten. Hij doet hen steeds dieper zeggen: 'Uit u geen vrucht meer in d'r eeuwigheid', maar ook: 'Uw vrucht wordt uit Mij gevonden'.
En dan gaat 't goed. Als wij verdwijnen en als Christus meer en meer in ons verschijnt. Want 't ware geloof betekent immers de ondergang van de oude mens en de opstanding van de nieuwe mens.
Er staat niet voor niets: 'hun ten goede'. Dat beoogt de blijde Weldoener. Door eigen schuld waren zij en wij vervreemd van God en Zijn goed geraakt (Jeremia 5 : 23-25). Verkeerden in het land, waar de zonde en al haar gevolgen heersten. Doch wanneer de HEERE deze belofte gaat vervullen, verlost Hij hen en ons van dat zekere kwaad en schenkt hun en ons dat zekere goed, t.w. Zichzelf en Zijn tijdelijke en eeuwige goederen.
En dan zal Hij Zich betonen de God van Abram te zijn. Daar wijst de tekst tenslotte op. 'Mitsgaders hun kinderen naken', zo lezen wij. D.w.z. wie de HEERE voor de vader aller gelovigen is, is Hij ook voor elk van Zijn geestelijke kinderen.
Hoe staan wij nu tegenover deze rijke belofte? 't Is een van de twee. Of wij verwerpen deze toezegging Gods in 't ongeloof. Of door genade omhelzen wij deze belofte in 't oprechte geloof… voor eigen leven, gezinsleven, kerkelijk leven... en dat in deze tijd van kerkverlating en zgn. godsverduistering.
Wat heerlijk als wij deze getrouwe en waarachtige Belover in alle eenvoud mogen geloven op dit Zijn Woord. Dat strekt allereerst Hem tot eer. Want Hij is geen God van ja en nee, maar van ja en amen. Op Zijn tijd zal Hij heerlijk vervullen al hetgeen Hij toegezegd heeft. Vervolgens is 't oprechte geloof ook tot nut van ons en onze naaste. Geloven rust immers op beloven. In en door 't oprechte worden wij nl. werkzaam met deze belofte.
Wij zien het. 't Zit op ons vast. We hebben naar wij geloven. 't Ligt niet aan God. God is een Licht en gans geen duisternis is in Hem. Door 't geloof gaat ons hart open voor de Belover en Zijn belofte. In en door 't geloof laten wij deze klopper, deze belofte, op de Deur, op Jezus, vallen (Lucas 11 : 9b) en stamelen al pleitend: 'HEERE, doe gelijk Gij beloofd hebt'. Neig mijn hart, neig het hart van mijn man, vrouw, kinderen, kleinkinderen, van de joden, van de heidenen en voeg het saam tot de vrees van Uwen Naam.
Door 't geloof gaat ons hart open voor de Belover en Zijn belofte, zeiden we. Maar ook onze hand, zeggen we erbij, 't Ware geloof verenigt immers met Christus en door Zijn Geest gaan we ook in deze dingen Zijn beeld vertonen. We zien nl. niet alleen de grote geestelijke nood van Israël en de blinde heiden, maar ook de materiële nood, waarin zij verkeren. Door 't oprechte geloof krijgen we iets priesterlijks over ons. U begrijpt het. We krijgen naast een gunnend hart een milde hand.
En al gevende stijgt het gebed omhoog. 'Vergader Uw volk uit de grote verstrooiing naar Uw toezegging. Oh, dierbare Geest breng hen bovenal weder uit het land van de zonde en haar vervreemding van God en voer hen in de gemeenschap van Christus.'
Zou de HEERE het beloven en niet vervullen? Dat kan niet. Onze God is immers volmaakt, dus getrouw aan Zijn eigen Woord. Hij heeft het beloofd en die Man rust niet voor Hij ook deze zaak voleind heeft... en dat op ons gebed (Romeinen 10 : 1).

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 20 februari 1992

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

De blijde Weldoener (3)

Bekijk de hele uitgave van donderdag 20 februari 1992

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's