Emeritus – uitgediend of dienstvaardig? (1)
Voor de kring van emeriti-predikanten, hun vrouwen en de predikantsweduwen heb ik een lezing mogen houden over bovengenoemd onderwerp.
Er werd mij gevraagd om deze in De Waarheidsvriend te publiceren. Ik heb daar wel over na moeten denken. Er zijn immers veel meer lezers van ons blad dan de ongeveer 120 emeriti, die tot de Gereformeerde Bond worden gerekend. Zouden anderen zich wel interesseren voor een onderwerp, dat in het bijzonder over dominees gaat? Ik bedacht echter ook, dat de vreugden en de vragen van emeriti in diepste wezen niet al te veel verschillen van die van andere ouderen, die gepensioneerd zijn of zich uit zaken hebben teruggetrokken. Daar komt nog iets bij, dat me deed besluiten tot publicatie over te gaan. In onze diensttijd hebben we dankbaar mogen ervaren, dat onze gemeente ons gedacht in haar gebeden. Maar wie bidt voor emeriti, die zo aan de zijlijn staan? Ik moet ook van mezelf erkennen, dat ik vroeger bij de veelheid van mensen en zaken, die onze aandacht vroegen, dit te weinig heb gedaan. Vaak was dit alleen, wanneer zij jubileerden of in dagen van ernstige ziekte. Wanneer u nu iets over hen leest, hoop ik, dat het er te meer toe zal leiden, dat ook zij, die eens hun levenstaak mochten vinden in de dienst van het Woord, in de voorbede niet worden vergeten. Wij allen, de emeriti, zullen u er hartelijk dankbaar voor zijn. Zo geef ik u dan de gehouden lezing – hier en daar iets gewijzigd – door. Het gaat er dus over, of voor een emeritus geldt: uitgediend of dienstvaardig.
Het blijde begin
Als de dag van gisteren herinneren we ons het heilig uur van onze eerste bevestiging. Het moment, waarnaar we hadden uitgezien, te meer, naarmate het besef van onze roeping groeide. Daarvoor hadden we gestudeerd, soms onder moeilijke omstandigheden en met veel moeite; daarom hadden we gebeden.
Nog voelen we de zachte druk van de hand van onze bevestiger op ons nederig gebogen hoofd en hoorden we woorden, die als hemelse muziek in onze oren klonken: God, onze hemelse Vader, Die u geroepen heeft tot deze heilige dienst, verlichte u door Zijn Geest, versterke u door Zijn hand en regere u zo in uw bediening, dat gij daarin naar behoren en vruchtbaar moogt wandelen, tot grootmaking van Zijn naam en tot uitbreiding van het Rijk van Zijn Zoon Jezus Christus.
Het lied, dat onze gemeente ons daarna toezong, klonk als een heilig gebed. Toen stonden we op, bijna duizelig van geluk en dank. We waren verbi divini minister, dienaar van het goddelijk Woord; in de dienst van God en van Zijn gemeente, die nu 'onze' gemeente zou zijn. Er zijn weinig dagen in ons leven geweest, waarin hemel en aarde zo dicht aan elkaar raakten.
Een verre toekomst?
We stonden ook op de aarde. Enkele weken na onze eerste intrede kregen we bericht van de pensioenraad van onze kerk, dat we te zijner tijd recht zouden hebben op pensioen. Voor mij, die in 1941 het werk mocht beginnen, werd als datum daarvoor genoemd 1981. Dat klonk onwezenlijk ver; voor m'n besef had er even goed kunnen staan het jaar 2000 of later.
Maar de tijd gaat snel. Velen van ons veranderden na enkele jaren van gemeente, soms meermalen. Anderen bleven op hun plaats, waar zij vaak na veel verdriet en gebed ontdekten, dat de Heere hen daar en niet elders een taak had gegeven.
We vierden ons vijfentwintigjarig jubileum, sprekend tot velen van Gods trouw, Die ons had geleid. Of we maakten gebruik van wat het ius non iubilandi wordt genoemd, het recht om niet in het openbaar te jubileren. We herdachten in stilte. Maar ook de stilte zingt God toe! Psalm 65 : 2. Maar we moesten er wel aan denken, dat er van onze veertig dienstjaren, àls we die zouden krijgen, er al vijfentwintig jaren om waren en dat er nog slechts vijftien jaren ons restten. Als we later predikant waren geworden, zouden dat er nog minder zijn. In elk geval waren we allen voorbij de helft van de weg naar het emeritaat. Maar we hadden het druk, de jaren gingen door. Weer later kwam de vraag tot ons, als bijvoorbeeld een oudere collega het werk neerlegde: hoe ver wij nog van ons emeritaat af waren? Even stonden we erbij stil en we noemden een slinkend getal.
Toen kwam het laatste jaar. Na de vakantie begonnen we ons meer bewust te worden van het naderende einde van onze diensttijd. Voor de laatste keer begonnen we met de belijdeniscatechisatie. De drukte van de 'tiendaagse veldtocht', de tijd van het Kerstfeest tot de nieuwjaarsdag, deed ons erbij stilstaan, dat we voor de laatste keer met onze eigen gemeente het Kerstfeest vierden; nog één keer samen met hen de oudejaarsdienst hielden en de nieuwjaarsdag beleefden.
In februari viel er een brief in onze bus van de provinciale kerkvergadering, waarin stond, dat we ons emeritaat moesten aanvragen per 1 mei en dat dit ons ambtshalve verleend zou worden, wanneer we dit verzuimden. Dat bericht greep heel diep in. Natuurlijk wisten we wel, dat dit zou komen — we kunnen immers tellen en rekenen — maar nu het daar zwart op wit voor ons stond, voelden we ons geschokt en verdrietig. We beseften, dat het nu 'menens' was geworden. De datum, die destijds onwaarschijnlijk ver leek, was nu aangebroken.
De toekomst is nu heel dichtbij
De resterende drie maanden vlogen voorbij: het afbouwen van ons werk, vaak het zoeken van een andere woning, omdat we de pastorie, die nu ineens vol herinneringen bleek te zijn, moesten verlaten. Dan de afscheidsdienst met veel vrienden en bekenden ook uit vorige gemeenten. We beleefden de waarheid van een spreekwoord, dat we zelf ook wel hadden gebruikt bij het afscheid van een collega, dat scheiden een weinig sterven is. We begrepen een dichtregel van de Vlaamse priester-dichter Guido Gezelle:
Er welt ene traan in mijn ogen,
als ik denke: het is voorbij.
We werden toegesproken, de gemeente zong ons haar zegenbede toe, we dankten voor alles. Nu zijn we emeritus, dat heel letterlijk vertaald betekent: uitgediend. We staan naast de Romeinse soldaat, die tweeduizendjaar geleden zo werd genoemd, als hij de dienst verliet: emeritus.
Troosten waren de woorden van de Dordtse kerkorde — artikel 13 — So het geschiedt, dat eenige Dienaar door ouderdom, siekte of andersints onbequaam worde tot oefeninge hares Dienstes, soo zullen sij nogtans des niet te min de eere en den Name eens Dienaars behouden.
Emeritaat alleen op grond van het bereiken van een bepaalde leeftijd kende men toen niet, maar onze huidige kerkorde zegt nadrukkelijk, dat emeritaat verleend wordt wegens het bereiken van de leeftijd van vijfenzestig jaren. Maar wel zo, dat het ons ook verleend wordt, zoals we zagen, als we het niet hebben gevraagd.
Uitgediend of dienstvaardig?
Is dit nu een periode van uitgediend zijn of van op een andere wijze dienstvaardig mogen zijn? Bij deze vraag vergeten wij onze collega's niet, die — om met de Dordtse kerkorde te spreken — 'op grond van siekte of onbequaamheid' tot de dienst niet meer in staat zijn. Enkelen van ons bereikten het emeritaat moe en afgemat. Ik denk aan een vriend van mij in Rotterdam, die bij zijn afscheid van onze gemeente de kansel moest op geholpen worden — hoewel zijn verkondiging er niet onder leed! — Maar zijn aangrijpend afscheidswoord verborg niet, dat hij aan het einde van zijn krachten was. Hem werd het opgelegd, dat hij moest aanvaarden, dat zijn taak als predikant ten einde was gekomen.
Men spreekt dan met dure woorden van een otium cum dignitate, een rust met waardigheid. Maar voor de meesten gaf dit wel enige rust, maar zou minstens evenveel bezigheid meebrengen.
Wel enige rust: de wekelijkse druk — ook wel de vreugde en de zegen! — om voor elke zondag een of twee preken te moeten maken, valt weg. We herinneren ons de woorden van professor Berkelbach van der Sprenkel: 'Preken maken is een gewichtig en moeilijk werk: zij, die er voor staan, de studenten beginnen het te voelen: zij, die er wekelijks (dikwijls tweemaal wekelijks) voor staan, de predikanten, gevoelen het eerst recht. Over de ongelukkigen, die er op den duur geen pink voor omdraaien, zullen we liever zwijgen.'
Zonder nu de rest van ons leven met oude preken op weg te gaan, kunnen we er wel gebruik van maken, ze omwerken en tegelijk ons steeds weer bezighouden met het maken van nieuwe preken. Er is nu gelegenheid om minder in de spanning van tijdnood ons op de zondag voor te bereiden. We hebben meer vrije tijd, omdat er veel minder vergaderingen zijn, die vaak tot laat in de avond, soms tot de kleine uurtjes van de nacht duurden. We kunnen ook in de avond vaker thuis zijn. Waren we dit vroeger een enkele keer, dan jaagde de telefoon ons op. Hoe vaak — of hoe weinig? — hadden we ons genoeglijk geïnstalleerd 'bij boek en plaat' of om zomaar gezellig bij elkaar te zijn, of we werden weggeroepen voor een ernstig zieke, of voor een man, wiens vrouw was weggelopen. En we voelden ons genoeg pastor om er heen te gaan. Of — ook dat kwam voor — dat iemand 'even' kwam aanlopen, omdat hij onze auto had zien staan voor de deur en bedacht, dat we toch thuis waren en ons de hele avond ophield met zijn verhalen, die niet veel inhoud hadden en die pastoraal weinig betekenden. Een pastorie moet een open huis zijn, maar een dominee wil ook wel eens samen zijn alleen met de zijnen. Nu gebeurt dit minder vaak, zeker als we in een andere gemeente zijn gaan wonen, of — wanneer we in de eigen plaats bleven — uit respect voor onze opvolger de mensen naar hem verwezen.
Eindelijk was er ook meer tijd voor studie, al heeft die er voor een dienstdoende predikant ook te zijn. We kunnen zeggen, dat hij er recht op heeft, maar ook dat de geméénte er recht op heeft. Zij zal in de prediking danig te kort komen, zeker op de duur, als zij de dominee geen ruime gelegenheid laat om zich met de studie bezig te houden. Al te vaak echter gebeurt het, dat we wel studeren in de pastorie, maar min of meer levend 'van de hand in de tand', bezig met wat we nu vandaag nodig hebben voor onze preken, de catechisaties, een bijbelkring. Bleven we veel langer op de studeerkamer, dan was dit bijna met een kwaad geweten: we hadden die en die beloofd spoedig langs te komen, we moesten nodig naar een gezin met moeilijkheden...
Ik denk er aan, dat een collega me eens zei, dat het werkschema van een dominee nog het ouderwetse patroon vertoont van de agrariër: zes dagen werken van de morgen tot de avond, drie dagdelen, elke dag weer. En voor de dominee is dan de zevende dag geen dag der ruste! Hoe dankbaar we mogen zijn, dat we het Woord mogen verkondigen, het vergt wel veel aandacht en inspanning.
Nu is die druk min of meer weggevallen. We zijn uitgediend en ons wacht rust, althans een zekere rust.
Toch dienstvaardig
Meestal is die rust maar ten dele.
De kerkorde van onze kerk staat toe, dat wij tot ons zeventigste levensjaar bijstand in het pastoraat mogen verlenen. Door de meesten van ons is dit een vreugde, een voorrecht. Meestal omvat dit niet een hele week met het 'agrarisch' patroon, dat ik zoëven noemde. We preken gelukkig nog — rijke momenten van diepe vreugde op de kansel, — maar als gezegd, de klem van elke week een of twee keer is niet meer in die mate aanwezig. Het is een ledigheid met dienstvaardigheid samen. De Spreukendichter met zijn legertje van mieren valt ons niet lastig. We neuriën zacht:
Gelijk de landman moe van 't zwoegen
de scheidend' avondschaduw groet...
(Wordt vervolgd)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 februari 1992
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 februari 1992
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's