De wetten van de eigen identiteit
Soevereiniteit in eigen (kerkelijke) kring?
Onderscheiden levensterreinen zijn gekenmerkt door hun eigen leefsfeer met de daarbij behorende wetmatigheden of groepswetten. Dat geldt binnen de verschillende wetenschappen. De psychiatrie heeft een andere leefsfeer dan de fysica, de medische wereld is door andere codes en wetten gekenmerkt dan de psychologie.
Deze gedachte is, wat de bredere verbanden van het leven betreft, uitgewerkt door o.a. Abraham Kuyper, die de beginselen van de soevereiniteit in eigen kring heeft geponeerd, later nader uitgewerkt in de zogeheten wijsbegeerte der wetsidee, de calvinistische wijsbegeerte. Grondgedachte in dit beginsel is, dat alle verschijnselen binnen de geschapen werkelijkheid zijn onderworpen aan structuurwetten, die hun oorsprong vinden in Gods soevereine scheppingsmacht, beter nog in scheppingsordeningen.
Zo is het menselijke leven gekenmerkt door onderscheiden wetskringen. Het gezin is wat betreft het leefklimaat en de daarbij behorende wetmatigheden van andere aard dan een bedrijf. De staat is van andere orde dan de kring van het onderwijs.
Met deze gedachte van 'soevereiniteit in eigen kring' werd in (neo)calvinistische, zeg vroeg-antirevolutionaire kring dan ook principieel verzet aangetekend tegen bijvoorbeeld overmatige overheidsbemoeienis op de onderscheiden andere levensterreinen. Anderzijds zijn in deze gedachtengang de verschillende levenskringen ook weer niet ten opzichte van elkaar geïsoleerd. Ze zijn ook op allerlei wijzen met elkaar vervlochten. Het gaat ook om hun samenspel.
De kerk
In deze gedachtengang is ook de kerk een eigen levenskring. Ik laat nu verder de 'soevereiniteit in eigen kring' voor wat die is. Het waarheidselement erin is inderdaad, dat levenskringen — overigens ná de zondeval — zo hun eigen, hoewel menselijke wetmatigheden hebben. Mij dunkt echter, dat bij een theocratische benadering van de werkelijkheid, namelijk vanuit de overtuiging dat God regeert en het voor het zeggen heeft in alle levenskringen, de integrále functie van de góddelijke Wet, als tuchtmeester tot Christus en als leefregel der dankbaarheid, in het oog moet worden gehouden.
Intussen is toch de kèrk in het geheel van levenskringen van eigen orde. Zij valt wel heel in het bizonder onder Gods soevereine zorg, onder de tucht en de belofte van Zijn heilzame geboden. Zij is vooral Lichaam van Christus. Als zodanig zou de kerk over de hele wereld, naar haar wezen en naar haar origine, één alom herkenbare levenskring moeten zijn; herkenbaar met name aan de wetmatigheden van het Koninkrijk der hemelen.
De praktijk leert evenwel, dat vanwege de grote verdeeldheid van de kerken, juist ook het kerkelijk leven is opgedeeld in onderscheiden leefwerelden, met alle daaraan verbonden menselijke wetmatigheden. Allerwegen binnen de kerken valt zo in de praktijk zelfs wel een bepaalde soevereiniteit in eigen kring te signaleren. Binnen onderscheiden kerken in de wereldchristenheid heersen uiteenlopende leefklimaten. Zelfs ook binnen de gereformeerde kerkelijke wereld moeten we spreken van uiteenlopende leef- en belevingswerelden, om niet te zeggen kerkelijke culturen. En dan blijkt de eigen identiteit ook (mede) bepaald te'worden door regelingen, ordeningen, wetmatigheden, zeg zelfs 'wetten'. Dat is niet alleen allerwegen met de handen te tasten, het is ook alleszins verklaarbaar en begrijpelijk. Wanneer kerkelijke kringen niet door bepaalde eigenheden zijn gekenmerkt, verliezen ze ten opzichte van elkaar immers hun recht van bestaan.
Absoluut en relatief
De vraag is nu maar òf en hóé absoluut de 'wetten' van de eigen groep, gezindte, kring of kerk zijn.
Als het er helemáál op aankomt, wenst Paulus Niemand anders te weten dan Jezus Christus en Dien gekruisigd. Daaraan is dus veel, zo niet alles ondergeschikt. Het gaat om de theologie en om de prediking des Kruises. Dat betekent dat, wanneer men in andere landen van de wereld de kerk van Christus op het spoor is gekomen, men deze niet allereerst af zal meten aan de criteria, die binnen eigen kerk en kring gelden. Men zal die min of meer betrekkelijk achten vanwege de belijdenis van die Ene Naam.
Wie eigen kerk of groepswetten absoluut stelt, houdt nog slechts een klein groepje christenen in de wereld, eigenlijk alleen in eigen land over. Dit te beseffen betekent het betrekkelijke onderkennen van zelfs allerlei zaken, die ons lief en dierbaar kunnen zijn, maar die slechts in afgeleide zin met het absolute beginsel der Schriften hebben te maken. Anders worden we schizofreen in als positief ervaren ontmoetingen met anderen.
Dit alles neemt overigens niet weg, dat er ook leef- en gedragsregels of wetten zijn, die toch ook wezenlijk met de identiteit van het kerkelijk en gemeentelijk leven hebben te maken. Die zijn dan zoveel als grenspaaltjes, waarbuiten de eigen identiteit mistig gaat worden.
Dit laatste betekent, dat men ook niet al te gemakkelijk kenmerkende geschreven of ongeschreven wetten, die de identiteit van een kerkelijke kring bepalen, zo sterk moet relativeren, dat, terwille van een hogere eenheid, opeens alle grenzen worden uitgewist. Alle dingen hebben nu eenmaal hun geschiedenis, ook in de kerk(en). Het is verder ook weer zo, dat een geheel van normen en waarden, die als randwoorwaaxden bij de kern van het bijbels getuigenis dienen, toch ook een wezenlijke functie hebben. Elke vrucht heeft nu eenmaal een kern, vruchtvlees en een schil. Zo is het ook met de kerk. De kern en de randen samen bepalen de identiteit.
Het kan dan ook zijn, dat in een drift tot verandering zoveel zaken kantelen, die de identiteit de jaren door mee hebben gedragen, dat tenslotte de identiteit zelf niet meer wordt onderkend of herkend.
Een bekende vraag is hoeveel haren men uit een paardestaart kan trekken zo dat het nog (net) een paardestaart is. Niemand zal willen zeggen, dat die haren de substantie van de staart bepalen. Maar die haren horen er wel bij.
Wat het kerkelijke leven betreft, valt allerwegen te constateren — toegeven: in de schuldige situatie van de kerkelijke verdeeldheid — dat mensen zich thuis hebben geweten en weten in een bepaalde kring om een geheel van zaken, die voor kerk en gemeente kenmerkend zijn; als het goed is gegroepeerd rondom het hart, namelijk de prediking. Het prijsgeven van een aantal zaken, die hen in de loop der jaren lief en dierbaar zijn geworden, ook waar ze niet het hart van de zaak zelf uitmaken, kan vervreemding met zich meebrengen. Met allerlei veranderingen komt men — zo ervaart men het althans — gemakkelijk terecht bij een kerkelijk artikel, dat elders ook verkrijgbaar is. 'Waar blijven we...?' is dan een telkens gehoorde vraag. Betekent knabbelen aan de randen niet, dat tenslotte de kern ook niet ongemoeid blijft?
Daarom is de kwestie van veranderingen altijd een uiterst subtiele. Omdat de tijd niet stilstaat, zullen zich, bij de opeenvolging der generaties, altijd wel veranderingen voltrekken, harmonieus en geleidelijk. Soms raakt men echter bij geforceerde of abrupte veranderingen meer mensen kwijt dan er mee gewonnen worden. Als veranderingen in de ogenschijnlijk minder principiële zaken bij mensen het gevoel van gemeenschap doet verminderen, is er ook niets mee gewonnen.
De eigenheden van een gemeenschap moeten dan echter inderdáád ook wel bindend werken, rondom de verkondiging. Het kan namelijk ook zo zijn, dat eigenheden tot dwangmatigheden worden en dat de wetmatigheden een soort ijzeren juk gaan vormen, waardoor mensen zich meer en meer bekneld gaan gevoelen. Dat laatste is zeker het geval waar steeds verdere verfijningen worden doorgevoerd om de identiteit veilig te stellen. Ook dan worden langzaam maar zeker veranderingen doorgevoerd, waarin mensen zich soms niet herkennen en waardoor ze vervreemd raken van hun eigen gemeente.
Concreet
Het is intussen een feit, dat allerlei kerkelijke kringen meestal aan uitwendige, althans hanteerbare kenmerken worden getypeerd (en vaak ook vertekend). Het gaat dan meestal niet om het wezenlijke van de verkondiging.
Hervormd gereformeerden zijn, samen met anderen in het gereformeerde wereldje, mensen van het nachtschuitchristendom, de zwaren, de mensen met een bepaalde kleur kledij. Maar voor meer ingewijden zijn ze tegen... en dan volgt een hele waslijst. Zelden gaat het dan om het hart van de prediking.
De vraag is dan overigens wel welk beeld naar buiten echt wordt getóónd. Het kan immers ook niet worden ontkend, dat bepaalde eigenheden van kerkelijke groeperingen soms sterk worden verabsoluteerd. Ik noem één voorbeeld, een punt waarop hervormd gereformeerden nogal eens worden beoordeeld, namelijk de gezangenkwestie. Ooit heeft Kuyper het vermaarde woord gesproken: 'Gods volk zingt geen gezangen'. Hij bedoelde natuurlijk: in de eredienst; zoals dat tot in het begin van de dertiger jaren ook in de Gereformeerde Kerken nog gold. Intussen werden de gezangen vrolijk gezongen in de huiskamer en op verenigingen. Dus zo absoluut lag het ook weer niet.
Toch is anderzijds de afwijzing van het vrije lied in de eredienst een vrij algemeen gegeven in kerken van gereformeerde belijdenis in ons land, gegeven de vele onbijbelse liederen in allerlei bundels; gegeven vooral het feit dat men rechtstreeks uit de Schriften wil zingen. Toen dan ook in het begin van de dertiger jaren de Gereformeerde Kerken, het gezegde van Kuyper ten spijt, toch overgingen op het vrije lied in de eredienst, zei prof. dr. Hugo Visscher: over vijftig jaar zullen we elkaar nader spreken. Feit is immers wel, dat via het vrije lied ook een andere 'spiritualiteit' kan worden ingezongen in de gemeente. Veranderingen in liturgisch opzicht moeten dan ook maar niet te gemakkelijk onder de randvoorwaarden van het gemeentezijn worden gerangschikt. Niet elk type lied past bij elk type prediking. De liturgie vormt met de prediking een twee-eenheid. Het is ondenkbaar, dat prediking bijvoorbeeld bij de Vrij Evangelischen met louter psalmen zou worden omrankt. Welnu, geldt niet voor gereformeerde prediking het omgekeerde?
Zodra we echter (ook) zulke (liturgische) punten absoluut stellen, verheffen tot zaken waarmee de kerk staat of valt, dan kan men dichtbij of ver weg eigenlijk nog nauwelijks terecht als het gaat om de kerk des Heeren.
Als we zo in het algeméén onze eigenheden, hoe vertrouwd we er ook mee zijn en hoe principieel we ze ook in een bepaalde context hebben geduid en onderbouwd, verabsoluteren, krijgen we zelfs al binnen de zogeheten Gereformeerde Gezindte afsnoeringen van elkaar, die met betrekking tot het gemeenschappelijke van de éne gereformeerde belijdenis ontoelaatbaar zijn.
In één van de laatste nummers van het jongerenblad Daniël zei ds. C. Harinck, predikant van de Gereformeerde Gemeenten te Oostkapelle, dat in het geheel van de Gereformeerde Gezindte de Gereformeerde Gemeenten hun eigen inbreng hebben te geven als het gaat om de toeëigening des heils. Ik denk dat hij bedoelde: de wijze waarop de toeëigening des heils geschiedt, omdat immers de kwestie van de heilstoeëigening als zodánig een zaak is, waar men in het geheel van de Gereformeerde Gezindte mee bezig is. Als zodanig geldt behalve inbreng ook wederkerigheid. Maar in ieder geval betrok ds. Harinck de identiteit van de Gereformeerde Gemeenten hier op het wezelijke van het eigene: de prediking. Voor het overige, meende hij, kunnen zij zelf dan misschien ook van anderen leren. In de praktijk zal wel blijken — zoals overigens ook voor andere kringen — dat het nog niet zó eenvoudig zal zijn om uit wat men bij anderen leert ook lering te trekken. Maar in ieder geval is hier sprake van een zekere relativering van het eigene in de ontmoeting met de ander, die ds. Harinck dunkt mij dan wel vooronderstelt.
Intussen spreken we dan nog slechts over verschillen en verschilletjes binnen, globaal genomen, dezèlfde confessionele kring. Beleeft men namelijk in nog wijder kring de ontmoeting met de kerk van Christus, ik bedoel wereldwijd, dan mòèt men wel in zekere zin het eigene relativeren vanwege Paulus' uitspraak, dat hij Niemand anders wenst te weten dan Jezus Christus en Dien gekruisigd. Maar dat betekent niet, dat het eigene er volstrekt niet toe doet. Er zijn ook kenmerken, die gemeenschapsbepalend en gemeenschapsbevorderend zijn geweest. En die dienstbaar waren en zijn aan de opbouw van het lichaam van Christus. Voor men die prijsgeeft, moet men wel weten wat men ervoor in de plaats krijgt. Ook voor de randvoorwaarden behoeft men zich niet te schamen. Dat geldt ook voor hervormd gereformeerden, die in de concrete Hervormde Kerk hun eigen geschiedenis hebben
Het is al met al nog niet zo eenvoudig om de juiste weg te vinden tussen verabsolutering en relativering als het over het eigene gaat. 'Soevereiniteit in eigen kerkelijke kring' kan niet. Omwille van Christus en Zijn kerk niet. We moeten anderen ook eerlijk in de ogen kunnen blijven kijken. Maar er behoeft ook geen terughoudendheid te zijn om voor het eigene, dat deugdelijk is gebleken, in de ontmoeting met anderen te blijven opkomen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 5 maart 1992
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 5 maart 1992
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's