Voedselvoorziening
'Geef gij hun te eten' Matth. 14 : 16b 'Breng Mij dezelve hier' Matth. 14 : 18
Bij het zien van het onuitzegbaar leed van elke dag, kan ons een gevoel van machteloosheid bevangen.
Onze hulp lijkt zo ontoereikend om de nood te lenigen.
Daarom hoeft het ons niet veel moeite te kosten om ons het gevoel van machteloosheid in te denken, als Jezus Zijn discipelen de opdracht geeft, de samengestroomde menigte van eten te voorzien.
Waar moeten ze het van doen?
Ze hebben niets in huis dan enkel een paar broden en vissen: that's all!
Het lijkt erop alsof Jezus hen te kijk zet tegenover de schare. Toch leest Jezus hen niet de les, maar geeft openbare les.
Les voor de toekomst, die hen wacht.
De discipelen uiten hun bezorgdheid, wanneer de tijd gaat dringen. Ze zien de werkelijkheid van dat ogenblik onder ogen. Het is al laat en ze bevinden zich in een eenzame streek. Waar moeten al die mensen eten vandaan halen?
Voor de discipelen is het een uitgemaakte zaak, dat ze zelf voor voedsel zorgen moeten. Daar hebben zij als discipelen geen boodschap aan.
Maar dan komt de Heiland met de — voor hen — onverwachte reaktie en opdracht: geef gij hun te eten!
De nadruk valt op gij!
Het heeft er alle schijn van dat Jezus de verantwoordelijkheid bij Zijn discipelen legt. Maar hoe zullen ze?
Wat ze hebben, daarvan kunnen ze niet delen!
Toch een onmogelijke opdracht? Onbegonnen werk!
De Heiland laat Zijn discipelen delen in Zijn zorg. Ook zij zullen de ontferming moeten leren.
De lichamelijke en geestelijke nood zal hen een zorg moeten zijn.
Maar de beschamende ontdekking is: ze hebben niets te bieden!
Maar ogenblikkelijk krijgen ze vervolgonderwijs. Geef het Mij in handen. Laat Mij erover beschikken!
De Heiland laat Zijn discipelen er niet mee zitten. Ook niet met hun verlegenheid.
Hij laat hen hun machteloosheid ervaren. Dat is ontdekkend. Maar de les om nooit te vergeten is deze: zonder Mij kunt ge niets doen!
Het weinige dat zij hebben, dat mogen ze de Heiland in handen geven. In handen geven wil dan zeggen: eerst uit handen geven.
Hoeveel mensen zeggen niet, — ook in de gemeente — 'ik kan zo weinig, ik heb niets te bieden, ik heb zo weinig'.
Maar wat doen we met dat wat we ter beschikking gekregen hebben? Ook met dat ene talent?
Ligt het begraven?
Wij zullen moeten leren ook het weinige uit handen te geven. Het optellen en vermenigvuldigen gaat ons beter af dan delen. In Zijn Hand wordt het weinige overvloedig onder Zijn zegen. Want dan krijgen de discipelen voor de tweede maal de opdracht om uit te delen. Ze delen uit Christus' rijkdom. Overvloedig veel.
Waar de Goede Herder werkzaam is, daar is geen gebrek. Het is de Goede Herder erom te doen, dat Zijn schapen overvloed hebben.
'Ik ben gekomen, opdat zij leven hebben, en overvloed hebben.'
'Ik ben het Brood des levens. (...) Die dit Brood eet, zal in der eeuwigheid leven.'
Dit is het brood, dat voor u gebroken is tot een volkomen verzoening van al onze zonden.
Wij kunnen niet delen, als wij niet eerst uit handen gegeven hebben en uit handen ontvangen hebben.
Doorboorde handen!
Bij het brood dat Hij breekt, gaan ons de ogen open als bij de Emmaüsgangers.
Uit handen geven en ontvangen om in die weg uitdelers te worden van de veelkleurige genade Gods: een ieder, gelijk hij gave ontvangen heeft, alzo bediene hij dezelve aan de anderen, als goede uitdelers van de menigerlei genade Gods.
Delen wij daarvan uit? Als ambtsdragers, in het ambt der gelovigen?
Of is armoe troef?
Zal het ons een zorg zijn?
De fontein van Gods genade is onuitputtelijk.
De gaven en weldaden van Christus' werk zijn onuitputtelijk.
Hij opent Zijn Hand en verzadigt al wat leeft naar Zijn welbehagen.
De Heere wordt van het inhouden niet rijker en van het uitdelen niet armer.
De Zijnen mogen dat in het geloof ondervinden.
Zalig zijn die hongeren en dorsten naar de gerechtigheid, want zij zullen verzadigd worden.
Delen in en van Andermans rijkdom.
In Zijn dienst en tot Zijn dienst bereid.
Dan wordt Christus' opdracht ook heel concreet en praktisch.
Geef hen te eten! Voedselvoorziening aan hen, die niet hebben. De eenheid van Woord en daad krijgt op die wijze gestalte. Het is Christus om het heil van de gehele mens te doen.
Daadwerkelijke hulp met ontferming bewogen met het oog en hart op hen bij wie draagkracht en draaglast ontwricht zijn.
De daad bij het Woord: brood voor hart en leven.
Manna op de levensreis in de Naam van Hem, Die ons heeft leren bidden: geef ons heden ons dagelijks brood.
Het gebroken brood van de biddag wordt dan spijze voor onderweg in de navolging van Christus.
Die door Zijn Geest ons troost en leidt. Hem zij de lof in eeuwigheid.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 5 maart 1992
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 5 maart 1992
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's