Uit de Pers
Het gesprek over de kerk
In 1991 was het veertig jaar geleden, dat we als Nederlandse Hervormde Kerk gingen leven onder een nieuwe kerkorde. Dat feit kreeg in de kerkelijke pers de nodige aandacht. Het spits werd afgebeten, voor zover mijn waarneming reikt, door drs. H. de Leede in Kontekstueel van augustus 1991 (6e jrg. nr. 1). Hij gaf een uitvoerige analyse van de situatie in de Nederlandse Hervormde Kerk sinds 1951 en schreef veelzeggend boven zijn artikel: Van richtingenstrijd tot pluraliteit. Op De Leede's indringend verhaal is tamelijk breed gereageerd in de kerkelijke pers het afgelopen half jaar. Onder andere in Kontekstueel zelf van november 1991 (6e jrg. nr. 2) door wat sinds enkele jaren heet 'de breedte van de kerk'. En op al die reacties schreef coll. De Leede zelf in Kontekstueel van januari 1992 (6e jrg. nr. 3) weer een evaluerende beoordeling en samenvatting, waaruit verderop in deze rubriek meer.
In Kerk en theologie van januari 1992 (43e jrg. nr. 1) haakt ook dr. A.A. Spijkerboer in op de voorzetten van genoemd artikel in zijn bijdrage van de kroniek van genoemde aflevering. Eerst geeft dr. Spijkerboer het drietal punten aan, waarmee De Leede halverwege zijn artikel van augustus 1991 tot een typering probeert te komen van de huidige stand van zaken in de Nederlandse Hervormde Kerk.
Ik laat eerst enkele van zijn opmerkingen volgen:
'1. De landelijke kerk is inhoudelijk onmachtig geworden tot spreken. De synode (het moderamen, de raden) bestuurt zo goed en zo kwaad mogelijk het schip der kerk. Maar is zij inhoudelijk nu zo ver van de vooroorlogse situatie verwijderd? Door het zoeken van een consensus zorgt de synode dat er geen ongelukken gebeuren. In plaats van een "verdeel en heers"-politiek tóen kunnen we nu toch spreken van een kerk die vindingrijk is in het formuleren en uitstellen van beslissingen? Of doen wij met deze indruk bij velen onrecht aan de synodale zaak?
2. De richtingen in de klassieke zin van voor en vlak na de oorlog bestaan niet meer. De richting in de zin van een totaalvisie op de waarheid, op het wezen van de kerk en op de plaats van de gehele kerk in de moderne samenleving. Het midden en wat zich links daarvan bevindt, is theologisch en met name ecclesiologisch zeer diffuus. Het confessionele midden heeft eigenlijk geen gezicht meer; en ter rechterzijde daarvan bevindt zich een verdeelde Gereformeerde Bond met naast zich een — in vergelijking met 1951 — nieuw fenomeen: het Gekrookte Riet. Geen van de genoemden heeft kennelijk nog het zicht op de richting voor de gehele kerk, want men "leeft" feitelijk van de pluraliteit en maakt daar lustig en rustig gebruik van. Dat is feitelijk zeer opvallend! Is het hebben van een "geding" in de kerk — bijvoorbeeld om de waarheid! — door een congregationalistische praktijk voorbij? Dit brengt ons tot de volgende vraag, namelijk hoe het kerkelijk (samen-)leven zich dan afspeelt? (...)
3. Binnen de Nederlandse Hervormde Kerk — en hetzelfde geldt in grote mate voor het héle kerkelijke leven in Nederland — zijn min of meer duidelijk drie "blokken" te onderscheiden, die als drie cirkels elkaar niet of nauwelijks nog snijden:
a. Het oecumenisch conglomeraat.
b. Een evangelisch, confessioneel, gereformeerd geheel.
c. Een reformatorisch blok.
Opvallend is, aldus drs. De Leede, dat er in de kerk weinig meer gestreden wordt om de ware leer of 'het rechte belijden', samengevat: om het wezen van de kerk. Er wordt wel veel geruzied en gekissebist om belangen en gevoeligheden. Maar er is zo weinig meer te merken vandaag, dat we als kerk met elkaar een geding hebben om de belijdende kerk.
Dr. Spijkerboer geeft dan in zijn woorden weer, hoe hij de driedeling van drs. De Leede gelezen en begrepen heeft.
In het oecumenische conglomeraat leeft nog wel iets van het apostolair elan van de nieuwe kerkorde, maar het apostolaat is daar versmald tot het doen van uitspraken over maatschappelijke en politieke vragen. Verder is er een ratjetoe van verschillende spiritualiteiten: bevrijdingstheologie, middeleeuwse mystiek, en niet-christelijke godsdiensten. In het evangelisch-confessioneel-gereformeerde geheel is de ecclesiologie en de geloofsbeleving een beetje diffuus, en men wil er ook niet voor fundamentalist uitgemaakt worden, maar als het gaat over de noodzaak van de kennis van Christus, is men goed orthodox. Men is op zijn best bij groepsvorming rondom een blad, op ontmoetingsdagen en bij bijeenkomsten van verootmoediging, lofprijzing en gebed. Het reformatorische blok dient niet verward te worden met de Gereformeerde Bond, want het moet gezocht worden bij het Gekrookte Riet en bij de rechterflank van de bond: men heeft een heel duidelijke heilsleer (verkiezing en wedergeboorte), kerkopvatting (vereniging van mensen die dezelfde leer aanhangen), visie op de wereld (huiver om te spreken over het Koninkrijk van God) en de oecumene (weinig oog voor het wereldwijde waaien van de Geest).
De Leede spreekt in dit verband niet over richtingen, maar over circuits: gesloten kringen van mensen met dezelfde belangen en dezelfde interessen, die elkaar weten te vinden en die geen kerkgrenzen kennen, want a en b bijvoorbeeld zijn helemaal niet typisch hervormd.
Dr. Spijkerboer geeft drs. De Leede gelijk, dat de oude richtingen altijd het geheel van de kerk op het oog hadden. Bij wat hij in navolging van de overleden prof. Van Gennep 'circuits' noemt, is dat om het even. Het horen bij een of andere kerk is in dit denken nog nauwelijks van belang.
De situatie in de kerk
Hoe staat het er thans voor in de Nederlandse Hervormde Kerk? Drs. De Leede acht de situatie nauwelijks verbeterd, vergeleken met die van vóór 1951. Daarvan vindt dr. Spijkerboer:
Heeft De Leede gelijk, wanneer hij zegt dat het leven onder de Generale Synode na 1951 niet zoveel verschilt van het leven onder de Algemene Synodale Commissie van voor de oorlog? Ik zeg hem dat toch niet na: daarvoor getroost de synode zich toch te veel inspanningen om geestelijk leiding te geven: je kunt vinden dat het stuk van de synode over de opstanding tekort schiet, maar je moet daar dan toch wel bij zeggen dat er voor de oorlog helemaal geen sprake van was dat zo'n stuk ooit tot stand zou komen. Maar ik denk wel dat De Leede gelijk heeft, wanneer hij zegt dat de synode zich moet hoeden voor luchtfietsen, stro dorsen en dan verder de boel maar bij elkaar houden. Wat de synode doet en zegt, staat soms ver af van wat er in de kerkeraden en de gemeenten omgaat, en de afstand tussen 'de top' en 'de basis' wordt eerder groter dan kleiner.
Drs. De Leede constateert terecht, aldus dr. Spijkerboer, dat er congregationalistische tendensen zijn in de kerken en dus ook in de hervormde kerk. Hij wil daarmee zeggen, dat de belangstelling voor het geheel van de Nederlandse Hervormde Kerk sterk is afgenomen. En dat velen zich nog slechts interesseren voor eigen plaatselijke gemeente en dan ook nog voor de eigen geestverwanten in die gemeente. Heeft dat niet weer te maken met het feit, dat velen in de plaatselijke gemeenten niet of nauwelijks het gevoel hebben, dat de top van de landelijke kerk inclusief de vele raden iets herkenbaars laten horen? Die geluiden hoor en lees je geregeld in kerkelijke bladen en in gesprekken met kerkeraden. Onvrede over de synode en al wat van de burelen in Leidschendam vandaan komt. Wat hebben we eraan en wat kopen we ervoor, ook al kost het de kerkelijke gemeenschap fors geld. In het dagblad 'Trouw' heeft prof. dr. A. van de Beek onomwonden aangegeven, dat de wortel van al het 'kwaad' zit 'in het circuit van de landelijke kerk en de provinciale bureaus'. Hij heeft er een vrij eenvoudige oplossing voor. Plat gezegd: de hele handel opdoeken.
De kerk en haar beleid
In 'Woord en Dienst' van 22 februari 1992 reageert ds. P. van de Heuvel in zijn functie als voorzitter van de Commissie Kerkelijke Aangelegenheden op deze stellingname van prof. Van den Beek en geeft aan, waar de betekenis van de synode ligt.
Wat is dan de betekenis van de synode? Er zijn taken die we niet plaatselijk af kunnen en alleen gezamenlijk kunnen doen. Zoals de opleiding van predikanten, het werelddiakonaat, de zendingsroeping, het getuigenis tot de overheid.
Het onderlinge beraad is nodig om (samen met alle heiligen!) de breedte en de diepte van de waarheid Gods te verstaan. De synode heeft een taak in dat gemeenschappelijk zoeken naar de waarheid over theologische, liturgische en ethische vragen. Gemeenten staan niet los van elkaar, maar vormen een eenheid. De gemeente van Christus is een plaatselijke grootheid, maar ook een oecumenische werkelijkheid. Hand. 9 : 31 spreekt van de kerk als regionale eenheid: de gemeente (ekklesia) door geheel Judea, Galilea en Samaria.
De synode is geroepen om gestalte te geven aan de eenheid van de kerk. Ze verwoordt het gemeenschappelijk geloof in het belijden en geeft structuur aan de kerk in een kerkorde. Faith and order, belijden en kerkorde bepalen het gezicht van de kerk.
Dikwijls wordt gewezen op Hand. 15. In Jeruzalem wordt een vergadering belegd van apostelen en oudsten over vragen van de gemeente van Antiochië ten aanzien van de wet. De discussie loopt hoog op, uiteindelijk wordt een beslissing genomen: 'het heeft de Heilige Geest en ons goed gedacht...' (Hand. 15 : 28). Deze besluiten zijn niet vrijblijvend: 'En toen zij de steden langs reisden, gaven zij hun de beslissingen (grieks: dogmata) over, die door de apostelen en de oudsten te Jeruzalem genomen waren, om die te onderhouden' (Hand. 16 : 4). Zo is een synode een gespreksplatform, maar ze neemt ook besluiten die aan het leven van de gemeenten richting geven en die hen willen bewaren bij hun roeping.
Ds. Van den Heuvel reageert tevens op opmerkingen van ds. De Liefde terzake de afvaardiging naar de synode. Nu gebeurt dat vanuit elke classis. Een afgevaardigde is zo ter synode als ambtsdrager vanuit de roeping van Christus. Ds. De Liefde zou daarvan af willen en meer een afvaardiging willen vanuit met elkaar verwante groepen binnen de kerk.
Maar, aldus ds. Van den Heuvel, dan wordt de synode een parlement en zijn de aanwezigen ter synode vertegenwoordigers van een bepaalde modaliteit. Kerkpolitiek gaat de toon aangeven. Ik vind inderdaad de oplossing van ds. De Liefde niet erg bruikbaar. Maar ds. Van den Heuvel wil toch niet beweren, dat in de huidige werkwijze kerkpolitiek niet, bij sommige beslissingen en vooral benoemingen, vaak een doorslaggevende rol heeft gespeeld? Hij kan toch niet ontkennen dat in de achterliggende jaren één bepaalde modaliteit de kerk in haar uitspraken en beleid heeft overheerst. Je mag van mij geboeid zijn door wat er ter synode zoal gebeurt. Maar je moet wel reëel blijven. Er is toch een heel stuk vervreemding gegroeid tussen het landelijk gebeuren en de plaatselijke gemeente. Nu ziet ds. Van den Heuvel dat ook wel, blijkens het slot van zijn artikel.
Wie zal ontkennen dat het de synode soms aan bezieling ontbreekt? Maar het is mij te gemakkelijk om daarvan de oorzaak te zoeken bij de structuur (de afvaardiging) of bij de leiding, zoals Van de Beek dit doet in het gesprek met Trouw. Hij suggereert dat de leiding probeert het inhoudelijke gesprek af te houden en de zaken zo formeel mogelijk af te handelen. Ik vind deze beoordeling niet fair en ben van mening, dat we ons niet op zo'n goedkope manier van de vragen kunnen afmaken.
Ik heb de afgelopen jaren in de synode tal van discussies meegemaakt, ook over heel controversiële onderwerpen. Soms liepen de emoties hoog op en was het buitengewoon spannend, soms was er sprake van een diepe en brede verbondenheid. Niemand kan volhouden, dat het moderamen slechts erop uit is het gesprek onmogelijk te maken of tegenstellingen te verdoezelen.
Dat een moderamen probeert een gezamenlijk standpunt te formuleren, spreekt vanzelf. Dat daarbij gezocht wordt naar verbindende woorden, die tegenstellingen overbruggen, ligt voor de hand. Maar dat is iets heel anders dan een burgerlijke sfeer van 'er mogen geen harde woorden vallen'.
Met onze kritiek moeten we dieper steken en erkennen: hier komt de verlegenheid van ons kerk-zijn openbaar. De synode is niet beter of slechter dan de kerk zelf. In de kerk zelf komen we maar moeizaam tot een diepgaand gesprek. In de kerk zelf is de versplintering van denken soms zo groot geworden, dat we nauwelijks iets gemeenschappelijks kunnen zeggen. De moeite van de synode is dat ze teken heeft te zijn van een eenheid die in de kerk dikwijls ontbreekt. Soms groeit ze boven zichzelf uit en komt het tot een ontmoeting waarin ze de kerk voorgaat. Vele synodeleden hebben het ervaren, dat in de vergaderingen ontmoetingen tot stand komen, die men elders in de kerk maar zelden meemaakt. Soms wordt een verbondenheid beleefd, die men op het plaatselijke vlak voor onmogelijk houdt.
Aan het vergaderen van de synode valt stellig te verbeteren. Maar de kerk is niet gebaat bij het bespelen van anti-synode gevoelens en het aandragen van te gemakkelijke oplossingen.
We blijven, plaatselijk èn landelijk, geroepen gestalte te geven aan de gemeente van Christus.
We proberen al te vaak in onze kerk ijzer en leem met elkaar te verenigen. Er worden soms best indringende pogingen gedaan om samen kerk te zijn. Maar de vervreemding blijft. Het doet me denken aan woorden uit een Middeleeuws lied. Het gaat om twee koningskinderen. Ze hadden elkander zo hartelijk lief. Maar ze konden bij elkander niet komen. Het water was veel te diep. Er is inderdaad een misschien wel typisch hervormd besef van kerkelijke verbondenheid. Maar het water van de onderlinge geestelijke vervreemding is te diep om elkander werkelijk te ontmoeten. Ik bedoel dit in alle ootmoed, zonder daarbij de pretentie ook maar te hebben, dat de Hervormde Kerk van de Gereformeerde Bond zou moeten worden.
De kerk: hoe verder?
Ik sluit af met een kort citaat uit de nabeschouwing, die drs. De Leede in Kontekstueel van januari 1992 (6e jrg. nr. 3) geeft, naar aanleiding van de reacties op zijn al geciteerde artikel. Daar staat boven: Hebben hervormden nog wat met elkaar? Hij is er nogal gedeprimeerd van geraakt, stelt hij aan het slot van zijn artikel.
Concluderend stellen wij voor onszelfde vraag of de historisch gegroeide breuklijnen in de Nederlandse Hervormde Kerk — en wellicht geldt dat in en tussen de kerken überhaupt — nog wel relevant zijn. Heeft de richtingenstrijd zichzelf niet overleefd? De vraag stellen is hem beantwoorden. De vragen waarvoor de geloofsgemeenschap in de kerken staat en de onzekerheden over de antwoorden op allerlei vragen, zijn te groot om af te kunnen doen met een verwijzing naar de voorgegeven formuleringen van wat 'onder ons', dat wil zeggen in onze richting, 'volkomen zekerheid heeft en dus vaststaat'. Zo werkt dat niet, in de eigen groep al steeds minder, laat staan dat het voor het geheel nog zou werken!
Blijft dan dus als enige keuze over de plurale 'hotel-kerk', waar ieder zich aansluiten kan bij en zich nestelen kan in een 'circuit' waar hij/zij zich thuis voelt en herkent? Als we eerlijk zijn, moeten we toegeven dat de praktijk hier al dichtbij is en dat we kerkordelijk bezig zijn een en ander te sanctioneren. We denken aan de perforatie van de grenzen van de geografische (wijk-)gemeenten, etc. We 'leven' er kerkelijk van.
En toch: een kerk met haar wortels in de Reformatie kan hier geen genoegen mee nemen. Zij moet een ordening zoeken, waarbinnen 'het geding om de Waarheid' plaatsvindt, en waarin zo nodig het 'neen tegen de leugen' ook uitgesproken kan worden. Een kerk waarin de Geest vaardig kan worden zonder direct geblust te worden in een 'elk wat wils' gevoel.
Ik herken zelf het gevoel, dat een richtingsorganisatie niet echt meer werkt in deze tijd. Dat heeft alles te maken met onze huidige cultuur. ledere organisatie en politieke partij bemerkt dat. Mensen vragen om leiding, maar accepteren die vervolgens nauwelijks. Een organisatie in de kerk is eigenlijk een onding, slechts uit nood geboren. Is die nood ons wel werkelijk tot nood? Ik heb er soms sterke twijfels over. Geen wonder dat het congregationalistisch denken over de kerk voor velen een oplossing lijkt te zijn. Hervormd lijkt me dat echter niet.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 5 maart 1992
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 5 maart 1992
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's