De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Emeritus – uitgediend of dienstvaardig? (2)

Bekijk het origineel

Emeritus – uitgediend of dienstvaardig? (2)

12 minuten leestijd

Als we ouder mogen worden, zal die vrije tijd meer worden; enkelen uitgezonderd, die tot boven de leeftijd van de sterken en zelfs van de zeer sterken nog volop bezig kunnen zijn. Zelf zullen ze eer zeggen: Bezig mógen zijn.
Maar lang niet allen wordt dit gegeven. En velen beleven dit niet eens. Aangrijpend is telkens weer op de vergadering van de emeriti het voorlezen van de namen van hen, die overleden zijn. Naarmate we ouder worden, zijn het steeds vaker de namen van onze studiegenoten, collega's met wie we in dezelfde gemeente of ring hebben gestaan. We worden nog stiller als de namen genoemd worden van hen, die jonger zijn dan wij.
En al wordt – nòg – onze naam niet genoemd we merken wel, dat we niet jong meer zijn. De spiegel alleen al verraadt dit duidelijk. Willem de Mérode zegt er van:

Ik had een afspraak en in rode zijde
en schoon gewassen trad ik voor de spiegel.
Ik schrok en toornig trapte ik op het glas.
Ik zag: mijn haar was grijs geworden.
Mijn ogen waren als groez'lig water
vlak op de bodem van een put.
Ik zag 't gebarsten leder van mijn wangen.

U merkt het ook aan anderen, die steeds vaker het woordje 'nog' gebruiken:
Preekt u nòg?
Werkt u nòg?
U ziet er nòg goed uit...
Met weemoed denk ik aan wijlen ds. Klusener, die in dit blad eens heeft geschreven: Eerst zeggen ze: 'Preekt hij nog?' Daarna: 'Lééft hij nog?'
We leven nog, wellicht preken we nog, maar we merken wel degelijk, dat we minder worden. We krijgen moeite om kleine letters uit onze commentaren te lezen, we kunnen in groot gezelschap de mensen niet goed verstaan, er ontgaat ons het een en ander. We blijven ook meer thuis, omdat het uitgaan ons meer en meer gaat vermoeien. Nu komt inderdaad noodgedwongen de tijd van meer rust, meer stilte. We zijn emeritus – raken we nu geheel uitgediend?

Een stap terug
Straks zal dit waarschijnlijk nog meer worden. Telkens moeten we een stap verder terug doen.
Soms ineens, wanneer een onverwachts optredende kwaal ons daartoe dwingt. Of ouderdomsverschijnselen zich meer en meer gaan openbaren. De dichter Van Eeden klaagde:

Ik ben zwakker dan ik plag te wezen,
lichter ontmoedigd, spoediger vervaard,
mijn lijf heeft veel moeheid vergaard
en steiler is 's levenswand gerezen.

Alles wordt trager, moeilijker, triester. Ons denken is nog wel helder maar we doen langer over het schrijven van een brief, bladzijden van het boek, dat we proberen te lezen, moeten we herlezen, voordat we het goed kunnen laten doordringen. Vaker moeten we rusten, soms zonder dat we uitgerust raken.
Ook kontakten verminderen. Gemeenteleden uit vorige plaatsen zijn zelf oud geworden en komen niet meer. Jaargenoten, met wie we vanaf onze studietijd een fijn kontakt hebben behouden, kunnen niet meer komen; wij kunnen hen nauwelijks meer bezoeken. En velen zijn er niet meer. We ervaren, dat lang leven inhoudt, dat we velen overleven.
Door dit alles – en er is nog veel meer te noemen – wordt het stiller om ons heen. We klagen niet, willen niet klagen. Wie van ons heeft niet meermalen gepreekt over de tekst uit de Klaagliederen van Jeremia 3 : 39. Wat klaagt dan een levend mens? Een ieder klage vanwege zijn zonden.
Neen, we willen niet klagen. Temeer, omdat men achter onze rug dit klagen snel met een ander woord zal aanduiden: zeuren.
Maar met dit alles neemt de ledige tijd in omvang toe. Hunkerden we vroeger naar een avond alleen samen met onze vrouw, ons gezin of alleen stil op onze studeerkamer met onze goede vrienden, de boeken, nu zijn we veel alleen en we verlangen er naar, dat de bel gaat of de telefoon zich meldt. We verlangen naar iets anders, dat niet komt.
Opnieuw valt nu het woord emeritus, maar dan in de zin, waarin de Romeinse schrijver Suetonius het bezigt: emeritus is uitgediend en dus – zo zegt hij het ook – onbruikbaar.
Het is niet langer uitgediend en dienstbaar, maar schijnbaar geldt alleen het eerste nog: uitgediend en het versleten Latijnse woordenboek fluistert: onbruikbaar.

Is rust ook lust?
Onze rust is nu dus anders dan voorheen. In het boek van ds. Abma 'Tien woorden ethiek' las ik:

Na gedane scheppingsarbeid is het goed rusten. God zegende de zevende dag. De zegen is werkzaam. De zegen is aangelegd op intensivering en uitbreiding. De zegen van de heiliging van de zevende dag gold elke zevende dag, die volgde.

Maar wat willen we, wanneer op de rustdag in ons kleiner wordend bestaan, geen echte wèrkdag meer volgt?
Dezelfde vraag rijst op als we lezen in een bekende Duitse encyclopedie, E. Wunderlich zegt daar over vrije tijd, dat die moet dienen om de mens uit de verstrikking van het alledaagse en beroepsleven voor een bepaalde tijd los te maken om hem in het gemeenschappelijk christelijk leven tot een geestelijk kalm overleg te brengen. Aan het eind van dit artikel spreekt hij de vrees uit, dat de verwording van deze rust ook in de kerk niet leidt tot een zegen voor onze taak in het alledaagse leven. En De Quervain zegt in zijn boek over Ruhe und Arbeit, dat vrije tijd niet betekent vrij zijn van de medemensen, maar nieuwe vreugde en daarom ook nieuwe dienst aan de medemensen.
Maar we staan buiten het beroepsleven. Het lijkt wel of de gewone opgaven van het alledaagse leven voor ons niet meer gelden.
En als we steeds minder medemensen ontmoeten, hoe kunnen we dan voor hen tot een zegen zijn?
Zullen we dan al deze woorden maar ter zijde schuiven, omdat ze niet voor ons gelden, niet meer gelden?
Maar we worden toch niet met rust gelaten. Prof. Brillenburg Wurth schrijft ergens, dat vrije tijd niet alleen een economisch en sociaal probleem is, maar ook een ethisch. God heeft onze tijden in Zijn hand, zegt Psalm 31 : 16. Hij geeft ook de mens beschikking over de tijd. Dat is onze vrijheid en verantwoordelijkheid. We kregen die tijd te leen om ze in Zijn dienst te besteden en ten dienste van onze naaste. We zijn er slechts rentmeesters van. Onze vrijheid is vrijheid tot iets. Morsen met onze tijd, verknoeien ervan is zonde, zegt hij nadrukkelijk.
Maar ook hij spreekt niet over hen, die gepensioneerd zijn of uit zaken getreden. Wij schijnen vergeten te worden! Misschien zou het van waarde kunnen zijn, als iemand eens iets schreef over de ethiek van het emeritaat of breder van elke vorm van niet meer deelnemen aan het arbeidsproces. Wellicht is dit al lang gebeurd, maar ik kon er geen gegevens over vinden. Met name denk ik dus aan de tijd, dat het dienstvaardig kunnen zijn steeds meer plaats moet maken voor het uitgediend zijn. Soms schijnt wat we nog kunnen doen te verwaarlozen te zijn.
Laten we met de zielige prestatiedwang, die ons als ouderen niet vreemd is nu niet opwerpen tot krampachtige activiteit. We doen meer dan we kunnen om vooral nog mee te kunnen, maar het is alles geforceerd en weinig overtuigend. Staan we dan langzamerhand geheel aan de kant? Inderdaad uitgediend en naar de mening van de Romein die we zoëven aan het woord lieten komen, onbruikbaar?

Voor ieder mens heeft God een taak
Wanneer ik destijds voor afdelingen van de Nederlandse Christelijke Vrouwen Bond sprak, de N.C.V.B. hoorde ik de dames vaak aan het eind van de avond het lied van haar bond zingen:

In alle levenskringen
geeft Hij de mens een taak.

De mens, dus ook de emeriti, die uitgediend zijn?
Een taak niet als het onschuldig domino of bingo, waarmee men op ouderclubs de mensen op plezierige wijze bezighoudt? Ik heb daar geen enkel bezwaar tegen. Als de jongelingen mogen spelen voor het aangezicht, dan mogen de ouderen dat ook.
Het Nederlandse woordenboek komt me te hulp en leert me, dat dienstvaardig betekent: bereid om iemand een dienst te bewijzen, gedienstig. Of om met het genoemd vers te spreken een taak, die we aanvaarden. In elke levensfase hebben we een opdracht, ook in de tijd van ons emeritaat. Een taak, die niet minder reëel en niet minder waardevol kan zijn dan die, welke we eens hebben aanvaard bij onze eerste bevestiging. Het is wel anders, maar het heeft opnieuw zijn eigen betekenis.
Deze opdracht raakt niet alleen de emeriti predikanten, maar ook, wanneer God die ons gaf en wij haar mochten behouden, onze vrouwen, al heb ik tot nu toe eigenlijk alleen van de mannen gesproken. Een huisvrouw – al zijn zij in de pastorie veel meer geweest dan dat alleen – wordt eigenlijk niet eer 'gepensioneerd' dan wanneer zij in een verzorgingshuis gaat wonen. Maar nu denk ik bij zowel mannen als vrouwen aan een andere taak. Ik zeg niet een geheel nieuwe taak, want als het goed is met ons is die er steeds ook geweest, maar nu komt dit nog meer op ons af.

Wat is die taak dan wel?
In 1927 hield ds. Fernhout voor de vergadering van predikanten uit de Gereformeerde kerken een lezing over eigen zielszorg van den dienaar des Woords. Eerlijk zegt hij – en ik ervaar dit nu tegenover u, die naar mij geluisterd hebt en dit thans leest evenzo: "k Moet beginnen, broeders, met de bekentenis, dat ik even verlegen sta". Hij spreekt dan verder over de heilige bediening ten aanzien van ons eigen geestelijk leven. Hij brengt naar voren de 'hoge en tedere eisen, die het Woord... ten opzichte van de zorg voor onze eigen zielen stelt'. Het is voor hem als een biecht, een belijdenis van eigen oneindig tekort. Daarna zegt hij – en ik herhaal het zo voor u –: Zo spreek ik mijn woord – nu zeg ik zo schrijf ik deze woorden – en zo bid ik u het aan te horen. In ons geval het te lezen.
Ds. Fernhout sprak toen allereerst voor dienstdoende predikanten, maar wat hij zegt raakt ook ons. Hij stelt nadrukkelijk de eigen zielszorg ons door de Schrift geboden. Genoemd worden onder meer de woorden uit Johannes 15 : 4: Blijft in Mij en ik in u. En 2 Petrus 3 : 18: Wast op in de genade en de kennis van onze Heere Jezus Christus. Ook verwijst hij naar Paulus, deze grote onder de apostelen van onze Heere, die diep ootmoedig in Romeinen 13 niet minder dan zes keer uitspraken doet als: Laat ons als in de dag eerlijk wandelen. Laat ons najagen wat tot de vrede dient. Steeds weer betrekt de apostel zichzelf daarbij, sluit hij zich er bij in.
Ds. Fernhout wijst ook op het gevaar, dat we in geestelijke arbeid onszelf zouden vergeten. Benauwend hoort hij het woord uit Openbaring 3 : 4: Doch ik heb tegen u, dat gij de eerste liefde hebt verlaten. En hij verwijst naar ds. H. Ravensteyn, die in het begin van 1700 o.a. in Zwolle heeft gestaan. In zijn boek 'De Nasireeër Gods' geeft hij regels voor de opzieners. Hij noemt onder meer woorden uit Openbaring 22 : 11: Die rechtvaardig is, dat hij nog gerechtvaardigd worde; die heilig is, dat hij nog geheiligd worde.
Professor Greydanes denkt hierbij aan rechtvaardigheid doen. Bij geheiligd denkt hij aan de innerlijke toewijding aan God. Deze moet zijn in volle overgegevenheid aan God en in de lust 'in alles wat heilig en rein is voor God nog meer uitkomen en gezien worden'.
Het is eigenlijk niet anders dan het gebed na de bediening van de H. Doop, dat wij zo vaak hebben gebeden: dat wij in de Heere Jezus Christus wassen en toenemen, opdat ook wij Gods vaderlijke goedheid en barmhartigheid mogen bekennen, die God de doopkinderen en ons allen heeft bewezen.
Of wilt u het zeggen met onze catechismus in vraag 115: dat wij hoe langer hoe meer naar het evenbeeld van God vernieuwd worden.
We krijgen veel te doen, we zijn nog lang niet uitgediend!
Nu zou ik van u allerminst willen ontkennen, dat u hiermee ook niet eer bezig bent geweest. En dat u nog dagelijks daaraan uw aandacht wijdt. Maar we horen ds. Fernhout woorden aanhalen van een Engelse theoloog, ds. Baxter, die in 1600 heeft geschreven over predikanten van zijn tijd: Ze studeren de ganse week hoe ze een paar uur zullen preken, terwijl één uur nadenken over de wijze, waarop zij de hele week zullen leven hun reeds teveel toeschijnt.
Ook verwijst Fernhout naar een uitspraak van professor Van Veldhuizen, die in zijn boek 'Op de Pastorie' zegt, dat een vuur, dat niet loutert, verteert.
Niemand van ons zal zeggen, dat dergelijke waarschuwingen ook niet gelden voor ons, emeriti. We kunnen dit geen dag missen.

Wat is zielszorg
Wat is nu die zielszorg aan eigen hart?
Thurneysen stelt, dat de waarachtige zielszorg het oog heeft op de mens, die verzoening nodig heeft. Zielszorg vindt in de kerk plaats; het is overbrengen van het Woord van God aan de enkeling. Die enkeling zijn in dit geval wij. En dat voor Gods aan­gezicht. Dan zijn de weerstanden van een mens niet te onderschatten, zegt hij. Zo krijgt ieder, die dit beleeft weer veel te doen. Later zal Thurneysen in zijn laatste boek zeggen, dat echt pastoraat de mens beschouwt als zondaar, die vergeving nodig heeft.
Dat geldt ook ons als emeriti, die zolang wij leven nooit 'emeritus zondaar' worden, maar die dagelijks te kampen hebben met alle kwaad. We ervaren het met heel groot leed, dat de allerheiligste maar een klein beginsel van de ware gehoorzaamheid heeft.
In Christus mogen we weten, dat we gerechtvaardigd en geheiligd zijn. Hij is ons geworden wijsheid, rechtvaardigheid, heiligmaking en verlossing – 1 Kor. 1 : 30. Met onze catechismus mogen we spreken van een volkomen verlossing – vraag 18.
Maar ook het andere laat ons niet los. Niet om dit in mindering te brengen op Christus volkomen offer, dat eens en voorgoed genoeg is, maar wel om ook daarover meer te denken. We krijgen een taak!

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 5 maart 1992

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

Emeritus – uitgediend of dienstvaardig? (2)

Bekijk de hele uitgave van donderdag 5 maart 1992

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's