De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Zonde is méér dan sociale ontwrichting

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Zonde is méér dan sociale ontwrichting

Minister Hirsch Ballin over 'zedenmeesterij'

10 minuten leestijd

'De levensbeschouwelijke organisaties hebben dus naar hun aard een publieke functie. Deze publieke functie van het geloof is de laatste tijd ten onrechte enigszins verwaarloosd. Als minister van justitie vraag ik de levensbeschouwelijke organisaties niet om van de kansel de normen van het materiële strafrecht te dicteren. Ik doe wel een appèl om de eigentijdse koud watervrees voor zedenmeesterij te overwinnen en om zowel in studiegenootschappen als bin nen de eigenlijke kerkgemeenschappen de discussies aan te gaan over de sociale dimensie van het geloof in het alledaagse leven.'

Bovenstaande woorden sprak minister van justitie dr. E. Hirsch Ballin op een symposium over 'burgerschap en levensbeschouwing.' Met deze rede heeft de minister — zoon van de Rooms Katholieke Kerk met deels ook joods bloed in de aderen — de kerk, als één van de 'maatschappelijke organisaties' gevraagd een bijdrage te leveren aan het terugdringen van de ontwrichting van de samenleving, gezien de toenemende criminaliteit en normloosheid.


Als nu de minister zo'n sterke nadruk legt op de sociale kant van de kerkelijke verantwoordelijkheid, zou een eerste reactie kunnen zijn, dat de kerken zich daarmee de laatste tientallen jaren toch genoeg, liever nog: vaak zeer eenzijdig hebben beziggehouden. Toch is dat onze eerste reactie niet. Want er is zeker ook iets mis met het geestelijk gehalte van de kerk als de sociale nood en de sociale vragen in de samenleving haar niet raken zouden. Als het gaat om de nieuwe armoede, om het toenemend aantal daklozen, de slachtoffers van bijvoorbeeld verslaving en van de om zich heengrijpende aidsepidemie, dan zou de kerk aan de alleszins rechtzinnige priester en leviet uit de gelijkenis gelijk zijn en de barmhartige Samaritaan als in een spiegel voorgehouden krijgen, wanneer ze hier haar roeping verwaarloosde.
En met betrekking tot het voortsluipend kwaad van de criminaliteit in de samenleving kan de kerk evenmin doen alsof haar neus bloedt. Zich binnen veilig geachte bastions terugtrekken betekent het kwaad het kwaad láten.


Minister Hirsch Ballin krijgt ons verder dan ook helemaal mee als hij nog een stap verder gaat. Hij zegt namelijk, dat het spreken van de kerk ook kritiek kan opleveren aan het adres van de overheid. 'Dit past geheel in de traditie van de calvinistische dominees, die de staf braken over de regenten.'
Onze minister van justitie raakt hier inderdaad een gevoelige, voluit reformatorische snaar. Eén en andermaal hebben we, in de lijn van de gereformeerde Reformatie, dan ook van tijd tot tijd betoogd, dat de kerk een profetische roeping heeft naar volk en overheid toe om vanuit het Woord Gods te betuigen hoe mens en samenleving hebben te leven naar Gods ordinanties, zoals we die in de heilzame tien geboden hebben ontvangen. Als het spreken van de kerk dan ook maar zaken betreft, die inderdaad de gehoorzaamheid aan het gebod Gods raken en als dan ook maar overeenkomstig Gods geboden en beloften wordt gesproken.
Als zodanig — daarover mag geen misverstand bestaan — gaat het zowel om zaken, die te maken hebben met beschermwaardigheid van menselijk leven alsook om de kwaliteit van de samenleving met betrekking tot de leefbaarheid voor iedere burger.

Ontdekkend
In de op zich belangwekkende rede van de minister komt intussen één passage voor, die in hoge mate ontdekkend is naar de kerken toe. In verband met de stuurloosheid van vele jongeren vandaag zegt de minister, dat de levensbeschouwelijke organisaties — lees: de kerken; al zijn die in onze optiek méér dan maatschappelijke organisaties — niet alleen institutioneel vaak het vermógen missen om een socialiserende functie uit te oefenen maar vaak ook de innerlijke overtuiging daarvoor missen. Hij zei letterlijk: 'Ook al zou de jeugd zich openstellen voor beïnvloeding door de kerk, men zou vaak niet weten wat te zeggen.' Met een retorische vraag stelt hij dan, dat men zich af kan vragen wat het modernisme kennelijk in negatieve zin heeft betekend 'voor de moraal, voor het strafrecht en voor de wisselwerking daartussen.'


Het is een goed reformatorisch principe, dat de overheid ook op haar eigen verantwoordelijkheid dient te worden aangesproken bij het licht van de geboden Gods. Maar dan toch nooit los van de kerk, die het licht van het Woord laat schijnen in de samenleving. Welnu, als de minister zijn klacht inzake het modernisme al laat horen ten aanzien van het groene hout — de kerk — hoe moet dat dan zeker wel niet gelden ten opzichte van het dorre hout, de politiek. Zo het volk, zo de priester, zegt de Schrift. Met een variant kunnen we zeggen: zo de kerk, zo de overheid. Daarom is geestelijke malaise bij de overheid altijd ontdekkend naar de kerken toe.

Moraal
Men kan zich dan ook afvragen of we in onze samenleving verder komen met woorden als moraal en zedenmeesterij, als daar­ ­aan namelijk niet een dieper liggende bekering van volk en overheid, maar ook van de kèrk ten grondslag ligt. Nu is moraal vooral een woord uit de roomskatholieke sfeer. Mits goed verstaan, begrijpen we toch wel wat de minister bedoelt. Er moeten weer normen worden gesteld, de kerk moet de bazuin weer hanteren en de bazuin moet geen onzeker geluid geven. De overheid heeft de kerk (weer) nodig om het kwaad en de ontwrichting in de samenleving terug te dringen.
Op zich is het verheugend, dat een minister dat appèl nog doet op de kerken. Hij voelt ­zich kennelijk in de kou gelaten. Als zodanig ­dienen we zijn appèl als méér van binnenuit te verstaan dan dat van Gorbatsjov, die het ook deed toen het in de Sovjet Unie helemaal fout ging en de samenleving aan de rand van een moreel faillissement kwam te verkeren.


Wat dit betreft laat dat ene zinnetje me niet los: de kerken missen de innerlijke overtuiging. De kerk weet vaak niet meer wat te zeggen. Als dat nu zo is, wordt zedenmeesterij inzake de sociale vragen gevaarlijk. De praktijk leert dat zedenmeesterij inzake micro-ethische vragen, dus op het terrein van huwelijk en gezin, inzake het begin en het einde van menselijk leven, ten opzichte van wat in zedelijk opzicht geoorloofd is en niet, in brede kerkelijke kring al lang passé is. Moeten daaruit niet mede worden verklaart allerlei liberaliserende tendensen in de wetgeving? Allerlei wetgeving van de afgelopen dertig jaar legt van de ont-waarding van de samenleving overduidelijk getuigenis af. Weet de kerk nog wel wat zonde is? Bedekt ze niet alles met een moderne mantel der 'liefde'?

Welnu, als de kerk zich dan opnieuw zondermeer zou gaan opmaken tot zedenmeesterij, maar dan in de grotere sociale vragen, dan mag de vraag worden gesteld of het middel niet erger zal zijn dan de kwaal.
Voordat de vragen van de kwaliteit van de samenleving en van de sociale boodschap van de kerk daarin aan de orde komen, gaat het immers allereerst om de kwaliteit van het individuele menselijke bestaan voor Gods Aangezicht, in het licht van Zijn Woord en Wet.
Als de kerk het appèl van de minister inderdaad op eigen merites inschat, dan zal ze alleen iets fundamenteels hebben te zeggen wanneer ze het kwaad dieper aanwijst dan uitsluitend in de maatschappelijke verbanden; en wanneer ze dan vervolgens ook zódanig fundamenteel over vergeving weet te spreken, dat mensen ervaren: het gaat om de fundamenten van mijn leven. Een kerk, die alleen weer zedenmeester wordt, moraalprediker, links of rechts, schiet langs de harten en tenslotte ook langs de hoofden van de mensen heen.
De profetische roeping van de kerk, ook naar overheid en samenleving toe, begint dáár, waar de individuele mens wordt gesteld in het krachtenveld van Gods heilige geboden, van Gods recht op het menselijk bestaan en dan ook wordt getrokken in de lichtstralen van het bevrijdende Evangelie.

Racisme
Minister Hirsch Ballin lijkt dezer Jagen intussen op zijn wenken te worden bediend. Op 20 maart a.s. behandelt de generale synode van de Nederlandse Hervormde Kerk een nota over racisme, opgesteld vanwege de Raad voor de zaken van Overheid en Samenleving (ROS) en de Generale Diakonale Raad (GDR). Racisme is een voortwoekerend kwaad in deze wereld, ook in eigen samenleving. Dat raakt ook het werkveld van minister Hirsch Ballin. De vraag is derhalve of dit het is — het overtuigende spreken namelijk – waarop hij zit te wachten!
De titel van de nota laat — terecht — aan duidelijkheid niets te wensen over: 'racisme is zonde.' Van die titel trekken we geen tittel af. Racisme ìs zonde. Nu weet alleen de kerk ten diepste wat zonde is. Omdat haar de woorden Gods zijn toevertrouwd. Zij mag er dus ook over spreken. Maar als de kerk — naar volk en overheid toe — voor racisme deze zwaargeladen woorden gebruikt moet ze ook bijbels-integraal duidelijk maken wat ze met zonde bedoelt. Anders zou de reactie van 'de wereld' kunnen zijn: spreekt de kerk óók (nog) over zonde?

Het is op zich te waarderen, dat racisme in de betreffende nota behandeld wordt zonder dat er van een bepaalde politieke context sprake is. Racisme in eigen samenleving, daar gaat het (vooral) óók om.
Het is ook te waarderen, dat een poging wordt gedaan het thema theologisch te duiden. In racistisch denken en gedrag wordt ontkend — zo wordt gezegd — dat alle mensen naar het beeld van God zijn geschapen en dat het menselijk geslacht daarom in alle verscheidenheid principieel een eenheid vormt. Racistisch gedrag ontkent het werk van de verzoening en de verlossing door Jezus Christus. Dit nu is echter slechts een halve waarheid. Niet gezegd wordt namelijk, dat de mensheid — de mensen één voor één — het beeld Gods door de zondeval is kwijt geraakt. De Schrift spreekt immers over het herstel van het beeld Gods langs de weg van verzoening en deswege in de weg van bekering. Persoonlijke bekering raakt niet alleen racisme in eigen hart (zoals de nota gelukkig ook stelt) maar raakt het eigen hàrt. De Godsvervreemding moet worden opgeheven. Dat geschiedt in de vergeving der zonde, in de rechtvaardiging van de goddeloze door het geloof. Alle spreken over schuldvergeving naar elkaar toe (bijvoorbeeld ook inzake racisme), zonder deze notie van de rechtvaardiging van de goddeloze, blijft steken in een horizontaal moralistisch spreken: 'zedenmeesterij'.
Toen enkele jaren geleden op een vergadering van de hervormde synode werd gesproken over antisemitisme, zei één van de leden van de ROS: elke vorm van antisemitisme is ons vreemd. Waarop dr. S. Gerssen repliceerde: wie dit zegt kent z'n eigen hart niet! Het gaat dan ook om het ontdekkende werk van de Heilige Geest, waardoor ontmaskerd wordt de vuile bron, waaruit alle zonde voortkomt. Zó kanaliseert zich de zonde ook in racisme, toegespitst: ook in antisemitisme.
Wil de kerk dan ook een gezaghebbend Woord kunnen spreken inzake de sociale ontwrichting, dan zal ze weer een persoonlijk gerichte boodschap van zonde en genade, van schuld en vergeving, van oordeel en bevrijding dienen te brengen. Zonde is méér dan maatschappelijke ontwrichting. Ze is zo diep als het menselijk hart diep, afgrondelijk diep is. Een nota onder de titel 'Racisme is zonde' vraagt vandaag wel een uiteenzetting omtrent de criteria als iets zonde wordt genoemd.


Het is al weer heel wat jaren geleden, dat mij gevraagd werd deel te nemen aan een discussiedag aan de VU, waar studenten in de theologie een aantal maanden hadden gewerkt aan een project over de zonde. Mijn opponent in die discussie was een theoloog uit de maatschappijkritische, neomarxistische school. Toen ik gepoogd had aan de hand van Schriftwoorden, met name uit de Romeinenbrief, duidelijk te maken wat de Schrift naar mijn overtuiging onder de zonde verstaat, kwam er niet geringe oppositie. Ik herinner mij levendig, dat mij toen o.a. ook werd toegevoegd, dat de marxistische analyse van de samenleving heilzamer was dan Paulus' benadering van de zonde.
Mij dunkt, dat, wanneer in de boodschap van de kerk zonde louter als maatschappelijke ontwrichting wordt geduid en niet allereerst de verdorvenheid van het menselijke hart wordt gepeild, de kerk geen boodschap meer hebben zal hebben, waaraan men ook echt een boodschap heeft. Dan wordt het spreken van de kerk zedenmeesterij in het groot.
Er mag intussen geen misverstand over zijn: racisme is zonde en vraagt om onvoorwaardelijke afwijzing.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 12 maart 1992

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

Zonde is méér dan sociale ontwrichting

Bekijk de hele uitgave van donderdag 12 maart 1992

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's