De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Emeritus – uitgediend of dienstvaardig? (slot)

Bekijk het origineel

Emeritus – uitgediend of dienstvaardig? (slot)

10 minuten leestijd

We zouden kunnen zeggen dat Thurneysen niet vrij te pleiten valt van een zekere eenzijdigheid, wanneer hij de zielszorg bijna geheel laat opgaan in de verkondiging van de vergeving; hoe uiterst belangrijk die ook mag zijn.
Maar ook dit 'eenzijdige' geeft ons wel handen vol werk! Meer echter kan ik me vinden in het schrijven dat onze synode in 1955 over dit onderwerp deed uitgaan. Daarin wordt onder meer gesproken over
– toebrengen van troost in aanvechting
– inwijding in Gods verborgen omgang en
– leiding bij het bewaren van Zijn geboden.
Wie denkt hierbij niet aan wat Wilhelmus à Brakels schreef in zijn Redelijke Godtdienst – deel II, 589?
Die my gevoedt hebt en bewaert,
Doe kindt, doe jongeling, bejaert; (doe = dan)
My nu, o Heer, te hulpe kom
In mynen gryzen ouderdom:
Doet my dog steedts voorzichtig gaen,
En als een rotz voor waarheyt staen:
Myn leste tijdt myn beste zij,
Myn leven vreed', myn eynde bly.
Ook denk ik aan Calvijns overdenking van het toekomstig leven in de Institutie (III), waar hij spreekt over onze verdrukking, dat we ons gewennen tot verachting van het tegenwoordige leven en daardoor opgewekt worden tot overdenking van het toekomende.
Hij spreekt van het vergankelijk leven en dan volgt het verwijt: er is bijna geen zaak, die we met meer veronachtzaming overwegen of waaraan we minder denken. Wel erkent hij dat het leven, hoe vol van ellende, toch gerekend wordt tot de niet te versmaden zegeningen van God.
Hij roept ons op tot een beter leven en hij troost ons dat dan eerst in de harten van de gelovigen het kruis triumfeert, wanneer hun ogen gericht worden op de kracht van de opstanding.
Ik noem dit, omdat de bekende bijbelse archeoloog dr. A. van Deursen me op dit gedeelte attent maakte, daar dit hem zo vertroost had, toen zijn zoon bij een vliegtuigongeluk was omgekomen. In één woord: Velen, Calvijn en a Brakel en anderen, zetten ons aan het werk.
Velen: Het Woord van God en de Heilige Geest in de eerste plaats. Tegelijk een werk, dat zijn rust vinden mag in het volbrachte werk van Jezus Christus.
Hier wordt de rust geschonken
Hier 't vette van Zijn huis gesmaakt...

Er is meer te doen
Ik denk dat er nog meer te doen is. Wanneer we jonge collega's willen afstoten, moeten wij ongevraagd met onze raadgevingen aankomen. Ongevraagde adviezen worden zelden gewaardeerd!
Willen we jongeren helemaal tegen ons innemen, dan moeten we het verleden — u kent dat: in mijn tijd, zeggen we dan — gaan prijzen, alsof toen alles zo goed en volmaakt was. De wijze Prediker zegt op grond van zijn grote levenservaring tot ons als ouderen — 7 : 10 — Wat is er, dat de vorige dagen beter geweest zijn dan deze? Want gij zoudt naar zulks niet uit wijsheid vragen. De leermeester van vele van ons emeriti, professor Obbink vertaalde dit heel sprekend: Hoe komt het dat vroegere tijden beter waren dan deze? — want zulk vragen is niet verstandig.
We zullen de goede raad van de wijze Prediker ter harte nemen. Maar op andere wijze kunnen we wellicht wel dienstbaar zijn. Namelijk als pastor van pastores, herder voor de herders. Op deze wijze zullen sommigen veel voor anderen, hun collega's, kunnen doen. Ik denk hierbij aan wat de onvergetelijke leermeester van velen van ons, professor M. van Rhijn heeft geschreven in zijn boek over professor A.J.Th. Jonker, die o.a. predikant is geweest in Rotterdam en Dordrecht en later hoogleraar werd in Groningen. Hij is in 1928 overleden.
Ik haal dit schrijven over prof. Jonker heel uitvoerig aan, omdat het zo rijk zegt, wat een emeritus voor jongeren kan zijn. We lezen in deze levensbeschrijving:

In de stilte en de eenzaamheid der Heerdensche jaren groeide Jonker ongemerkt den tijd uit, en groeide hij er meer en meer de eeuwigheid in. Weer zie ik hem daar voor mij, zooals hij gewoon was in de voorkamer in het huis te Heerde zijn oudere en jongere vrienden te ontvangen.
Op zijn studeerkamer boven kwam men zelden of nooit, want Jonker was ook te Heerde volstrekt niet altijd gemakkelijk te benaderen, en alleen wanneer men van te voren een onderhoud had aangevraagd, of bij hem logeerde, mocht men de studeerkamer, met het wijde uitzicht over de tuin en de landen, betreden. De meesten lieten zich echter door zijn betrekkelijke onbereikbaarheid niet terugschrikken, want een gang naar Heerde, naar Jonker, was voor velen onzer een soort bedevaart, meestal een feest, soms ook een correctief. Nadat men, eenigszins bevreesd hem te storen, niet zonder aarzeling het grintpad had afgeloopen, aan de deur met het koperen naambordje had aangebeld, en het groote stille huis was binnen gegaan, gaf beweging op de studeerkamer boven en op de krakende trap de gewenschte zekerheid, dat ons bezoek waarschijnlijk niet te vergeefsch zou blijken. Een oogenblik, en de deur komt in beweging. De kleine, ietwat gebogen gestalte, het hoofd bijna onmerkbaar heen en weer bewegende, een uitgestoken hand, met iets guitigs en tegelijk zeldzaam vriendelijks in de oogen, ineens er midden in. Gedurende de eerste oogenblikken wordt er naar allerlei geïnformeerd. Hij moet alles weten. Niets is onbelangrijk voor hem. Zijn hart staat wijd voor u open. Langzamerhand komt het gesprek op het een of andere onderwerp, dat hem bezig houdt, meestal op iets, dat hem onverwacht treft. Hij is zeldzaam gevoelig voor een intuïtief gegeven, dat ineens voor zijn geest oprijst. Al pratende welt het spontaan bij hem op. Van plechtigheid is er in het geheel geen sprake. Alles draagt het stempel van den eenvoud, vloeit over van levenslust, het eene verhaal volgt op het andere, het gesprek groeit in onvermoede wendingen. Een humoristisch geval kan hij niet laten passeren. Het wordt met eentinteling van het oog en een gullen, min of meer onderdrukten lach onderstreept. Dan opeens: een scherpe trek om den mond, een bijna onheilspellend licht in de oogen. Er is iets dat hem schrijnt, of ook ontstemt. De kinderlijke man van daar even verandert in een opkomend onweer. Wee hem, dien zijn oordeel treft! Hij is onvoorwaardelijk. Zoo juist gaf hij u de wijde ruimte; plotseling plaatst hij u voor de enge poort. Het eene oogenblik is hij vol ontferming; het andere oogenblik als de Mozes van Michel Angelo. Onverbiddelijk. Zoo was Jonker als men hem bezocht, en maar stilletjes naar hem zat te luisteren. Hij overgoot het alles met zijn heerlijken humor en met zijn heerlijken ernst. De meest gewone dingen bracht hij op een hooger plan. Alles was doortrokken van de sfeer van het Evangelie. Dan volgde het afscheid. Onweerstaanbaar geboeid, bleef men er licht te lang zitten.

Prof. Van Rhijn vervolgt dan:

Ik heb in mijn leven nooit iemand ontmoet, aan wien Christus een zoodanige verbinding van waarheid en liefde had gegeven, als aan dr. Jonker
In den grond waren gerechtigheid en ontferming voor hem één. Zoodra de liefde ophoudt waar te wezen, heeft zij meteen opgehouden liefde te zijn. Omgekeerd doet in den hoogsten zin aan de waarheid te kort, wie zich aan hare zijde stelt zonder erbarming te kennen. Het was vooral de verbinding van onvoorwaardelijke gestrengheid en kinderlijke teerheid in éénzelfde persoonlijkheid, die Jonker maakte tot iemand, over wien men eigenlijk altijd weer moest nadenken.

Even verder zegt hij vervolgens:

Zijn strengheid, zijn liefde voor de waarheid, voor wat echt is, kwam allereerst uit in zijn eenvoud. Jonker was zoo groot, omdat hij zoo klein was. Hij stelde zich volstrekt onder de dingen onder wier tucht hij begeerde te leven. Hij stond in den hoogsten zin altijd onder beslag.

Nu behoeven wij geen prof Jonker te zijn. Hij was een hoog begaafd man. In zijn Rotterdamse tijd had hij — ja, we lezen het goed — duizend catechisanten. Ds. Nicolaas Beets schreef destijds van hem, dat hij het hoogtepunt van welsprekendheid had bereikt.
Niet aan ieder wordt dit gegeven. Maar ook mensen, die twee talenten hebben ontvan­gen, kunnen veel doen. Zelfs de man met het ene talent kan veel, als hij het maar niet begraaft. Prof. Joh. de Groot zei daar eens van, dat de Heere niet zal vragen, hoeveel talenten we hebben ontvangen, maar wat we ermee hebben gedaan.
Nu is niet iedere emeritus de aangewezen man om op deze wijze jongeren te helpen. Ik denk aan een vergadering, waar jonge dominees klaagden over de moeitevolle taak om elke week een of vaak twee preken te maken. Een vriendelijke collega stond op en bood spontaan aan om hen met raad en daad terzijde te staan. De jongeren keken beduusd, bijna afwerend en er ontstond een pijnlijke stilte. Zij vonden hun welwillende collega nu juist niet de man, die een voorbeeld van predikkunde was, hoewel hij wel veel andere kwaliteiten bezat, 'k Vermoed dan ook, dat niemand op zijn aanbod is ingegaan.
Houdt dit in, dat we dan toch onbruikbaar zijn en moeten we in ons leven het woord emeritus dan toch weergeven met het onvriendelijke woord onbruikbaar?
Voor God is geen mens onbruikbaar.
Ook geen enkele emeritus. We raken nooit uitgediend, zolang de Heere ons het leven laat.

Wat valt er dan wel te doen?
Bij zijn afscheid van onze Rotterdamse gemeente, waar hij jaarenlang had gestaan, zei ds. W.A. Zeydner, de eerste praeses van onze generale synode na 1951: Gemeente, nu kan ik niets meer voor u doen dan voor u bidden.
Hij kende door lange ervaring onze kerk en de gemeente van binnenuit, haar zorgen en haar zonden, haar strijd en nederlagen, haar verwachting, hoe aangevochten alles ook moge zijn. De emeritus, die verder weinig meer kon doen, kon bidden voor de gemeente, die hij verliet. Daar vindt hij een heilige taak. Sprak ds. Joh. van der Kemp, die aan het eind van zestienhonderd predikant was in Dirksland niet van 'des Christens Bidtwerck'?
Dat werk nu aanvaarden wij nederig, dankbaar en blij.
De Romein, die ons voor onbruikbaar verklaarde, krijgt geen gelijk, maar de Heere gebruikt ons en geeft ons een taak.
We zien vooruit en we weten van een rijke toekomst, de grote toekomst van de Heere. Mevrouw IJskes-Kooger zegt het zo:

emeritus
Als hij zijn ogen dicht doet, ziet hij weer
de scherpe groeven in de kanselrand,
de bijbel in de zware leren band,
de stoel met het beschadigde fineer.

De consistorie, waar zijn toga hing,
de tafel met het donkergroene kleed,
de hamer, waar hij vrijwel niets mee deed,
ze staan gegrift in zijn herinnering.

Soms in zijn dromen mompelt hij een naam,
of zoekt naar woorden uit de liturgie.
Hij loopt weer door zijn oude pastorie.
Hij ruikt de klimroos voor het open raam.

Hij denkt aan zijn gemeente met wat pijn;
hij haalt ze allemaal zich voor de geest
de mensen, die hij is tot troost geweest,
maar die hem nu reeds lang vergeten zijn.
Zijn warm verlangend hart vindt rust bij Hem
Die naar hem omziet in zijn eenzaamheid.
Hij zegt, en in zijn stem klinkt geen verwijt:
'Tot weerziens broeders, in Jeruzalem'.

In dat Jeruzalem wacht allen, die in waarheid dienaar van het Woord van God en van de God van het Woord waren een rijke rust; de rust, die er over blijft voor het volk van God.
Een rust, waarin zij niet uitgediend zullen komen, maar voor eeuwig dienstvaardig zullen zijn tot Zijn eer.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 12 maart 1992

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

Emeritus – uitgediend of dienstvaardig? (slot)

Bekijk de hele uitgave van donderdag 12 maart 1992

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's