Het gaat om de gemeente
Soms denk ik weleens: de gelovigen van het oude Israël hadden het gemakkelijker dan wij. Zij hadden een zichtbaar centrum van de eredienst in Jeruzalem: de prachtige tempel, door Salomo gebouwd. Daar kwamen ze samen om hun offers aan de Here God te brengen. Daar ging één keer per jaar de hogepriester in het heilige der heiligen om verzoening te doen over de zonden van het hele volk. Daar hielden ze na het offer hun feestmaaltijden. Daar kregen ze de zegen van de priester. Het geestelijk leven van het volk had een voor allen zichtbaar centrum.
Maar dan ineens bedenk ik ook weer dat dit het volk Israël niet werkelijk geholpen heeft. Niet alleen leidde het vaak tot 'uiterlijke godsdienst' ('des Heeren tempel, des Heeren tempel zijn wij'), maar ook hier drong telkens weer de afgodendienst binnen. Op een gegeven moment was de situatie zodanig dat God stad èn tempel èn volk in de handen van de vijanden overgaf Na de ballingschap werd de tempel wel weer herbouwd, maar ook deze tweede tempel bleek niet blijvend te zijn. Ook zij was slechts een 'schaduw' van de komende dingen. Nadat Jezus Christus gekomen was en zijn werk volbracht had, d.w.z. het offer gebracht had dat eens en voor goed heiligt, was een tempel niet meer nodig.
Het christelijk geloof kent dan ook geen tempel. Het kent überhaupt geen heilige gebouwen of heilige ambten of heilige tijden. Het kent alleen maar een gemeente, die het 'lichaam van Christus' genoemd wordt. Dat is bepaald geen kleinigheid. Integendeel, dat is het hoogste wat hierop aarde van een gemeenschap gezegd kan worden. Ik vermoed dat de redactie de woorden van Ps. 102 op deze gemeente toepast. Of dat eigenlijk wel kan, laat ik nu verder in het midden. Het lijkt wel wat op het bekende verhaal van de appels en de peren die je niet moet vergelijken.
Wat roepen de woorden van ps. 102 bij me op, als ik aan de gemeente van vandaag denk? Met opzet gebruik ik het woord 'gemeente'. Ik denk niet primair aan de denominatie of het kerkgenootschap. Het N.T. kent dergelijke ideeën zelfs niet een«. 'Ekklesia' is óf de plaatselijke gemeente óf de universele kerk.
Als ik aan mijn eigen plaatselijke gemeente denk, is het eerste: wat een wonder dat die gemeente er is. Zo'n grote verscheidenheid van mensen, zo'n grote verscheidenheid aan karakter, aan culturele achtergrond, aan maatschappelijke status, aan opleiding, enz. En toch horen die mensen bij elkaar en bij Jezus Christus en komen ze 's zondags samen om het evangelie van Jezus Christus te horen. Dat is één groot wonder.
Uiteraard is dat niet alles. Tegenwoordig is er in veel gemeenten, althans binnen het kerkver band van de Gereformeerde Kerken, veel spanning. Die verscheidenheid is zo langzamerhand zo groot geworden, dat ze tot pluraliteit (en soms zelfs tot pluralisme) is geworden en dat de gemeente gepolariseerd is geraakt. Soms hebben de gemeenteleden er moeite mee om elkaar als medegelovigen te herkennen en te erkennen.
Maar ook dit is niet voor het eerst in de geschiedenis. We komen het al in het Nieuwe Testament tegen: de gemeente te Corinthe, met haar partijschappen. Paulus moet daar niets van hebben, zelfs niet van de partij die zich naar hemzelf noemt! En toch zegt hij nergens in zijn brieven aan deze gemeente: jullie zijn geen gemeente van Christus meer; je moet je eerst maar eens bekeren en dan zullen we er wel eens over praten of jullie nog de naafti gemeente mogen dragen. Nee, Paulus spreekt de gemeenteleden juist op hun gemeente-zijn aan! Hij vermaant ze van daaruit!
Twee dingen die blijkbaar nogal eens samengaan: je verheugen over het wonder dat de gemeente er is èn veel verdriet van de gemeente hebben. Ik heb wel eens het gevoel dat ik tegenwoordig meer over het tweede dan over het eerste hoor. Klagen is trouwens ook gemakkelijker dan prijzen of dankbaar zijn. Als hoofdredacteur van het Centraal Weekblad krijg ik geregeld verzoeken om eens over deze of gene misstand in de kerk te schrijven. Soms doe ik het; meestal doe ik het niet. Het zou heus niet moeilijk zijn om elke week hele weeklachten over dingen die in de kerk gebeuren te houden. Soms moet het ook wel eens hardop gedaan worden, als het de spuigaten uitloopt!
Maar klagers zijn zelden bouwers. En wat de gemeente allereerst nodig heeft is dat ze 'opgebouwd' wordt in het algemeen ongetwijfeld christelijk geloof Wie in de kerk op de een of andere wijze verantwoordelijkheid draagt (maar doen we dat niet allemaal? ) die moet meebouwen vanuit het evangelie: idden voor de gemeente; meedoen in de gemeente; en vooral: ensen in nood helpen. De praktische Jakobus schreef: Zuivere en onbevlekte godsdienst voor God, de Vader, is: mzien naar wezen en weduwen in hun druk en zichzelf onbesmet van de wereld bewaren' (1 : 27).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 19 maart 1992
De Waarheidsvriend | 20 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 19 maart 1992
De Waarheidsvriend | 20 Pagina's