De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Stenen en gruis

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Stenen en gruis

5 minuten leestijd

De woorden hebben betrekking op de deplorabele toestand van de kerk. Zo althans heeft Calvijn ze opgevat. Stenen en gruis: er rest weinig van de heerlijkheid van de stad en van de tempel. Er bleef nog minder over van de glorierijke verschijning van de kerk. Weliswaar lijkt het, dat er hier en daar iets van heerlijkheid te zien is, maar wanneer men de toestand van de kerk in de gehele wereld (Gods kerk is immers een aangelegenheid, waarover men slechts mondiaal kan denken? ) in ogenschouw neemt, moet men over een beklagenswaardige situatie spreken. Welke motivatie kan men daaraan ondenen? Calvijn maakt een fraaie opmerking. Naarmate de desolate toestand van de kerk bedroevender is, mogen we des te minder de liefde tot haar nalaten. Stenen en gruis zijn geen oorzaak van afkeer bij ons. Maar van des te vuriger brandende liefde en hartelijke genegenheid. Het zijn de stenen van Sion. En het is niet het gruis van welke willekeurige stad ook maar. God woont immers daar? Luther gaat nog een stapje verder. Het gruis verbindt hij met de ruwe aarde, waaruit Adam genomen is. Waar wij geen enkele mogelijkheid zien, daar zijn de creatieve krachten van God geenszins ten einde gekomen. God is de Schepper. Hij is meer nog de Verlosser, die zijn eigen rijk bouwt. Hij laat niet varen wat zijn hand begon. We denken bij deze woorden ook en misschien nog wel het meest aan de situatie van de kerk in Nederland. Stenen en gruis. Ik durf het niet aan om een taxatie te maken waar men het meeste van dit afgeschreven materiaal vindt. Gods knechten, want daarover spreekt de psalm, hebben welgevallen en medelijden, liefde en genegenheid tot de vervallen puinhoop zelfs. De psalm brengt die twee affecties in verband met de grote beweging die erin God zelf is. God zal opstaan en zich ontfermen. Gods medelijden zal ontwaken, (1) omdat God daarvoor de redenen in zichzelf vindt: in zijn eeuwige, vrije en verkiezende liefde. (2) Omdat

Calvijn maakt een fraaie opmerking. Naarmate de desolate toestand van de kerk bedroevender is, mogen we des te minder de liefde tot haar nalaten. Stenen en gruis zijn geen oorzaak van afkeer bij ons. Maar van des te vuriger brandende liefde en hartelijke genegenheid. Het zijn de stenen van Sion. En het is niet het gruis van welke willekeurige stad ook maar. God woont immers daar? Luther gaat nog een stapje verder. Het gruis verbindt hij met de ruwe aarde, waaruit Adam genomen is. Waar wij geen enkele mogelijkheid zien, daar zijn de creatieve krachten van God geenszins ten einde gekomen. God is de Schepper. Hij is meer nog de Verlosser, die zijn eigen rijk bouwt. Hij laat niet varen wat zijn hand begon.

We denken bij deze woorden ook en misschien nog wel het meest aan de situatie van de kerk in Nederland. Stenen en gruis. Ik durf het niet aan om een taxatie te maken waar men het meeste van dit afgeschreven materiaal vindt. Gods knechten, want daarover spreekt de psalm, hebben welgevallen en medelijden, liefde en genegenheid tot de vervallen puinhoop zelfs. De psalm brengt die twee affecties in verband met de grote beweging die erin God zelf is. God zal opstaan en zich ontfermen.

Gods medelijden zal ontwaken, (1) omdat God daarvoor de redenen in zichzelf vindt: in zijn eeuwige, vrije en verkiezende liefde. (2) Omdat God daarvoor de reden vindt in zijn belofte, die gesproken heeft van een afgebakende tijd, waarna God zich weer zou ontfermen. Maar (3) vooral omdat Gods knechten medelijden hebben en deernis met de situatie van de kerk, het Sion Gods.

De tekst begint met want. Men mag blijkbaar uit dit medelijden der knechten, der gelovigen, afleiden, dat het voor God de tijd zal worden om genadig te zijn. Geen genadig herstel van de kerk door Gods goedertierenheid, dan alleen wanneer de kinderen van God het kerkelijke vraagstuk hebben leren zien en ervaren als een kwestie van medelijden, waar men onderdoor gaat.

Lijden aan de kerk! Wie weet niet dat het vaak zo negatief ervaren wordt. Maar het echte lijden, het medelijden met de kerk van God, is blijkbaar de psalm een teken, dat Gods tijd van genade zeker zal komen (vs. 14). Wij koesteren te weinig deze liefde en dit medelijden. Zij vormen samen een bijbels teken, dat de 'bestemde tijd' gekomen is. De kerkelijke wereld in Nederland mag niet te veel een kwestie van beschouwing, van programma's, van prognoses en van voorstellingen zijn. Zij moet een zaak van affectieve betrokkenheid zijn. En het zijn de knechten, wellicht haar dienaren 't meest, maar vooral ook de gelovigen zelf, die hier bedoeld worden. Te veel welgevallen is er soms in het denigrerend spreken over de stenen. Te weinig grijpt het ons aan, wanneer het beeld van een andere kerkelijke denominatie vergruisd wordt. Wanneer Gód zich ontfermt over Sion dat in puin ligt en wanneer Hij zijn medelijden eerst dan omzet'in de genade die opbouwt, wanneer wij medelijden tonen, laat dan de tekst ons er toe brengen om de liefde tot zijn Sion in kerkelijke vormen te bewijzen. Die tijd is waarlijk nu wel gekomen. Voor de HERE. Maar dan zeker ook voor ons.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 19 maart 1992

De Waarheidsvriend | 20 Pagina's

Stenen en gruis

Bekijk de hele uitgave van donderdag 19 maart 1992

De Waarheidsvriend | 20 Pagina's