De zwijgende Borg
Doch Jezus zweeg stil. Mattheüs 26 : 63
Wat een droevig rechtsgeding, daar in de raadzaal van Kajafas, de hogepriester! Het was de vijanden van Jezus, dankzij het verraad van Judas, gelukt om de Heere Jezus in de hof gevangen te nemen. Het was in alle stilte geschied en terwijl in allerijl de raadsheren van het joodse Sanhedrin uit alle stadskwartieren ter vergadering worden opgeroepen in die nachtelijke ure, vergenoegt Annas, de schoonvader van Kajafas, er zich in om de Heiland te ondervragen. Doch Jezus antwoordde hem niets.
Eindelijk zijn al de leden bij elkaar. De vierschaar kan nu gespannen worden. Nu is het de ure van de macht der duisternis. Ik zie hem daar in mijn gedachten staan, die hogepriester Kajafas, in vol ornaat, gereed om het paaslam te keuren. Dit staat bij de massa van de leden van de grote raad reeds vast, dat Jezus sterven moet. We lezen dan ook, dat de overpriesters en de ouderlingen en de gehele grote raad valse getuigen tegen Jezus zochten, opdat ze Hem mochten doden, maar zij vonden niet.
Telkens worden er weer nieuwe getuigen voorgebracht, maar God heeft telkens weer in dat getuigenverhoor willen blazen. Het liep telkens weer uit op niets. Welk een nameloos geduld heeft de Zoon des mensen bij dit getuigenverhoor aan de dag gelegd. Slechts één woord van Zijn almacht was in staat geweest om aan dit schandelijk gedoe onmiddellijk een einde te maken, maar neen, Hij heeft dit alles vrijwillig willen dragen.
Maar waar het nu eenmaal vaststond, dat Jezus ter dood gebracht moest worden, daar gevoelde men, dat men het bij de telkens mislukte pogingen niet wilde laten. Weer worden twee valse getuigen opgezocht. Het geld, dat stom is, praat recht wat krom is, zegt 't spreekwoord.
En hoe luidde dan nu de nieuwe beschuldiging?
Zij beweerden, dat Jezus had gezegd, dat Hij de tempel Gods kon afbreken en in drie dagen dezelve weer kon opbouwen.
Ja, dat was nu toch eens een beschuldiging, die niet te weerleggen viel! Was dat geen godslasterlijke taal tegen de heilige tempel?
Had Jezus inderdaad ooit deze woorden gebezigd?
Immers neen! Jezus had vroeger wel gezegd: 'Breek deze tempel af en in drie dagen zal Ik hem oprichten.' Maar dit had Hij niet gesproken van de tempel van Jeruzalem, maar dit zei hij van de tempel Zijns lichaams.
Dat woord was op het punt in vervulling te gaan, want zij waren immers bijeengekomen om Hem ter dood te brengen.
Ziet, daar staat Kajafas van zijn zetel op en stelt Hem voor de vraag: 'Antwoordt gij niet op wat deze tegen U getuigen?'
Doch Jezus zweeg stil.
Kunt u dat zwijgen van de Heiland verstaan? U verwondert er u misschien over, dat de Heiland gezwegen heeft. Het is u misschien wel gegaan als de discipelen, die zich menigmaal aan Hem geërgerd hebben in de dagen van Zijn lijden en Zijn sterven.
Waarom heeft Hij de lippen niet geopend om deze smadelijke laster te weerleggen, of nog liever: waarom heeft Hij de mond niet geopend om de Vader te bidden, dat de aarde zich opnieuw zou scheuren, gelijk in de dagen van Korach, Dathan en Abram, opdat al Zijn vijanden levend door de aarde zouden worden verslonden?
Maar nee, niets van dat alles! Hij was als het zwijgende lam, als een schaap, dat stom is voor het aangezicht zijner scheerders.
Is het 'waarom' u nog nimmer duidelijk geworden? Hebt u dan nog niet begrepen, dat het maar één woord zou gekost hebben en legioenen zouden Hem hebben bijgestaan om al Zijn vijanden te vernietigen?
Maar wat zou daarvan het gevolg zijn geweest! Zeker zou Jezus overwinnaar zijn gebleven in dat schandelijk proces, maar voor de arme zondaar zou het bij God voor eeuwig verloren zijn geweest.
Ik denk aan een andere vierschaar. De mens alléén voor God! Het geweten door de Heilige Geest geopend! De zonden, die al lang waren bijgezet in het graf der vergetelheid, waaruit nooit een gedenken meer zou opkomen, doemen weer op voor het zielsoog bij het ontdekkend genadelicht Gods!
Zonden, met gedachten en met woorden en met werken bedreven!
Zonden der jonkheid en zonden van de middelbare leeftijd en zonden des ouderdoms! O, lezers, als God ons reeds hier beneden voor Zijn vierschaar trekt, wat zult u Hem dan op al die duizend vragen kunnen antwoorden?
Niet één woord, dan zult ge moeten verstommen en het met de dichter moeten belijden:
Zo Gij in het recht wilt treden
O Heer, en gadeslaan
Onz' ongerechtigheden,
Ach, wie zal dan bestaan?
Dan zullen we op duizend vragen niet één enkel antwoord kunnen geven.
Lezers, indien u dat verstaat door genade, dan zult u er ook iets van verstaan, waarom de lijdende Borg heeft willen zwijgen, ja heeft móéten zwijgen om de Redder en Zaligmaker van een arm zondaarsvolk te kunnen worden.
O gij, die over uw zonde klaagt en schreit, hoort het rijke evangelie, dat Hij het was. Die daar in uw plaats wilde staan en lijden. Die wilde zwijgen, opdat u niet voor eeuwig in het uur van het eindgericht zou moeten verstommen.
Dat zwijgen moet Kajafas stellig wel hebben benauwd!
O, dat zwijgen vol majesteit was voor deze hogepriester zo pijnlijk!
Dat zwijgen getuigde tegen hem!
En toch voelde hij wel, dat op grond van deze enkele beschuldiging Jezus onmogelijk ter dood kon worden veroordeeld. Daarom zegt nu de bange hogepriester: Ik bezweer u bij de levende God, dat gij ons zegt, of gij zijt de Christus, de Zoon Gods.
Jezus zei tot hem: Gij hebt het gezegd.
Jezus, bezworen zijnde bij de heilige naam van Zijn Vader, heeft nu niet langer willen zwijgen.
Verwondert het u niet, dat de Heiland nu het zwijgen verbreken wilde? En toch, bij nader inzien wordt Zijn spreken nu even aanbiddelijk als het zwijgen tevoren.
Zonder dat Kajafas er zich van bewust was, deed hij Jezus eigenlijk de vraag, of Hij de Borg en de Middelaar van een verloren volk wilde wezen. O, als de Heiland nu eens had gezwegen! Dan was het voor eeuwig verloren geweest.
Maar hoor nu, hoe Hij op de vraag, of Hij de Borg wilde wezen, plechtig geantwoord heeft, opdat 't volk Gods van alle eeuwen, dat schreeuwt om genade, er het geklank van het evangelie in zou beluisteren.
Helaas, Kajafas begrijpt er niets van en ook niet van de woorden, die de Heere eraan toevoegde: Doch ik zeg ulieden: van nu aan zult gij zien de Zoon des mensen, zittende ter rechterhand der kracht Gods en komende op de wolken des hemels.
Kajafas is verontwaardigd. Hij scheurt zijn kleed van voorgewende ontzetting. Ach, had hij berouwvol gezwegen en ware zijn hart verscheurd!
Hij heeft God gelasterd, wat hebben we nog getuigen van node. Zie, nu hebt u Zijn Godslastering gehoord', zo roept hij uit.
Het paaslam is nu gekeurd! Uit bijna alle monden wordt nu het geroep gehoord: Hij is des doods schuldig.
O, lezers en lezeressen, hebt u al op Jezus als op uw lijdende Borg leren zien?
O weet dit, zo wij de Heere niet aan deze zijde van het graf leren ontmoeten, dan zullen we Hem voor het eerst aan gene zijde des grafs aanschouwen, maar dan om voor eeuwig te verstommen.
Nu zwijgt Hij nog, ondanks hemeltergende zonden. Wie weet, hoe kort het maar meer duurt en Hij roept u op om voor eeuwig te worden gevonnist. Het is nog het heden der genade om te vluchten tot Hem, die nog in liefde wil zwijgen, opdat u niet voor eeuwig zou verstommen, maar die ook nu nog aan verlorenen de boodschap wil laten brengen, dat er bij Hem redding is voor de grootste der zondaren.
(Waarheidsvriend 8-3-1935)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 maart 1992
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 maart 1992
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's