Samenwonen en openbare belijdenis
Dit artikel gaat over een probleem, dat zich waarschijnlijk in toenemende mate in de gemeenten zal voordoen. Het is het bekende probleem van het samenwonen. Hierover is in de loop der tijd veel gezegd en geschreven. Meestal ging het dan over de vraag of jonge mensen, die samenwonen, in de kerk mogen trouwen. Daarover wil ik het nu niet hebben. Het gaat nu om iets, wat zich misschien op dit ogenblik nog niet zo vaak voordoet in onze gemeenten, maar waarmee we steeds meer geconfronteerd zullen worden. Hoe moet je als kerkeraad staan tegenover samenwonenden die belijdenis des geloofs willen afleggen? Persoonlijk zou ik het niet gewaagd hebben hierover iets te schrijven, als vanuit de praktijk niet de noodzaak zich voorgedaan had hierover na te denken. Bovendien kreeg ik de indruk, dat de bezinning hierover in kerkeraden lang niet altijd plaatsvindt. Dat zal wel hiermee samenhangen, dat samenwonenden vaak geruisloos uit de gemeenten verdwijnen. En daarmee heft het probleem zichzelf op. De kerkeraad hoeft er zich niet verder mee bezig te houden. Het is de vraag of op een gegeven moment het probleem zich niet duidelijker zal aandienen en dat een kerkeraad dan niet om bezinning heen kan. Het zou kunnen zijn, dat met de Palmzondag in het vooruitzicht, dit probleem meer dan anders bij kerkeraden en nog meer bij (aspirant) belijdeniscatechisanten knelt.
Een gevoelig onderwerp
In de gereformeerde gezindte wordt samenwonen nog steeds beslist van de hand gewezen. Toch kan men zich niet aan de indruk onttrekken dat er nu iets anders over gedacht wordt dan een aantal jaren geleden. Nog niet zo heel lang geleden sprak men zonder meer van 'hokken'. Het was ondenkbaar, dat mensen die eerst hadden samengewoond, later hun huwelijk in de kerk konden laten bevestigen. Dit strakke standpunt wordt lang niet overal meer gehandhaafd. De reden zal zijn, dat men tot het inzicht is gekomen dat de kerk juist z'n best moet doen samenwonenden van gedachten te doen veranderen en hen moet proberen te overtuigen dat het huwelijk een betere, want bijbelse weg is. Maar hoe moet het nu als samenwonenden belijdenis willen doen?
Het zal duidelijk zijn dat dit een uitermate gevoelig onderwerp is. Want het is in onze tijd beslist niet vanzelfsprekend dat jonge mensen belijdenis willen doen. Het is een stap waar veel van hun leeftijdgenoten heel veel moeite mee hebben. Daarom is het des te verheugender als er telkens weer jongeren zijn, die ondanks allerlei vragen, waar ze misschien ook niet zo goed raad mee weten, toch de behoefte hebben om belijdenis des geloofs af te leggen in het midden van de gemeente. Moet je als predikant en als kerkeraad God niet dankbaar zijn voor elke belijdeniscatechisant, die zich aanmeldt? En wat zal het gevolg zijn van een afwijzende houding? Het risico zit er dik in, dat zo iemand zich teleurgesteld en misschien wel geërgerd van de kerk afwendt. Daarom de vraag: Hoe te handelen als een belijdeniscatechisant(e) samenwoont en de noodzaak om te trouwen niet inziet? Niet inziet, omdat het samenwonen als een volstrekt eerlijke en integere zaak wordt ervaren.
De persoonlijke levenssfeer
Wie zich met dit probleem bezighoudt, krijgt met tal van vragen te maken. De kernwoorden van de Schrift zijn in het geding. Woorden als zonde, genade, gehoorzaamheid, liefde, vergeving zijn aan de orde. Hoe moeten die woorden in deze situatie vertolkt worden? Neem bijv. het woord gehoorzaamheid. Van gehoorzaamheid is sprake als iemand de weg van belijdenis-doen wil gaan en tegelijk is daar de spanning met betrekking tot wat de Schrift zegt over het huwelijk. Zonde: samenwonen is zonde, zo wordt gezegd. Maar als iemand een ander zwart maakt, wordt het dan ook zo hoog opgenomen? Liefde: kan dat nog liefde heten, als men iemand afwijst? De vragen rond tuchtoefening komen aan de orde. Waar sprake is van tuchtmaatregelen vallen al spoedig termen als 'machtsmisbruik'. Zonder hierop nu verder in te gaan, kan worden vastgesteld dat alles wat tot de persoonlijke levenssfeer behoort, nauwelijks meer voorwerp van het kerkelijk opzicht mag zijn. Op dit punt is men in onze tijd uitermate gevoelig. De persoonlijke levenssfeer is taboe voor de kerk en kerkelijke uitspraken. Een andere opmerking houdt hiermee verband. Van machtsmisbruik zal sprake zijn, als de tucht losgemaakt is van het pastoraat. De tucht staat op zichzelf en neemt dan niet een dienende plaats in, nl. dat de opbouw en de bewaring van de gemeente gediend wordt. Het dienende karakter van de tucht zal steeds in het oog gehouden moeten worden. Daarom zal zeer voorzichtig omgegaan moeten worden met het toepassen van tuchtmaatregelen.
Verantwoording
Een kerkeraad, die meent dat belijdenis doen en samenwonen niet met elkaar verenigbaar zijn, zal zich daarom goed rekenschap moeten geven van haar beslissing. De volgende regelmatig gestelde vragen moeten onder ogen gezien worden.
Een weigering betekent de toegang tot het Heilig Avondmaal ontzeggen. Dat is een vorm van tuchtuitoefening. En wel een zware vorm van tuchtuitoefening. Als een kerkeraad moeite heeft — op bijbelse gronden — met het toelaten tot het Heilig Avondmaal van samenwonenden, waarom volstaat ze dan niet met het uitspreken van haar bezorgdheid tegenover betrokkene? Is de christelijke vermaning niet voldoende?
Waar haalt een kerkeraad het recht vandaan om 'kwaliteitseisen' aan mensen te gaan stellen? Is dat niet een verduistering van het Evangelie? Aan het Avondmaal worden toch juist zondaren genodigd?
Geeft zo'n kerkeraad zichzelf niet het brevet van braafheid en fatsoenlijkheid door serieuze jonge mensen, die toevallig niet precies in de bekende sporen gaan, af te wijzen?
Heeft de kerkeraad voldoende haar best gedaan om duidelijk te maken wat nu het unieke van het huwelijk is?
Heeft de kerkeraad voldoende begrip voor het feit, dat voor nogal wat jongeren het huwelijk veel van haar glans verloren heeft door de vele huwelijken, die op de klippen gelopen zijn?
Beseft die kerkeraad wel dat de jongere generatie opgroeit temidden van talloze leeftijdsgenoten voor wie samenwonen op geen enkele manier een probleem is?
Is de 'kwaliteit' van de relatie niet veel belangrijker dan de manier, waarop die relatie tot stand komt?
Laat die kerkeraad voldoende tot zich doordringen wat de gevolgen zijn van het feit, dat ook de overheid het huwelijk nauwelijks serieus neemt? Wordt het door de overheid echt nog gezien als een huwelijks-sluiting, of stelt het niet meer voor dan een registratie van het huwelijk: een zuiver formele handeling?
Bovendien: als u zich zo tegeriover samenwonenden opstelt, wat zal dan uw houding zijn ten aanzien van mensen die gescheiden zijn, om maar te zwijgen van homofiele gemeenteleden? Die vallen dan zeker helemaal uit de boot?
Kwaliteitseisen?
Deze en dergelijke vragen verdienen serieuze overweging en maken een standpuntbepaling niet eenvoudig. Toch is er ook een andere kant, die evenmin uit het oog mag worden verloren. Ten eerste iets over het verwijt van het stellen van 'kwaliteitseisen'. Het is een heel naar woord, maar ik gebruik het, omdat daarin de afschuw doorklinkt van hen, die een afwijzende houding van een kerkeraad ten enenmale verwerpelijk vinden. Sterker nog: zij vinden dat een kerkeraad zichzelf diskwalificeert door zo'n standpunt. Want je kunt niet duidelijker met het Evangelie in conflict komen, dan door 'kwaliteitseisen' te gaan stellen. Het antwoord op dit verwijt mag zijn, dat de kerk geen kwaliteitseisen kan of mag stellen.
Maar de kerk mag, en moet zelfs, gehoorzaamheid vragen. Dat gebeurt elke zondagmorgen als we Gods geboden horen. Dan is dat een oproep om voor die geboden te buigen. Gehoorzaamheid wordt gevraagd als de vermaningen uit het Nieuwe Testament worden gelezen. Gehoorzaamheid wordt gevraagd als ouders hun kinderen ten doop houden, als de belijdenisvragen gesteld worden, als het Avondmaalsformulier gelezen wordt. Gehoorzaamheid aan de Here Jezus kan veel pijn en strijd met zich meebrengen. Het kan betekenen dat we ons geïsoleerd-voelen staan in een samenleving. Een samenleving die intussen ook voor geboden stelt, die ook gehoorzaamheid vraagt, namelijk de gehoorzaamheid van het zich aanpassen aan de regels die daar gelden. Daarmee is nog niet gezegd, dat een weigering (tot de openbare belijdenis) wettig of noodzakelijk is. Want het kan aan het verantwoordelijkheidsgevoel en het eigen oordeel van de betrokken catechisant overgelaten worden of het samenwonen verenigbaar is met het volgen van de Here Jezus of niet.
Vermaning en tucht
Al eerder is gezegd dat dit onderwerp uitermate gevoelig ligt. En waar emoties een grote rol gaan spelen, wordt het heel moeilijk het probleem in z'n ware verhoudingen te zien. De emoties komen voort uit ergernis over het feit, dat een kerkeraad zich een oordeel zou aanmatigen over iemands persoonlijke geloof. Over dat geloof kan en mag een mens, wie hij of zij ook is, toch geen oordeel vellen? En gebeurt dat niet als een kerkeraad het 'onverenigbaar' uitspreekt? Er wordt in dit verband een tegenstelling gemaakt tussen het pastorale vermaan en — als dat uiteindelijk toch niet zou overtuigen — het niet toelaten tot de openbare belijdenis. Dit is mijns inziens een kunstmatige tegenstelling. Een vermaning zou wel mogen, dat zou tot het terrein van het pastoraat behoren, een afwijzing zou per se niet pastoraal kunnen zijn, maar geldt als een vorm van (ongeoorloofde) machtsuitoefening. In deze gedachtengang wordt over het hoofd gezien, dat een vermaning ook een tuchtmaatregel is. En zo is het in principe ook mogelijk, dat een weigering een vorm van pastoraat is.
Als een kerkeraad werkelijk ervan overtuigd is, dat iemand de verkeerde weg in slaat, moet in alle ernst en met alle liefde geprobeerd worden iemand daarvan te weerhouden. Bij mij bestaat het vermoeden, dat diegenen die van een weigering niet willen weten, evenmin van een vermaning willen weten. Want met welk recht zou een kerkeraad wel mogen vermanen? Want ook dat kun je zien als een niet willen respecteren van iemands overtuiging. Wie consequent wil zijn, moet òf het pastoraat zorgvuldig zuiveren van elk 'kritisch' element òf moet bereid zijn — als het niet anders kan — de weg, die wordt ingeslagen bij het geven van onderricht, bij het uiten van afkeuring of vermaning verder af te leggen.
Meten met twee maten?
In dit verband nog een ander punt. Er wordt nogal eens op gewezen, dat kerkeraden de neiging hebben met twee maten te meten, namelijk als een kerkeraad wel weinig meelevende ouders toelaat tot de Heilige Doop, maar jonge mensen, die zich juist bij de kerk betrokken weten, zou willen afwijzen. Is dat niet vreemd? Het is de vraag of het verwijt van willekeurig handelen terecht is. Bij de Heilige Doop gaat het om het kind. Het kind mag niet de dupe worden van de ongehoorzaamheid van de ouders. Bovendien – en dat is toch heel belangrijk – gaan die ouders dan toch de weg die God hen wijst, namelijk door hun kind te willen laten dopen. Dan mogen we onze vraagtekens hebben ten aanzien van hun gemotiveerdheid, het feit dat men het sacrament begeert is niet onbelangrijk. Terwijl dat bij de vraag of samenwonen en belijdenis doen verenigbaar is, niet duidelijk is. Aan de ene kant wordt de weg gezocht die God ons wijst – het belijdenis doen – maar aan de andere kant wordt nadrukkelijk voorbijgegaan aan een andere instelling van God: het huwelijk. Deze twee kanten maken, dat een afweging niet eenvoudig is
Eenzijdigheid in tuchtuitoefening?
Een ander verwijt moet nog genoemd worden. Het willekeurig bezig zijn van de kerk zou zonneklaar blijken uit het feit, dat de kerk zich nooit bekommert om de levenstucht, behalve als het over seksualiteit gaat, dan vliegen alle lichten op rood (Homoseksualiteit, rapport van de Hervormde Synode, blz. 36). Met andere woorden: moeten we niet heel erg ervoor oppassen hypocriet bezig te zijn? Het zal direct moeten worden toegegeven, dat de tuchtoefening nauwelijks meer functioneert. Wat is de betekenis van de 'censura morum'? Is de vermelding daarvan in het kerkblad niet zuiver 'pro forma'? Wie weet nog wat daarvan de bedoeling is? In vroeger dagen werd gepoogd opzicht te houden over het gehele leven. Maar er moet bij gezegd worden, dat het kerkelijk leven in de begintijd van de Reformatie heel anders was dan nu. Ieder belijdend lid werd immers vermaand aan de viering van het Heilig Avondmaal deel te nemen. Het sacrament en het volksleven stonden nog dicht bij elkaar. Want wie ook maar verdacht werd van onoirbare praktijken, werd vermaand zich van de tafel des Heren te onthouden.
Veranderingen
Dat is wel anders geworden. Op die manier in onze tijd tucht uitoefenen zou niet veel meer zijn dan slagen in de lucht uitdelen. Er wordt nauwelijks iemand door geraakt. Wie een leven leidt waardoor hij of zij in opspraak zou kunnen komen, heeft doorgaans zichzelf al bij voorbaat teruggetrokken. Een kerkeraad die op de wijze van vroeger dagen tucht zou willen uitoefenen, krijgt eenvoudig de kans niet. Daar komt nog iets bij. Diefstal, oplichting, geweldpleging, enz. worden nog steeds als laakbare handelingen gezien. Wie zich aan deze of dergelijke feiten heeft schuldig gemaakt, weet fout gehandeld te hebben. Zelfs al zal men er niet een echt schuldgevoel over hebben, men beseft wel dat het fout was en zal zich onttrekken aan het Heilig Avondmaal. Heel anders ligt dat bij samenwonen. Het verschil is niet alleen, dat het iets van een heel andere orde is. (Wie zou willen beweren, dat bij samenwonen de naaste geschaad wordt?) Het voorbeeld wil alleen duidelijk maken, dat het één nog steeds door iedereen als fout gezien wordt, maar het ander niet meer. Integendeel, het wordt als legitiem beschouwd. Het is daarom, dat kerkeraden wel met zoiets als samenwonen te maken krijgen en nauwelijks met andere bovengenoemde zaken. Men mag dus mijns inziens kerkeraden niet zomaar willekeurig beleid verwijten. Het heeft met meer dingen te maken.
Welk beleid?
Wat zou nu het beleid van een kerkeraad in deze kwestie moeten zijn? Wie z'n pastorale hart laat spreken, zal er heel veel moeite mee hebben om tot een afwijzing te komen. Moeten we ons als kerk temidden van de gebrokenheid van het bestaan niet heel bescheiden opstellen? Voorop zal moeten staan dat niemand pastoraal gesproken in de kou gezet mag worden of afgeschreven mag worden. Dat geldt samenwonenden; dat geldt ook gemeenteleden die gescheiden zijn. Maar pastoraat is pas echt pastoraat als het een bijbels pastoraat is. En dan zullen we niet om het huwelijk kunnen en mogen gaan. Van de kerk zal niet minder verwacht mogen worden dan dat zij relaties tussen mensen serieus neemt. Het pastoraat zal dan ook op het huwelijk gericht moeten zijn. Twee elementen zijn van groot belang: de wederzijdse en openbare belofte van trouw en het samen staan voor Gods Aangezicht om Zijn hulp en zegen te vragen. Het grote belang van deze dingen zal steeds weer onderstreept moeten worden. Daarmee worden mensen niet in de kou gezet, maar wordt hun een grote dienst bewezen. De wijze waarop dit pastoraat bedreven wordt, zal ten aanzien van gescheiden gemeenteleden anders zijn dan ten aanzien van samenwonenden. Er zijn heel andere gevoelens in het spel. In het ene geval zal het onderrichtende element meer op de voorgrond dienen te staan, in het andere geval het helende element en in een volgende situatie het vermanende element. Op de kerk rust de taak om temidden van de steeds toenemende verwarring op het gebied van relaties een bijbelse weg te wijzen. En die bijbelse weg kan moeilijk iets anders zijn dan het huwelijk. En dan vooral: het kerkelijke huwelijk.
Het kerkelijke huwelijk
De Reformatie heeft de huwelijkssluiting aan de overheid als taak toegewezen. Dat hield een breuk in met het middeleeuwse, rooms-katholieke verleden. Het huwelijk is geen sacrament en hoeft dus niet door de kerk gemonopoliseerd te worden. Bovendien werd het ambt van de overheid hoog gehouden: zij is Gods dienaresse. Toch heeft de overheid toen slechts heel schoorvoetend deze taak ter hand genomen. In onze tijd zien we opnieuw dat de overheid niet het hoogste belang hecht aan het huwelijk. Dat is jammer en verontrustend. Het heeft alles te maken met het feit, dat het openbare leven ontkerstent. Om die reden zal de waarde van het kerkelijke huwelijk opnieuw benadrukt moeten worden. Misschien zou zelfs de gedachte overwogen moeten worden, om de devaluatie van het huwelijk tegen te gaan, of het niet goed zou zijn dat door de kerk voortaan nog slechts dat huwelijk erkend wordt, dat in de kerk voor Gods aangezicht gesloten is. Na de ondergang van het Romeinse rijk overleefde de christelijke cultuur in kerk en klooster. Misschien is opnieuw de tijd aangebroken, bepaalde waarden in veiligheid te brengen en als het ware in de kerk op te bergen. In afwachting van betere tijden.
Verantwoordelijkheid
Om terug te keren tot het probleem van belijdenis en samenwonen: is dit een kwestie van zodanig gewicht dat een kerkeraad moet uitspreken, dat het een onverenigbaar is met het ander? Twee dingen hierover. In de eerste plaats dit: de eigen verantwoordelijkheid van gemeenteleden zal steeds benadrukt moeten worden. En dat niet alleen omdat het mondige gemeentelid niet anders verwacht, maar vooral ook, omdat het pastoraat erop gericht moet zijn om mensen van die persoonlijke verantwoordelijkheid bewust te maken. Maar eveneens is het waar, dat de kerkeraad haar eigen verantwoordelijkheid heeft en uit die verantwoordelijkheid moet leven en werken. Die verantwoordelijkheid gaat verder dan het louter respecteren van meningen en opvattingen, die in onze tijd opgeld doen. Soms kun je je niet aan de indruk onttrekken, dat de eigen verantwoordelijkheid van de kerkeraad niet meer erkend wordt. Misschien is dat weer een reactie op het negeren door kerkeraden van wat in de gemeente leeft. Want kerkeraden kunnen ook arrogant opereren en zich daardoor van de gemeente vervreemden. Het is moeilijk om als kerkeraad zorgvuldig te luisteren naar wat in de gemeente leeft en wat de Heilige Geest in het midden van de gemeente doet en toch ander zijds ervoor te waken 'trendvolger' te zijn van geseculariseerde leef- en denkpatronen.
In de tweede plaats: wie van mening is, dat gemeenteleden, die samenwonen niet belet mag worden belijdenis te doen, moet wel de gevolgen onder ogen zien. Een gevolg is toch, dat samenwonen en huwelijk als twee aan elkaar gelijkwaardige levensvormen worden geaccepteerd. Een andere conclusie lijkt niet mogelijk. Dat is behoorlijk ingrijpend. En het is de vraag, of kerk en gemeente ermee gediend zijn. Ook mag men niet achteraf met kritiek en met bezwaren komen. Men heeft er recht op, als volwaardig lid van de gemeente aanvaard te worden. Ook bij een eventuele voordracht van iemand als ambtsdrager, mag en kan men het samenwonen niet opeens als bezwaarlijk zien. Bovendien heeft dan de kerk het recht verspeeld om, als samenwonenden hun kind zouden willen laten dopen, erop aan te dringen in het huwelijk te treden. Moet je dan als kerkeraad niet zo eerlijk zijn om uit te spreken, dat het hele gebied van relaties tot het gebied van de persoonlijke verantwoordelijkheid behoort en dat je daar als kerk niets meer te zoeken hebt? Zou dat weer niet een bijdrage zijn aan de voortschrijdende secularisatie?
Een pastoraal beleid
Maar anderzijds geldt ook dit: wat zullen de gevolgen zijn, als je als kerkeraad het 'onverenigbaar' uitspreekt? Zou zo'n kerkeraadsstandpunt niet tot gevolg hebben, dat juist gescheiden mensen zich hierdoor getroffen en 'gedupeerd' zullen voelen? Omdat juist bij hen het punt huwelijk heel gevoelig ligt! En hoe zullen homofiele gemeenteleden dit ervaren? Komt hun plaats in de gemeente, die toch al heel kwetsbaar is, niet nog meer op de tocht te staan? Daarom wil ik nog terugkomen op het woord 'kwaliteitseis', dat al eerder gevallen is. Als dat ons uitgangspunt moet zijn, is voor niemand plaats aan de Avondmaalstafel. Dan ruilen we het Evangelie in voor de wet. Het gaat om gehoorzaamheid. De weg van de gehoorzaamheid is moeilijk. Voor ieder mens. Dan zullen we keer op keer ervaren, dat wij allen dwalen als schapen, die geen herder hebben. Dan kan onze hoop en verwachting alleen van die Herder zijn, die verloren schapen opzoekt en ze 'thuis' brengt. Hoe gehavend of beschadigd ons leven is: bij Hem is plaats voor ieder die z'n verkeerde daden inziet en belijdt. Dan mag telkens weer door Zijn genade een nieuw begin gemaakt worden. Hij doet verzoening over al onze zonden. Dat geeft moed, kracht en troost. Want God pint ons niet vast op onze verkeerde daden, zoals de mensen maar al te vaak doen. Hij maakt ons als het ware van ons verleden los en geeft nieuwe kansen en mogelijkheden. Maar die kansen en mogelijkheden zijn die van het Evangelie. Wij hebben ze niet voor het uitzoeken. En daarover ging het in dit artikel.
Gemeenschappelijke bezinning
Het pastorale aspect mag misschien ook hieruit blijken, dat het samenwonenden niet van het huwelijk uitsluit, maar hen juist daartoe wil bewegen. Het is ook niet onpastoraal ten aanzien van gescheiden gemeenteleden. Onpastoraal zou zijn hen te veroordelen tot een samenwoon-relatie, omdat de kerk een tweede huwelijk niet zou toestaan. Juist in onze tijd zien we steeds meer, dat gescheiden gemeenteleden huiverig zijn vooreen tweede huwelijk en daarom gaan samenwonen. Ook hier zal de kerk het samenwonen niet moeten legitimeren, maar in alle voorzichtigheid de weg naar het huwelijk moeten wijzen.
Gemeenschappelijke bezinning
Als een kerkeraad op bovengenoemde gronden tot het standpunt zou komen, dat samenwonen en openbare belijdenis onverenigbaar zijn, dan betekent dat niet, dat dit besluit in de plaats komt van het gesprek. Eerder in dit artikel is erop gewezen hoe gemakkelijk het voor jonge (en ook oudere!) mensen is om te kiezen voor het samenwonen. Het is niet de bedoeling hen onverwachts met een standpunt te confronteren dat hun onbekend was. Dat snijdt het gesprek bij voorbaat af. Een kerkeraadsbesluit moet toch in de eerste plaats gezien worden als een staf om mee te gaan en is niet bedoeld als een stok om mee te slaan. Maar juist daarom is het van groot belang, de gemeente te betrekken bij dit onderwerp. Waarom geen gemeenteavond aan dit onderwerp gewijd? Om op die manier de bezinning op gang te brengen of gaande te houden. Als deze bezinning vooraf gaat aan (of eventueel gevolgd wordt door) een standpuntbepaling door de kerkeraad, zal de gemeente zich eerder in dit beleid herkennen. Anderzijds laat de praktijk zien, dat op onverwachte momenten zich bepaalde situaties voordoen, waarop een reactie van de kerkeraad verwacht wordt. Laat daarom iedere kerkeraad alert zijn op de ontwikkelingen die gaande zijn.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 2 april 1992
De Waarheidsvriend | 20 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 2 april 1992
De Waarheidsvriend | 20 Pagina's