De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Uit de pers

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Uit de pers

15 minuten leestijd

Geschiedenis en angst
Er zijn momenten in de geschiedenis van mens en wereld die ons heel diep het besef geven: wat er thans gebeurt, is vol diepingrijpende gevolgen. Zulke momenten hebben we sinds 1989 verschillende keren gekend. Je kunt ze samenvatten in de hele ontmanteling van het communistisch machtssyssteem in de Sowjet-Unie en de Oosteuropese landen. Daarna werd er nog een Golfoorlog gevoerd in het Midden-Oosten die eigenlijk geen werkelijke oplossing geboden heeft, zoals dat met de meeste oorlogen trouwens het geval is (geweest). Vragen die naar aanleiding van genoemde gebeurtenissen bij ons kunnen boven komen zijn o.a.: Hoe sta je als christen in de geschiedenis? Hoe duid je de gebeurtenissen om je heen? Hoe verwerk je ze vervolgens in je leven? Hoe is de plaats van de Kerk in dit alles? Op het jaarcongres van de Vereniging van Christen-Historici in september 1991 sprak dr. W. Aalders over het onderwerp 'De christen en de geschiedenis'. De tekst van deze causerie staat te lezen in het orgaan van genoemde vereniging 'Transparant' jaargang 3, nummer 1, februari 1992. Dr. Aalders begint zijn verhaal door aan te geven dat er soms ogenblikken zijn in je leven waarin je zulke ingrijpende dingen meemaakt, dat je ervaart: dit is geschiedenis, levende geschiedenis, geschiedenis op heterdaad betrapt.

'Wat ons moderne mensen als panische schrik overvallen kan, is de geschiedenis. Ik ben geneigd om te zeggen: men kan niet echt schrijven over de geschiedenis en echt historicus zijn als men de ervaring niet kent van de angst voor de geschiedenis, de schrik van Clio.
Ik herinner mij nog goed, dat ik in die panische meidagen van 1940 gezocht heb naar een boek in mijn boekerij, dat mij wat over mijn angst voor de geschiedenis kon heenhelpen. Een boek, van een schrijver, die uit eigen ervaring die angst kende, maar haar in het geloof overwonnen had. Zo ben ik toen gaan lezen in een boek, dat ik misschien onder andere omstandigheden nooit zou hebben opgeslagen; een boek waarvan ik bijna zeker weet, dat de meeste theologen het wel bij name kennen, maar er waarschijnlijk nooit in lezen zullen. Het is De servo arbitrio (Over de gebonden wil) van Maarten Luther.
Uit dit boek blijkt, dat Luther ten volle de angst en schrik van de geschiedenis gekend heeft. Dit boek is ervan doortrokken. Het spreekt erover hoe de mens onderworpen is aan bovenmenselijke machten in hem en buiten hem. Hij staat onder de terreur van het geschiedproces. Als theoloog heeft Luther daarin zijns gelijke niet. Daarom was het toen mijn ervaring, dat Luther onze gids kan zijn in een tijd als de onze waarin wij hoe langer en meer geconfronteerd zullen worden met de overmacht van de geschiedenismachten.'

Wie dr. Aalders kent, zal het nauwelijks verbazen dat hij direct na Luther Groen van Prinsterer noemt en dan citeert uit diens bekende werk 'Ongeloof en Revolutie'. Ook Groen, aldus dr. Aalders, kende uit eigen ervaring de schrik der geschiedenis. 'Hij had de revolutionaire draaikolken in Brussel meegemaakt en hij doorzag de afgrondelijkheid van de revolutionaire geest.' Zo ging ook voor Groen de vraag leven omtrent God en mens.

'In de bekende Voorrede van zijn boek legt hij daar getuigenis van af. Ik citeer er de meest bekende regels uit: "Ik eindig met de verklaring dat ik tegen alle wijsheid der mensen, bij het gevoel van eigen zwakheid, twee woorden, als onderpand der zege, ten leus heb: Er staat geschreven! en Er is geschied! Een fundament tegen elk schutgevaarte, een wortel tegen lederen wervelwind van filosofisch ongeloof bestand.
De Historie, die ook het vlammend schrift van de heiligen God is. De Heilige Schrift die, in de onafscheidelijkheid van gebeuren en leer, ook de historische schrift is. De Historie, gelijk zij niet enkel door de reeks der daden, maar vooral door de ontplooiing der begrippen gevormd wordt, gelijk zij, door de feiten der Openbaring, haar aanvang en betekenis en richting en eenheid ontvangt... Historie en Schrift, gelijk zij, onder den verbeurden zegen ener lankmoedigheid, die alle berekening overtreft, eenstemmig en verenigd den boetvaardigen zondaar wijzen op Hem, die met den glans zijner volmaaktheden ook op Nederlandsen bodem zich heeft geopenbaard." '

Dr. Aalders gaat dan in zijn causerie vooral in op Groens indringende woorden: De Historie, die ook het vlammend schrift van de heilige God is.

Geschiedenis en profetie
De uitdrukking 'vlammend schrift' moet wel een verwijzing bevatten naar wat we lezen in Daniël 5, aldus dr. Aalders. We kennen allen de aangrijpende gebeurtenissen op de wand van Balsazars feestzaal met Daniëls uitleg van de gebeurtenissen. Daniël verstaat als profeet de sprake Gods in de geschiedenis. Dr. Aalders merkt daarbij op en betrekt er onze eigen tijd bij:

'Maar dat moet toch een absurde voorzegging geweest zijn: dat die summum van barbaarse macht en hoogmoed zou kunnen ineenstorten en vallen! Toch is het een korte tijd later gebeurd. Niet van buitenaf doch van binnenuit. Net als de ineenstorting van het machtige Sowjet-rijk en als de val van de Berlijnse muur. Hoe kan het? Hoe durfde Daniël het voorzeggen? De Bijbel zelf geeft het antwoord op die vragen. Het staat in Genesis 11, de geschiedenis van de spraakverwarring in Babylon. Nu in onze tijd hebben wij geleerd, wat die spraakverwarring was; het was een breuk in een gesloten wereldbeeld, de ontmaskering van de leugen van een afgoderij, van een mythe, van een ideologie. Datgene waardoor de mensen in het gesloten dwangsysteem van een uniform geloof met elkaar verbonden waren als in een termietenstaat, verliest opeens zijn vastheid en geloofwaardigheid. Er is geen eenheid, geen verband geen richting, geen gezag meer. Een engel heeft als hemelse graffiteur heengeschreven door het spijkerschrift der mensen: Mene, mene, tekel, ufarsin. De leugenmachten zijn weersproken. De profeet uit Israël sprak het uit en niemand was er die het tegensprak.'

Dr. Aalders releveert vervolgens de boeiende studie van Buber over het profetisme in Israël. Buber beoordeelt profeten als geschiedschrijvers bij uitstek. Van de profeet Daniël zegt Aalders dan nog het volgende:

'Tot de kring der profeten behoorde ook Daniël. En toch was de profeet Daniël een afzonderlijke type in het geheel van Israëls profetie. Alleen al het feit dat hij buiten de landsgrenzen van Israël geleefd en gewerkt heeft. Met de elite van de inwoners van Jeruzalem was hij weggevoerd en als balling naar Babylon gebracht. Daar was hij opgeleid om te worden opgenomen in het hoge college van waarzeggers en astrologen (wij zouden zeggen: futurologen): één van het gilde der geleerde mannen. Nochtans iemand, die in zijn privé-leven het gebed en de verborgenheid van het geloof onderhield. Dat nu bracht met zich mee, dat zijn gezichtsveld veel wijder was dan van zijn volksgenoten, ook dan dat van de vroegere profeten. Als Israëliet wist hij zich nauw betrokken bij de wereldproblemen. De geschiedenis was voor hem niet alleen het lot van Israël, maar het wel en wee van Israël temidden der heidenvolken. Zo werd geschiedenis voor hem een wereldomvattend dramatisch gebeuren, waarbij zich telkens uitzichtloze situaties voordeden. Daarvan spreekt de droom van de vier dieren als onmenselijke machten, die vier wereldrijken symboliseren. Ook het verhaal van het goddelijk beeld, dat op straffe des doods aanbeden moet worden. Als Daniël in zijn gebed daarover sprak met de HERE God, dan werd voor zijn oog de ganse wereldgeschiedenis tot een zich steeds dieper toespitsende strijd tussen de God van Israël en de heidense afgoden. Niet slechts Israël maar ook de heidenvolken, de gojim, zijn erbij betrokken. Niet slechts de tijd, maar ook de eeuwigheid. Zo werd bij Daniël de geschiedenis tot een eschatologisch gebeuren: zij mondt uit in de eeuwigheid. Zij heeft eindtijd-karakter. "En zie, met de wolken des hemels kwam iemand gelijk een mensenzoon, en hem werd gegeven heerschappij en eer en koninklijke macht... Zijn heerschappij is een eeuwige heerschappij, die niet zal vergaan, en zijn koningschap is één dat onverderfelijk is..." (Daniël 7 : 12v).'

Dr. Aalbers' slotconclusie is dan: de historicus wiens oog gescherpt is door de Schrift en die zich de geschiedenisvisie van de profeten en het Evangelie heeft eigen gemaakt, is daardoor in staat om ook de vlammende sprake Gods en de lichtstralen van Gods volmaaktheid in het heden waar te nemen.

Fin de siècle
We zijn intussen de 90-er jaren van de twintigste eeuw binnengegaan. Is dat zo bijzonder, zult u misschien vragen. Op zich hoeft dat niet. 'Fin de siècle' wil letterlijk zeggen: einde van de eeuw. Maar de term zelf verwijst specifiek naar één eeuw-einde en wel dat van de 19e eeuw. In een boeiend en interessant artikel dat te lezen valt in het 'Hollands Maandblad', 33e jaargang, nummer 530, januari 1992 gaat prof. dr. H.L. Wesseling, hoogleraar Algemene geschiedenis in Leiden in op dat bewuste 'fin de siècle' en stelt zich vervolgens de vraag of wij nu weer zo'n bijzondere periode zullen gaan beleven aan het einde van de 20e eeuw. Rond 1890 waren er allerlei mensen die aangaven dat hun tijd een hele bijzondere tijd was. Ze hadden sterk het gevoel dat het hun tijd een soort eindtijd was, een herfsttijd, een avondschemer van de beschaving. 'Fin de siècle' was voor hen ook een pose, een houding. Het werd beheerst door een gevoel van neergang en verval. Prof. Wesseling geeft aan dat het einde van de 19e eeuw (dat eigenlijk pas echt plaats greep bij het begin van de Eerste Wereldoorlog) inderdaad betekende een einde van het typische 19e eeuwse vooruitgangsgeloof en de Europese overheersing over de wereld. Maar daarmee waren echter de rol van Europa en van de Europese cultuur nog geenszins uitgespeeld. Maar is dat dan een eeuw later misschien wel het geval? Het is niet zo eenvoudig om nu al iets zinnigs te zeggen over de 90-er jaren van de 20e eeuw, aldus prof. Wesseling.

'Dat decennium is nog maar net begonnen en wie zal de geest ervan doorgronden? Toch lijkt mij één ding duidelijk en wel dit. Als fin de siècle onverbrekelijk verbonden is met decadentie – en, zoals we gezien hebben, in cultuurhistorische zin is het dat – dan lijkt thans van een fin de siècle-gevoel geen sprake te zijn. Wij allen beseffen sterk sinds dat annus mirabilis, 1989, dat de wereld volop in beweging is en dat wij een tijdvak van grote veranderingen doormaken, maar wat wij zien, vervult ons toch overwegend met vreugde en optimisme. Het einde van een boosaardig systeem, de ondergang van een incompetente bureaucratie, de herwonnen vrijheid in Oost-en Midden-Europa, de eerste succesvolle collectieve actie tegen een dictator, het zijn alle geen zaken die somber hoeven te stemmen.
Ongetwijfeld komt na de roes de kater en zullen wij zien dat de economische en sociale spanningen na het ontbinden van de dictaturen tot uitbarsting komen en de nationalistische sentimenten hun vrije loop nemen. Zij eisen nu al een zware tol. Ongetwijfeld ook zal de vreugde over de triomf van kapitalisme en de liberal democracy verstommen als de ecologische catastrofe, die het onvermijdelijk gevolg is van een wereldwijde verspreiding van de westerse levensstijl, in haar volle omvang zichtbaar wordt. En ongetwijfeld zal dan een zekere bezinning optreden en zullen wij beseffen dat het niet verstandig is om de toekomst van de wereld uitsluitend in handen te leggen van de dames en heren van de Optiebeurs. Dan zal de vraag naar de wijze waarop de samenleving moet worden ingericht, opnieuw worden gesteld en zullen zich nieuwe tegenstellingen en nieuwe ideologieën voordoen. Al beleven we dus stellig historische tijden en wellicht het einde van een tijdvak, een definitief einde der ideologieën of zelfs een End of history voorzie ik niet.'

Geschiedenis en einde?
Prof. Wesseling geeft dan een boeiende bespiegeling over de geschiedenis van ongeveer de laatste honderd jaar.

'Ongetwijfeld ook is het te eenvoudig om van een "triomf" van de westerse cultuur en de westerse waarden te spreken, maar het idee van een einde der westerse beschaving is in ieder geval opvallend afwezig. Dat dat wel eens anders is geweest, blijkt als we de tijd tussen het vorige fin de siècle en het huidige vanuit dit oogpunt beschouwen. We zien dan namelijk een curieuze ontwikkeling. Heel kort samengevat komt het verhaal hierop neer. Het fin de siècle, 1890-1900 dus, werd gekenmerkt door decadentiegevoelens, het daarop volgende decennium werd overschaduwd door de dreiging van de grote oorlog. Het eerste naoorlogse decennium, de jaren 1920 dus, werd beheerst door afschuw en wroeging over wat de Europeanen zichzelf hadden aangedaan, het tweede naoorlogse decennium, de jaren 1930, door de crisis en de opkomst der dictaturen. Ortega y Gasset, Huizinga, Spengler en anderen verkondigden het einde van onze beschaving. De Tweede Wereldoorlog leek dat einde inderdaad te brengen. Op de verschrikkingen van deze oorlog volgde bovendien de afbraak van de Europese machtsposities in Azië en Afrika. De Aera van Europa, om met Romein te spreken, was voorbij. Toynbee zette in de jaren 1950 het werk van Spengler voort: de levenscyclus van de westerse beschaving was voltooid. Romein kondigde de Eeuw van Azië aan. De jaren 1960 ten slotte vertoonden een grote twijfel aan de westerse waarden en normen. Onze cultuur leek haar tijd te hebben gehad. Onze waarden waren voos. Zo wilden het althans sommigen.
De werkelijkheid was anders. Europa heeft zich na 1945 op wonderbaarlijke wijze hersteld. Zijn economische en politieke rol is nog lang niet uitgespeeld. De Europese, of liever de westerse, beschaving vertoont eveneens een verbazingwekkende vitaliteit. Ze is hevig bekri­tiseerd en velen hebben haar al dood verklaard en begraven, maar dit lijkt toch ietwat voorbarig. Met de westerse beschaving gaat het zoals met God en met de roman: steeds weer worden ze dood verklaard en steeds weer blijken ze springlevend. Natuurlijk zal het idee van de alleenzaligmakendheid van de westerse cultuur niet terugkeren. De erkenning van de pluriformiteit der beschaving is gemeengoed geworden.'

Is de westerse beschaving aan het voorbijgaan met het aflopen van de 20e eeuw? Prof. Wesseling antwoordt daarop:

'In de subjectieve beleving in ieder geval niet. De gevoelens van decadentie, die voor het fin de siècle zo kenmerkend waren, spelen thans geen dominerende rol in ons cultuurbewustzijn. Wij hebben noch het gevoel dat onze beschaving een uniek hoge bloei heeft bereikt, die nooit meer door iets kan worden overtroffen, noch dat andere gevoel, dat onze beschaving al over haar hoogtepunt heen is en op weg naar haar einde. De westerse beschaving is noch rijp noch rot. Ze lijkt op de westerse levensstijl. De mensen worden niet alleen steeds ouder, maar blijven ook tot op hoge leeftijd fit en vitaal. Het is een enigszins verontrustend maar inmiddels vertrouwd gezicht, althans in Amerika, om tachtigjarigen te zien die niet alleen nog in leven zijn maar ook opgewekt bezig met houthakken, paardrijden, zwemmen en door stadsparken hollen. Het is vreemd, maar het went. Zo gaat het ook met de westerse beschaving. Ze is een dagje ouder geworden en een beetje gehavend. De sporen van enkele face-lifts zijn op haar gezicht te zien, maar zij is nog altijd vitaal en actief. Het is verleidelijk om deze metafoor verder uit te werken, maar ik zal er snel mee ophouden want als ik nog even doorga, denkt u niet meer aan de westerse beschaving maar aan het echtpaar Ronald en Nancy Reagan.'

Om af te sluiten en tevens bij het voorgaande aan te sluiten, luisteren we nog een keer naar dr. Aalders. Nu via 'Ecclesia', 83e jaargang, nummer 6, 20 maart 1992, waarin hij het onlangs verschenen boek van W. van der Zwaag over Bilderdijk bespreekt.

'Wij zijn geen negentiende-eeuwers meer, Daarom is het ons onmogelijk in het innerlijk van de negentiende-eeuwer Bilderdijk door te dringen en hem te begrijpen. Als twintigsteeeuwers hebben wij de noodzaak ervaren van veel dierbare dingen uit het verleden los te moeten laten en prijs te moeten geven. Zoals wij ook de noodzaak ervaren hebben van nieuwe dingen te moeten aanvaarden, hoe weinig wij ze ook bejubelen. Kortom, nu na twee wereldoorlogen de twintigste eeuw haar beslag heeft gekregen en de weeën van haar geboorte ver achter ons liggen, nu kijken wij met verbazing en meewarigheid naar die wonderlijke, bizarre overgangsfiguur Willem Bilderdijk, die de overgang van oude tijd naar nieuwe tijd zo diep in eigen ziel doorleefde. Wij weten niet of wij, gesteld dat het mogelijk zou zijn, de negentiende eeuw zouden verkiezen boven de twintigste. Wij zijn geroepen om te leven in het heden. En elke eeuw heeft genoeg aan haar eigen kwaad.'

Denken en dichten over de tijd kan uitermate meeslepend zijn. Ik proef er iets van in het volgende stuk poëzie van Guillaume van der Graft (VG, blz. 838):

Te wit om door te gaan
Het sneeuwt. Het is bevroren water,
het is verloren tijd, het is

andersomtaal, een zwijgzaam praten,
licht vallend uit de duisternis.

Het sneeuwt, het heeft met dood te maken
en met de klokken van voorbij,

er ligt vergeving op de daken,
er is een toekomst buiten mij.

(Verzamelde Gedichten, Baarn, 1985, blz. 838)

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 2 april 1992

De Waarheidsvriend | 20 Pagina's

Uit de pers

Bekijk de hele uitgave van donderdag 2 april 1992

De Waarheidsvriend | 20 Pagina's